12 december 2018

Orgel Caroluskapel gerestaureerd: Een Waals orgel in Roermond

De Caroluskapel in Roermond behoort tot een kloostercomplex dat in oorsprong uit de veertiende eeuw dateert. In de zestiende eeuw liep het complex flinke schade op, eerst bij de stadsbrand van 1554 en vervolgens tijdens de verovering van Roermond door Willem van Oranje in 1572.

Het klooster en de kapel werden echter aan het eind van dezelfde eeuw hersteld. Bij de stadsbrand van 1665 liepen de gebouwen opnieuw grote schade op. Het huidige interieur van de kapel kwam tot stand na een ingrijpende restauratie in het midden van de achttiende eeuw. Zowel het tongewelf als de muren werden in 1759 voorzien van fraai stucwerk in rococostijl. Sinds het eind van de veertiende eeuw huisden er Kartuizer monniken in het kloostercomplex. In 1783 werd het klooster opgeheven en de Kartuizers werden gedwongen de stad te verlaten. Enkele jaren later vestigden de Norbertinessen van Houthem-Sint Gerlach zich in het leegstaande complex. Nadat in 1797 de kloosters werden ontruimd, stond het complex geruime tijd leeg. Van 1841 tot 1968 huisde het Groot-Seminarie in het complex. Thans huisvest het complex verschillende diensten van het bisdom Roermond. In 1986 werd de kerk grondig gerestaureerd. De aardbeving van 1992 bracht grote schade toe aan de kerk. De daaropvolgende restauratie werd in 1995 voltooid.

Bekijk dit artikel ook in pdf.

Bekijk in volledig scherm

 

Orgelgeschiedenis van de Caroluskapel

De orde der Kartuizers werd gesticht door de Keulse kannunik Bruno, die met enkele volgelingen ging leven volgens de regels van Benedictus. Omstreeks 1260 werden de gebruiken van de monniken vastgelegd en ontstond de regel der Kartuizers. Kenmerkend voor hun kloosterleven is een strenge zwijgzaamheid en de combinatie van kluizenaarsleven en gemeenschapsleven. Volgens de regels van de orde is het gebruik van een orgel niet toegestaan. Ervan uitgaande dat deze regels ook in Roermond werden nageleefd, zou dit betekenen dat er in het klooster tot 1787 geen orgel aanwezig was. Toen de Norbertinessen van Houthem-Sint Gerlach zich in 1787 in het complex vestigden, namen zij hun eigen orgel mee. Dit orgel was in 1784 gebouwd door de Maastrichtse orgelmakers Joseph Binvignat en Lambert Houdtappel. In 1797 werden de kloosterzusters gedwongen het pand te verlaten en bleef het orgel in de kapel achter. Uiteindelijk keerde het orgel in 1809 terug naar de inmiddels tot parochiekerk getransformeerde stiftskerk van Houthem-Sint Gerlach, waar het nog altijd – zij het in gewijzigde vorm – aanwezig is.

Nadat het complex in gebruik was genomen als Groot-Seminarie was een grootscheepse renovatie en herinrichting noodzakelijk. Van een orgel was aanvankelijk geen sprake. Op grond van een inscriptie op de onderzijde van een kern van een frontpijp kan echter worden aangenomen dat in 1853 een orgel voltooid werd door Frans Louvigny, een in Roermond gevestigde orgelmaker. Enkele jaren daarvoor had hij het Le Picardorgel (1752) van de kathedraal van Roermond gewijzigd. Het heeft er alle schijn van dat Louvigny bij de bouw en vormgeving van de kas aansluiting heeft gezocht bij het kathedraalorgel. Vanuit de kerk beschouwd lijkt de kas een werkstuk van een orgelmaker uit de Luikse school van Le Picard te zijn. Bij nadere beschouwing wijken de gebruikte materialen en de uitvoering af van wat in die school gebruikelijk is. Dat het orgel lange tijd is toegeschreven aan Le Picard is derhalve niet zo verwonderlijk.

