21 augustus 2019

CONTRAPUNT (2)

Dichtgewreven door goede voornemens droogde begin dit jaar de stroom prikkelende columns van Kernsteek op. Alsof het zo heeft moeten zijn diende zich via de ‘vage server in Verweggistan’ direct een nieuw columnist aan: Contrapunt. Contrapunt plaatst zo zijn noten bij verschijnselen uit de orgelwereld. Soms harmonieus, soms prikkelend dissonant, maar altijd met een zelfstandige melodische lijn.

Transcripties – Recent beluisterde ik weer eens die geweldige cd waarop Stephen Tharp de Sonate voor piano van Franz Liszt speelt. In een bewerking voor orgel welteverstaan. Wat een verademing na weer de Ad nos… of de zoveelste B.A.C.H.! Tharp laat de intense dramatiek van de Sonate buitengewoon goed uitkomen op het Skinner-orgel van The Parish Church of Saint Luke in Evanston (Illinois). Dat is pas kleuren! Enigszins meewarig dacht ik terug aan een leraar van mijn middelbare school. De man had een harmonium in zijn klaslokaal staan, waardoor hij bij mij in eerste instantie een streepje voor had. Ik beschouwde een harmonium namelijk als een soort orgel. Toen echter zijn voeten, in kloek vetlederen schoeisel gestoken, aan het begin van de eerste les lucht begonnen te pompen, en een naargeestig geluid zich aan de geteisterde houten kast ontwrong, begon mijn aanvankelijke sympathie voor hem danig te tanen. Ik vermoed zelfs dat toen mijn aversie tegen het fenomeen harmonium en deszelfs klanken is ontstaan. Zelfs Dirk Luijmes en Joris Verdin hebben deze aversie tot op de dag van vandaag overigens niet weg kunnen nemen. Na de les vroeg ik de man wie volgens hem een goede organist zou zijn, een noodzakelijke vraag als gevolg van de onvermijdelijke impuls van de ware orgelfreak om hem correct te kunnen determineren. Het antwoord was: ‘Herman van Vliet’. Op mijn waarom-vraag was het antwoord dat deze ‘uitsluitend echte orgelmuziek speelt, en geen transcripties’. Hij voldeed dus klaarblijkelijk aan de eisen van de rechte belijders ener orgeldogmatiek, waarvan de betreffende docent zich een exponent betoonde. Een en ander maakte op mij een stoffige en vreugdeloze indruk. Onbetamelijk groot was mijn vermaak toen Van Vliet zich korte tijd daarna in de Lutherse Kerk in Den Haag op zeer ketterse wijze te buiten ging aan (notabene) de Bolero van Ravel…en deze ook opnam in de voormalige (dat dan weer wel) Buurkerk te Utrecht. Geen idee of hij sindsdien als afvallige uit de canon is geschrapt.

Gelukkig neemt het aantal organisten wat onbekommerd transcripties speelt de laatste toe, maar mijn solide geschoeide voormalige docent staat met zijn opvatting niet alleen. Door velen reeds is het spelen van transcripties afgedaan als inferieur. Er is immers ruim voldoende fraai en specifiek orgelrepertoire? Toegegeven, maar, geachte orgeldogmatici, laat mij u dit raden: gun uzelf ook het muzikale genot van de transcriptie. Het ontsluit de weg naar nieuwe muzikale ervaringen. De Trois Chorals van Franck zijn geweldig, maar als ik Heinrich Walther in de weer hoor met Sommeil de Psyché (ook van Franck) ben ik even alles vergeten. Bij Louis Robilliard met Fauré vergaat het mij hetzelfde. Denk ik aan Piet van Egmond met Veleta van Felix Godin in de Prinsessekerk in Amsterdam, dan krijg ik weer kippenvel. En als ik het Adagio uit de Zevende Symfonie van Bruckner (op ‘zijn’ orgel in de Sankt Florian door Robert Kovacs) luister voor ik naar bed ga, lig ik de halve nacht wakker. En dat gun ik u ook. Wat maakt het uit dat dit oorspronkelijk orkestwerken zijn? Voor mijn part waren ze geschreven voor zes klarinetten, een triangel en een autotoeter. Waar het om gaat is of de muzikale boodschap overkomt, of je met de muziek de luisteraar ontroert en begeestert. Bach transcribeerde toch ook? Niemand kan beweren dat hij daarmee de muziek van Vivaldi verknalde. En het heeft zijn oeuvre toch lekker opgevrolijkt, zeg nou zelf.

Voorwaarde voor een goede transcriptie is natuurlijk wel dat men als bewerker gewetensvol te werk gaat, en dat men over goede smaak beschikt. Want niet alle muziek gedijt op een orgel. Muziek van Mahler is daar een voorbeeld van. Wie van bijvoorbeeld de Vijfde Symfonie de orkestversie kent, en de uitvoering op orgel hoort, begrijpt wat ik bedoel. Het orgel betoont zich hier een te statisch vehikel, niet in staat de subtiele glissandi van de strijkers te benaderen. Mijn eerste kennismaking met Mahler was trouwens een memorabele. In de hoop misschien iets van het orgel te horen, betrad ik op een koude en grijze novembermiddag jaren geleden de Antwerpse Kathedraal. Er was een symfonieorkest aan het repeteren. De muziek greep mij zo dat ik op een bank ben neergezakt en ademloos heb zitten luisteren. Wat een vergezichten! Daarbij vergeleken bleef bijvoorbeeld Rheinberger wel erg in de provincie hangen. En zo’n nuance in klank en dynamiek had ik nog nooit gehoord! Ik had geen idee van wie deze muziek kon zijn (ik had vermoedens richting Wagner), en ben na afloop op een partituur gaan kijken. Het bleek het Adagietto uit de Vijfde Symfonie van Mahler te zijn, uitlopend in die geweldig vitale finale. In de wolken verliet ik de kathedraal, het orgel geen blik meer waardig keurend… Later kocht ik in een winkeltje voor antiek en ouwe troep een lp-box met een opname van deze symfonie door het Concertgebouworkest met Bernard Haitink. De zaal was toen nog niet Koninklijk, maar klonk al wel zo. Zeer opgetogen was ik toen halverwege de finale het orgel zich in deze uitvoering roerde met welgeteld één akkoord. Een ‘aha-erlebnis’ voor mij als onvervalste orgelliefhebber! Want bredere blik of niet, wel of geen transcripties, mijn voorliefde voor het orgel blijft, en is instinctief en onvoorwaardelijk. Tot deze sluitrede kwam ik, al mijmerend en luisterend naar weer zo’n heerlijk orgelwerk: de Variations serieuses van Mendelssohn… [CONTRAPUNT]

© 2013 www.orgelnieuws.nl

X