25 september 2017

Belgische Orgelkunst in de 19de eeuw

De vier artikelen in dit nummer van de feestelijke veertigste jaargang van Orgelkunst zijn gewijd aan verschillende facetten van de orgelbouw, organisten en omwentelingen tijdens de 19de eeuw in Vlaanderen en Brussel. Het derde nummer van deze jaargang werd samengesteld door Annelies Focquaert en verschijnt op 1 september 2017.

In zijn artikel Van artisanale traditie naar industriële ambitie: de reis van Théophile Delmotte naar Parijs (1855) geeft Roland Servais een beeld van de transformatie die zich voltrok in de orgelbouwersfamilie Delmotte sinds de vroege 19de eeuw tot aan de leerreis die de jongste telg van de familie ondernam naar Parijs in 1855.

Piet Stryckers nam een relatief onbekende Mechelse organist onder de loep in Rondom François Van den Broeck (Mechelen, 10 januari 1798 – 17 januari 1869) en geeft zo een originele inkijk in het dagelijkse leven en werken van musici in Vlaamse kerken.

In Joseph Merklin (1819-1905) in Vlaanderen en Brussel bracht Annelies Focquaert haar nieuwsgierigheid onder naar wat er eigenlijk is overgebleven van de vele kleine en grote orgels die Merklin in Vlaanderen en Brussel bouwde: een puzzel die verre van compleet is, maar toch een stap zet naar een beter begrip voor wat er rest van zijn instrumenten.

Tot slot werpt Hans Fidom in Regels om te breken: op zoek naar het klankconcept van ‘het moderne orgel’ vanuit de 19de eeuw een blik op de 20ste-eeuwse orgeltoekomst, met nieuwe en oude ideeën over uitvoeringspraktijk op ‘moderne’ 19de-eeuwse instrumenten.

In 1860 schreef Edouard Gregoir, bevoorrechte getuige van de Vlaamse orgelwereld in het midden van de 19de eeuw, over de kerkmuziek in Vlaanderen (De Vlaamsche School, jaargang 6, p. 115): ‘En nog moeten wy bekennen dat er vooruitgang is en het vroeger veel erger was. Over veertig jaer, aerzelden onze zangers niet fiorituren, fantaisiën, by den gregoriaenschen zang te voegen, die, om niets te verzwygen, in den smaek des publieks vielen. De gewyde melodyen van den H. Gregorius werden cavatines met roulades. Wat ik van de godsdienstige muziek in het algemeen zegde, mag natuerlyker wyze op de studie en de oefening der orgel worden toegepast. Sints lang was dit schoon en edel speeltuig ten onzent byna vergeten geraekt, en thans nog, dat men het zoekt op te beuren, en er den smaek van terug in te voeren, vervult het in onze tempels meesttyds slechts eene bygaende plaets, verre beneden die welke het toekomt, en men kan geene genoegzame middelen inspannen om dit nuttig hulptuig der godsdienst de weerde terug te geven die het vroeger genoot.’

Ook toen al vooruitgang, achteruitgang, evolutie en revolutie. In veertig jaar tijd kan er veel veranderen.

 

X