Het orgel van Louvigny had twee manualen (in de dispositieverzameling van Broekhuyzen aangeduid als manuaal en positief) en een aangehangen pedaal. De dispositie doet nog heel klassiek aan en lijkt gebaseerd te zijn op het Le Picardorgel in de kathedraal. In 1872 werd aan de orgelmakers Gebr. Müller uit Reifferscheidt een fors bedrag betaald voor het hernieuwden orgel. De precieze aard van de werkzaamheden is niet te achterhalen, maar het is aannemelijk dat de dispositie bij deze gelegenheid grondig gewijzigd werd. In 1878 werd door Müller een vrij pedaal toegevoegd. De Gebroeders Vermeulen uit Weert wijzigden in 1888 de dispositie en repareerden de mechaniek. In 1900 voerde M.T. Nöhren werkzaamheden uit, waarvan onduidelijk is wat deze precies inhielden. Nöhren was aanvankelijk werkzaam bij de firma Franssen (Roermond), doch vestigde zich rond 1900 als zelfstandig orgelmaker in Nijmegen. Mogelijk plaatste hij het pijpwerk van het rugpositief in de hoofdwerkkas.

De firma Pereboom uit Maastricht voltooide in 1927 een grootscheepse verbouwing. Pereboom leverde nieuwe pneumatische windladen, een nieuwe vrijstaande speeltafel, een windmotor en enkele nieuwe registers. Achter de hoofdwerkkas werd een zogenaamde crescendokas geplaatst.

In 1953 werd het orgel gereviseerd, uitgebreid en omgebouwd door de firma L. Verschueren uit Heythuysen. Het zwelwerk verhuisde naar de onderkas, waarbij de panelen aan voorzijde werden vervangen door jaloezieën. Het rugwerk dankzij het aanbrengen van een lade en pijpwerk weer een functie. Het pedaal werd achter de hoofdkas geplaatst. Een nieuwe vrijstaande speeltafel kreeg een plaats aan de zijkant van het oksaal. De traktuur werd – om financiële redenen – elektro-pneumatisch. Het bestaande pijpwerk werd geheel hergebruikt.

In 1984 bracht Verschueren Orgelbouw uit Heythuysen een offerte uit voor het schoonmaken van het orgel en het vervangen van de membranen wegens de slechte staat van het orgel. Tot een opdracht kwam het echter niet. Twee jaar later stelde de toenmalige adviseur, Hans van der Harst, een plan op dat voorzag in het plaatsen van het uit de St.-Nikolauskerk in Eupen (België) afkomstige orgel, een werkstuk van de Guillaum Robustelly uit 1760/63, in de aanwezige kas in de Caroluskapel. Het bepaald niet ongeschonden binnenwerk van dit orgel was in 1969 in bezit gekomen van de firma Verschueren, die het Eupense orgel in hetzelfde jaar had vernieuwd. Aangevuld met bruikbaar materiaal uit het orgel van de Caroluskapel lag een reconstructie voor de hand.

