18 april 2019

COLUMN RE: gister [ 27 ]

re: gister peter sneep

In de column ‘RE: gister’ deelt organist, componist, cantorijlid en journalist Peter Sneep op in zijn ervaringen vanaf de orgelbank (en soms de pianokruk). De wederwaardigheden van de afgelopen zondag van de begeleider in drie Amersfoortse kerken zullen dan veelal  het onderwerp zijn van deze column. Als het even kan wekelijks op maandag. Deel 27 – Stoppen

 

 

‘Kom es’, wenkt een oude dame die bijna vooraan zit. Ik ben net de Martuskerk binnengekomen en daarbij hanteer ik een vast ritueel. Het orgel van de Martus staat namelijk voorin naast de preekstoel. Maar omdat ik niet de hele preek op de orgelbank wil blijven zitten, leg ik voor de dienst altijd mijn rugzak alvast op de plek waar ik wil gaan zitten. Dat is altijd hetzelfde plekje, pal voor een paar gezellige oude dames. Als de rugzak op z’n plek ligt, ga ik naar het orgel.

 

Een van die dames wenkt me. ‘Kom es’, zegt ze, ‘ik wil even wat vragen.’ Ik vermoed dat ze gaat vragen naar de welstand van mijn kinderen, want dat doet ze wel vaker. Maar ik zit er helemaal naast. ‘Is het waar dat je gaat stoppen met spelen in de Martuskerk? Dat zeggen ze.’

 

Ik ben even perplex, want ik weet van niets. Ik informeer naar de reden dat ik zou stoppen. ‘Ze zeggen dat je het te druk hebt me je nieuwe werk en je gezin’. Ik kan haar geruststellen. ‘Ik blijf hier nog heel lang spelen, hoor’, verzeker ik haar.

 

Kijk, natuurlijk houdt voor mij het spelen in de Martuskerk ooit een keer op. Het aantal kerkgangers neemt al een hele tijd af, dus er komt misschien een tijd dat doorgaan met kerkdiensten geen optie is. Bij het binnenkomen van de kerk was het me al opgevallen dat er weer een rij stoelen is weggehaald in het vak aan de straatkant van de kerk. Maar de gemeente is nog steeds vitaal en ze zingen goed. En zeg nou zelf, samen zingen is de beste manier van gemeenteopbouw. Ik hoop dus dat de kerkenraad van de Martus de gang er nog een tijdje inhoudt. Tot het aantal kerkgangers is gedaald tot het Bijbelse minimum: twee of drie.

 

Voor de dienst improviseer ik over Psalm 110, de eerste psalm op het lijstje. Ik overweeg hoe ik het ga aanpakken. Ik besluit het klein, zacht en een beetje impressionistisch te houden. Een beetje dromen met een uitkomende stem, zeg maar. Eerst de Prestant 8’ in het klein octaaf, daarna de Kromhoorn 8’ in dezelfde ligging.

 

Vlak voordat ik begin met spelen, zie ik in een ooghoek een van de andere organisten van de Martus naar me toekomen. ‘Ik zie je nu, dus vraag ik het meteen maar’, begint hij. ‘Is het waar dat je er mee ophoudt?’

 

‘Nee’, antwoord ik. ‘Als ik ermee stop, ben jij de eerste die het hoort’, zeg ik vrolijk. Ik heb werkelijk geen idee waar dat gerucht vandaan komt. ‘Maar ik stop niet. Ik ben de laatste die hier weggaat.’

 

Ik heb zoiets al eens eerder meegemaakt, bedenk ik onder het spelen. In 1993 of zo. Ik was nog niet zo lang organist van De Kandelaar.

 

Om dat verhaal te begrijpen, geef ik eerst een korte geschiedenisles. Lange tijd, tot 1994, vormden de Kandelaar, Schaapskooi en Martuskerk een organisatorische eenheid. Het was één gemeente van bijna tweeduizend leden die op zondag op drie plaatsen bijeenkwam. In die tijd woonde ik op het grondgebied van De Schaapskooi, maar omdat het een grote kerkelijke gemeente was, kon ik worden benoemd tot organist van De Kandelaar. Daar was namelijk een vacature en in De Schaapskooi niet. Tegenwoordig zijn de drie kerken zelfstandig.