Het orgel van de St.-Nikolauskerk in Eupen

De orgelbouw in de omgeving van Luik kende rond 1750 een grote bloei. Het was Jean-Baptiste Le Picard, afkomstig uit Noord-Frankrijk, die een interessante synthese tot stand bracht tussen de klassieke Franse, Waalse en Rijnlandse orgelbouw. Hij bouwde rond 1750 een viertal grote orgels, waarvan thans alleen het orgel van de OLV-Basiliek in Tongeren getuigt (kas bewaard, binnenwerk in 2002 gereconstrueerd door Manfacture d’Orgues Thomas te Ster-Franchorchamps). Zijn leerling en meesterknecht Guillaume Robustelly zette deze lijn voort, zoals in het grootse orgel voor de abdij van Averbode (1772, thans in gewijzigde vorm in de St. Lambertuskerk in Helmond). De familie Robustelly was oorspronkelijk afkomstig uit Italië, maar vestigde zich aan het einde van de zeventiende eeuw in Zwitserland. De vader van Guillaume trouwde vermoedelijk in Herzogenrath (nabij Aachen) en het is waarschijnlijk dat Guillaume (die aanvankelijk Wilhelm werd genoemd) daar geboren is. Vermoedelijk was Guillaume evenals zijn vader meubelmaker. Op een onbekend moment trad hij in dienst bij Jean-Baptiste Le Picard. Van zijn relatief vele nieuwe orgels getuigen in Nederland de orgels in Helmond, Minnertsga (oorspronkelijk in Vreren bij Tongeren, in 2001 door Flentrop Orgelbouw gerestaueerd) en Eckelrade (oorspronkelijk in het klooster Hoog-Cruts, in 2004 door Verschueren Orgelbouw gereconstrueerd).

In 1760 tekende Robustelly een contract voor een nieuw orgel in de St.-Nikolauskerk te Eupen. Voorzien was een orgel met Grand Orgue, Positif, Echo (half klavier) en aangehangen pedaal (17 tonen). De windvoorziening zou uit drie balgen met vijf vouwen bestaan. Begin januari 1764 werd het orgel gekeurd door de uit Aachen afkomstige organist Jantrain. Opmerkelijk is dat het alle werken van het orgel in één kas werden geplaatst, zoals ook het geval is bij het Le Picardorgel in Gronsveld (1711). Tijdens de bouw is op enkele punten van het bestek afgeweken. De lade van het Echo had van meet af aan een omvang van c-d3 in plaats van c1-d3. De Cijmbale telde uiteindelijk twee koren meer dan gepland, de Cromhorn van het Positif was gedeeld en op het Grand Orgue werd een extra (klein) register toegevoegd. De klaviatuur bevond zich aan de voorzijde.

Rond 1785 voerde de uit Kornelimünster afkomstige orgelmaker Gilman werkzaamheden uit waarbij sprake is van levering van nieuwe pijpen. In 1791 plaatste hij een Groszer Bourdon. In 1817/18 is het orgel ingrijpend verbouwd, maar de aard van de werkzaamheden en de uitvoerder zijn niet bekend. In 1828 voerde de orgelmaker Schauten uit Jüchen werkzaamheden van onbekende aard uit. Waarschijnlijk is in 1818 of in 1828 de klaviatuur verplaatst naar de rechter zijkant en zijn het front en de onderkas verbreed. Ook werd de dispositie aangepast. In 1863 voerden de Gebroeders Müller uit Reifferscheidt een aantal noodzakelijke werkzaamheden uit en werd de dispositie wederom gewijzigd. In 1878 plaatste Müller een nieuwe windvoorziening en drie jaar later werd de Clairon 4’ van het Grand Orgue omgebouwd tot een Posaune 16’.

De orgelbouwer Anneessens uit Kortrijk (België) voerde in 1925 een zeer ingrijpende verbouwing uit. Het orgel kreeg nieuwe frontpijpen en werd naar achteren verplaatst, zodat de windvoorziening in de toren geplaatst moest worden. Er werd een nieuwe vrijstaande speeltafel geplaatst met mechanische registertraktuur en pneumatische toetstraktuur. De dispositie werd drastisch gewijzigd.

Aangezien het orgel steeds minder betrouwbaar functioneerde werden in 1966 plannen gemaakt voor een nieuwe restauratie. Uiteindelijk kreeg de firma L. Verschueren uit Heyhuysen de opdracht om een nieuw binnenwerk te plaatsen volgens een plan van organist P. Raderschall uit Aachen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden was ook het filiaal in Tongeren betrokken. Het nieuwe binnenwerk kreeg sleepladen met elektrische registertraktuur. Er werd een rugpositief toegevoegd, waarvan de achttiende eeuwse kas afkomstig is uit de voorraad van de Tongerense firma. Het oude binnenwerk werd door de orgelmakers ingenomen en opgeslagen.

Van Eupen naar Roermond

Uit het plan van Hans van der Harst om het binnenwerk uit Eupen in de orgelkas van de Caroluskapel te plaatsen blijkt dat men veronderstelde dat de kas uit het midden van de achttiende eeuw dateerde. Het binnenwerk uit Eupen zou daar goed bij aansluiten en zou wonderwel passen in de prachtig gerestaureerde kerk met het fraaie stucwerk uit 1759. In 1993 kocht het bisdom Roermond het Robustellymateriaal van Verschueren Orgelbouw met het oog op plaatsing in de Caroluskapel volgens het plan van Hans van der Harst. Om voldoende financiële middelen te verzamelen was steun van het rijk onontbeerlijk. In 1995 werd het Robustelly-materiaal opgenomen in de redengevende omschrijving van historische monumenten en in 1996 stelde de Rijksdienst voor de Monumentenzorg de subsidiabele kosten vast op basis van het plan van Van der Harst en een offerte van Verschueren Orgelbouw. In 1996 nam Marcel Verheggen de werkzaamheden van Hans van der Harst over, omdat laatstgenoemde met pensioen ging. In 2001 werd Rogér van Dijk als co-adviseur aan het project toegevoegd. In 2002 kon het contract tussen het Groot-Seminarie Roermond en Verschueren Orgelbouw getekend worden. In september 2004 werd het orgel in de Caroluskapel gedemonteerd. Op 25 november 2005 kon het instrument worden opgeleverd.

Een overzicht van de uitgevoerde werkzaamheden en van de bouwwijze:

• De beide zachthouten kassen uit 1853 zijn geheel gerestaureerd. De constructie van de hoofdkas is stabieler gemaakt. De regels onder de torens en de velden zijn uitneembaar gemaakt om de ventielkasten te kunnen bereiken. Alle deuren aan de zij- en achterkant zijn nieuw gemaakt. De voorzijde is bij het klavier nieuw vormgegeven en het dak is deels vernieuwd. De in 1953 verdiepte rugwerkkas is in zijn oorspronkelijke proporties teruggebracht. De kassen zijn opnieuw geschilderd in een wit-grijze kleur, aansluitend bij de aangetroffen oude kleur. Achter de hoofdkas, boven de balgstoel, is een nieuwe pedaalkas geplaatst, die aan de voorzijde open is.

• De klaviatuur en alle mechanieken zijn nieuw vervaardigd. De klaviatuur is uitgevoerd in een algemene achttiende eeuwse vormgeving. De klavieren zijn van eikenhout. De boventoetsen zijn van ebben en met been belegd, de ondertoetsen zijn met ebben belegd. De bakstukken zijn met ebben belegd en voorzien van ingelegde strookjes been. De registerknoppen zijn uitgevoerd in ebben en bevinden zich tamelijk ver van de klavieren. De registertrekkers zijn van eiken; de walsen en armen van ijzer. De namen van de registers zijn met zwarte letters in inkt geschreven op perkament. De voethoogten worden niet weergegeven. De abstracten zijn van grenen, de draden van messing. Nokken, armen en wellen zijn in eiken uitgevoerd. De wellenramen van het Grand Orgue, Positif en Pédale zijn van eikenhout. Het chromatisch opgestelde Echo heeft geen wellenbord maar balanciers. Het pedaalklavier en de bank zijn van eiken.

• De windvoorziening is nieuw vervaardigd. Om kostenbesparende redenen is afgezien van het reconstrueren van drie meervoudige balgen. Gekozen is voor een windvoorziening naar bestaande voorbeelden, gebaseerd zijn op achttiende eeuwse principes. Ze bestaat uit drie boven elkaar geplaatste grenen spaanbalgen met vouwen van eiken. De balgen zijn opgesteld in een grenen balgstoel achter het orgel. De motor, die helaas iets te nadrukkelijk hoorbaar is, staat in een grenen kist naast de balgenstoel. De balgen kunnen echter ook met de voet bediend worden. De windkanalen zijn van eikenhout. De winddruk bedraagt 66 mm WK.