 

In die tijd kwam er in De Kandelaar een nieuw gemeentelid: een meneer die kon orgelspelen. Op een mooie avond belde hij op en vroeg of hij bij me op bezoek kon komen. Op een net zo mooie avond kwam hij langs. Hij kwam namens de kerkenraad, zei hij. Hij vertelde vervolgens dat de raad had besloten dat ik (omdat ik niet op het grondgebied van De Kandelaar woonde) geen organist meer zou zijn van De Kandelaar en dat hij met onmiddellijke ingang in mijn plaats was benoemd. Korte boodschap, veel impact. De man dronk stilzwijgend het kopje koffie leeg dat ik voor hem had gezet en vertrok.

 

Ik vond het nogal een intimiderend gesprek – dat was natuurlijk ook de opzet  – maar voor de zekerheid besloot ik toch maar wijkpredikant Sliggers van De Kandelaar te bellen. Feiten checken, hoor en wederhoor. De dominee verzekerde mij dat op de kerkenraad in het geheel niet over mijn vertrek was gesproken. En ook dat de zelfverzekerde broeder niet was benoemd. En dat hij tevreden me was en dat hij hoopte dat ik nog lang zou blijven spelen. Kijk, dat is nog eens pastoraat.

 

Terug naar de Martuskerk, gisteravond. Heerlijk gespeeld, de hele dienst. Tijdens het inleidend orgelspel ontdekte ik dat de Fluit 2’ van het Nevenwerk een mooi snaterend timbre toevoegt aan de Kromhoorn. We zongen mooie liederen, naast Psalm 110 bijvoorbeeld Psalm 2. Die laatste regel van vers 4 (‘Maar zalig zijn wie schuilen aan zijn hart’) die zo mooi uit de lucht komt vallen. Daarom houd ik van de Psalmen: ze zijn zo onverwacht. Die laatste regel heb ik niet begeleid. De gemeente zong die woorden dus a capella. Tijdens die zin heb bijna alle registers dichtgedaan (want ze stonden bijna allemaal open) en heb ik een fluisterzacht naspel gemaakt over de woorden: zalig zijn die schuilen aan zijn hart.

 

Na de dienst kon ik me alweer verbazen. In de hal van de kerk kreeg ik namelijk de vraag of ik Bach had gespeeld bij het voorspel van ‘Wij knielen voor uw zetel neer’. Maar het desbetreffende voorspel had ik zelf gemaakt, heel lang geleden voor een zangavond in de vrijgemaakte kerk van Rotterdam-Delfshaven. Ja, inderdaad het lijkt op Bach, zij het in de verte. Ik denk dat ze Ertöt uns durch dein Güte bedoelde, het slotkoraal uit cantate 22 (Jesus nahm zu sich die Zwölfe, wil je een mooie uitvoering horen en zien: kijk en luister hier op YouTube). En ik kreeg nog een compliment: dat de toccata-achtige begeleiding bij het laatste vers van ‘Wij knielen voor uw zetel neer’ zo mooi was geweest.

 

Het zit eenvoudigweg zo: René Barkema was voorganger en ik word altijd zo door hem geïnspireerd dat ik wel mooi móet spelen.

 

Ik besloot na afloop van de dienst niet op zoek te gaan naar de bron van het gerucht dat ik zou stoppen. Stel je voor dat ik slapende honden wakker maak. Ik blijf gewoon spelen in de Martuskerk. Oké?

 

 


 

Peter Sneep (1962) is organist van drie vrijgemaakt-gereformeerde kerken in Amersfoort: de Kandelaar, de Schaapskooi en de Martuskerk. Hij componeert kerkmuziek en maakte daarvan een aantal cd’s. Orgelles kreeg hij van Hetty Koelewijn en Gerrit ’t Hart. In De Kandelaar is hij lid van de cantorij, die onder leiding van Harry van Wijk eens in de zoveel tijd aan de diensten meewerkt. Hij is radiopresentator bij de Reformatorische Omroep. Van 1986 tot 2014 werkte hij bij het Nederlands Dagblad. Hij is getrouwd met Petra en vader van Anna (2) en Manuel (1).

3 Reacties op COLUMN RE: gister [ 27 ]

  1. Zullen we het woord grondgebied in het kader van kerken eens afschaffen? Het klinkt mij te veel politiek/militair. Laten we het bij muziek houden, dan zijn grond-gebieders en de roddelpers sprakeloos, en blijft de Martuskerk met jou muzikaal tot in lengte van dagen. Ine van den Akker

  2. Een leuk verhaal maar we zijn nu wel nieuwsgierig wat is er met de zelfverzekerde broeder is gebeurd die probeerde de boel te flessen. Is die van een hoog gebouw afgegooid voor zijn leugens en wandaden? Of is hij slechts als lid geroyeerd?

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.

X