• De eiken windladen van de manualen stammen van Robustelly. De eiken windlade van het Pédale is nieuw vervaardigd. Net als in Eupen het geval was, bevinden de laden van Grand Orgue en Positif zich op hetzelfde niveau in de hoofdkas. De C-lade van het Grand Orgue ligt vanuit de kerk gezien links en de Cis-lade rechts in de kas, de grootste pijpen aan de buitenkant. De laden van het Positif liggen in het midden, de C-lade links en de Cis-lade rechts, de grootste pijpen in het midden (piramidaal). De rugwerkkas is leeg. Het Echo bevindt zich onder het Positif. Het Pédale is opgesteld in een nieuwe grenen kas achter de hoofdwerkkas, gescheiden door een stemgang. De oude laden zijn ontdaan van latere toevoegingen en ontbrekende delen zijn bijgemaakt. De eiken roosters waren behoorlijk aangetast en moesten grotendeels worden vervangen. De slepen zijn voornamelijk va Robustelly, al moesten enkele wegens beschadigingen worden vervangen. De sleepbanen en de stokken zijn met ringen van Liegelindt beplakt vanwege de wisselende klimatologische omstandigheden. Opmerkelijk is dat er vooral in het Grand Orgue weinig verloop zit in de cancelbreedte. Van de ventielkasten van het Grand Orgue en het Positif zijn de pulpeetplanken en de voorslagen nieuw gemaakt in eiken. De zachthouten ventielen stammen uit de negentiende eeuw. De eiken ventiele van het Echo zijn nog van Robustelly. De binnenzijde van de ventielkasten is met perkament beplakt, evenals de onderzijde van de laden.

• Het historische pijpwerkbestand is grotendeels afkomstig uit het Robustelly-orgel van de St.-Nikolauskerk in Eupen, aangevuld met afkomend pijpwerk van het voormalige orgel van de Caroluskapel. Het pijpwerk is zorgvuldig gerestaureerd en de in de loop der jaren afgesneden pijpen zijn teruggebracht naar hun oorspronkelijke lengte. Ontbrekend pijpwerk is bijgemaakt door Verschueren Orgelbouw en tevens zijn enkele bijpassende pijpen uit hun voorraad gebruikt. Het nieuwe pijpwerk is in de factuur van Robustelly vervaardigd. Registers van bewaard gebleven Robustelly-orgels hebben als voorbeeld gediend, terwijl het Eupense pijpwerk en sporen op de stokken en in de roosters aanknopingspunten bood voor het bij te maken pijpwerk. Een uitzondering vormen de beide pedaaltongwerken. Deze zijn vervaardigd in een door Verschueren vaker gebruikte stijl, waarin Rijnlandse en Waalse elementen elkaar beïnvloeden. Hierdoor sluiten deze tongwerken beter aan bij de negentiende eeuwse labialen van het Pédale. Uiteraard bood het oorspronkelijke contract van Robustelly met de Eupense kerk veel waardevolle informatie. Men moet echter vaststellen dat dit contract niet geheel volgende de letter is uitgevoerd. Op het Grand Orgue bleek de Cijmbale niet 2 maar 4 sterk te zijn en er bleek een klein register extra op de lade gestaan te hebben. Men koos ervoor een Quarte de Nazar 2’ te plaatsen. Op het Positif was ruimte voor een vulstem van twee koren. Men koos voor een Sesquialtera, daar men het onwaarschijnlijk achtte dat er een Cimbel op deze plek gestaan zou hebben. Op het Echo bleek de in het contract vermelde dispositie (met een Prestant 4’) nauwelijks te realiseren. Vermoedelijk is al tijdens de bouw van het orgel afgeweken van de geplande dispositie. De gekozen invulling sluit aan bij voorbeelden uit de Waalse barok. Van de prestanten zijn de 8’- en 4’-ligging vrij wijd van mensuur; de hogere prestanten zijn enger. De fluiten 8’ zijn wijder van mensuur dan de overige liggingen. Het pijpwerk is over het algemeen sterk loodhoudend (frontpijpen ca. 97% lood, binnenpijpwerk ca. 90% lood en gehamerd). De nieuwe Voix Humaine heeft een lager loodgehalte (77%). Na onderzoek bleek een toonhoogte van 392 Hz voor a1 bij 18 graden Celsius het best te passen bij het oude pijpwerk. De gekozen stemming is volgens d’Alembert-Rousseau (1752). Deze stemming, waarbij de tertsen in toonsoorten met weinig voortekens bevoordeeld zijn, werd eerder toegepast in het gereconstrueerde Le Picardorgel van de OLV-Basiliek in Tongeren.

Bekijk dit artikel ook in pdf.

Bekijk in volledig scherm

 


Dispositie

Dateringen zijn globaal genomen

Positif CD-d3
Bourdon 8 – 1763/2005
Prestant 4 – 1763/2005, geheel op de lade
Flute 4 – 1763, C-h2 gedekt
Nazar 2 2/3 – 1763/2005, C-f gedekt
Doublette 2 – grotendeels 2005
Tierce 1 3/5 – 2005, C-d gedekt
Sesquialtera 2 sterk – 2005
Fourniture 4 sterk – 2005
Cornet 4 sterk – 1763, vanaf cis1, op banken
Cromhorn 8 B/H – 2005, deling tussen c1 en cis1

Grand Orgue CD-d3
Montre 8 – 1763/1853/2005, Dis-cis1 front
Bourdon 8 – 1763/1853/2005
Prestant 4 – 1763/1853, D-Gis front
Flute 4 – 1763, gedekt
Nazar 2 2/3 – 1763, C-f gedekt
Doublette 2 – 1763/2005
Quarte de Nazar – grotendeels 2005, C-d gedekt
Tierce 1 3/5 – grotendeels 1763, C-d gedekt
Larigot 1 1/3 – grotendeels 2005, geheel open
Sesquialtera 2 sterk – 2005
Fourniture 4 sterk – 2005
Cijmbale 4 sterk – 2005
Cornet 5 sterk – 1763/2005, vanaf cis1, op banken
Trompette 8 B/H – 2005, deling tussen h en c1
Voix Humaine 8 B/H – 2005, deling tussen h en c1
Clairon 4 – 2005, vanaf c2 8’ lengte

Echo c-d3
Bourdon 8 – 1763/2005, gedekt
Flute 4 – 1763, gedekt
Nazar 2 2/3 – 2005, c-e gedekt
Doublette 2 – 2005
Tierce 1 3/5 – 2005, c-d gedekt
Cromhorn 8 – 2005

Pedaal C-d1
Soubasse 16 – vermoedelijk 1853
Flute 8 – 187..
Prestant 4 – XIX uit voorraad Verschueren
Trompette 8 – 2005
Clairon 4 – 2005

Werktuiglijke registers
Schuifkoppeling Grand Orgue – Positif
Tirasse Grand Orgue – pedaalkoppel
Tremblant

Toonhoogte: a1 = 392 tr/s bij 18 graden Celsius
Stemming: d’Alembert-Rousseau

 

Naar aanleiding van de ingebruikneming verscheen het boek Het orgel in de Caroluskapel, geschreven door Marcel Verheggen en Rogér van Dijk en uitgegeven door het Bisdom Roermond. Het boek is te bestellen via persdienst@bisdom-roermond.nl. Bovenstaand artikel is gebaseerd op dit boek, alsmede op waarnemingen ter plaatse en aanvullende mededelingen van Marcel Verheggen.

 

 

© 2006 fotografie www.gerardvanbetlehem.nl

X