20 september 2019

Euwe & Sybolt de Jong

De broers Euwe en Sybolt de Jong presenteerden op 13 september in de Kampense Bovenkerk hun derde cd met vierhandige bewerkingen van delen uit Bach-cantates. Tijd voor tien vragen aan het duo.

Wie

Euwe de Jong (1956). Directeur van de Schumann Akademie, de landelijke hogeschool voor muziekvakonderwijs. Organist in Assen en begeleider van het Kampen Boys Choir.

Sybolt de Jong (1961). Docent orgel en klavecimbel aan het ICO, centrum voor kunst en cultuur in Assen. Organist in Tolbert en regelmatig begeleider van koren en solisten.

Beiden studeerden orgel bij Wim van Beek aan het Conservatorium in Groningen.

Wat

Euwe en Sybolt vormen sinds begin jaren tachtig een duo. Na een cd-opname met vierhandig orgelspel in Farmsum traden de broers nog slechts sporadisch samen op. Enkele jaren geleden kreeg de samenwerking een impuls toen ze voor hun plezier arrangementen van delen uit cantates van Johann Sebastian Bach op de lessenaar zetten. Voor de aardigheid besloten ze in Bolsward een cd met deze werken te maken. De vele enthousiaste reacties stimuleerden hen een vervolg aan deze opname te geven. Deel twee werd opgenomen op het Müller-orgel in de Grote Kerk van Leeuwarden. Zaterdag 13 september presenteren Euwe en Sybolt hun derde schijf in Kampen. Uiteindelijk zal de serie zes cd’s met arrangementen uit cantates van Bach beslaan. Het is volgens de broers voor het eerst dat delen uit Bachs cantates voor vierhandig orgel zijn bewerkt en op cd vastgelegd.

1. Twee broers in de muziek. Zijn uw ouders muzikaal of heeft de ene broer de ander gestimuleerd?

Euwe: ”We denken dat muzikaliteit wel latent aanwezig is in onze familie, maar niet de kans kreeg om tot ontwikkeling te komen. Ze hebben wel liefde voor de muziek en komen bijvoorbeeld graag naar onze concerten.”

Sybolt: ” Mijn vader is emerituspredikant en speelde een beetje harmonium. Vroeger was er soms tijdens een kerkdienst geen organist. Dan moest hij er aan geloven. Hij liet op zo’n moment alleen de psalmen zingen die hij zelf kon spelen. Niet meer dan een stuk of acht, herinner ik me. Hij stimuleerde ons enorm om een instrument te gaan bespelen. Écht motiverend.”

Euwe: ”Ik kan me niet herinneren dat ik Sybolt vroeger stimuleerde om ook orgel te gaan spelen. Hoewel, we kregen beiden les van Piet Wiersma. Als mijn vader op ziekenbezoek in het academisch ziekenhuis in Groningen ging, bracht hij mij bij Piet. Daar zat ik dan een uur te spelen. Piet enthousiasmeerde enorm. Dat heeft jou wel gestimuleerd.”

2. Samen op de orgelbank, wat maakt samen spelen zo aardig?

Sybolt: ” Samen muziek maken inspireert zeer.”

Euwe: ”We bezitten eenzelfde gevoel voor humor en maken veel lol.

Met z’n tweeën kun je ander repertoire spelen, nieuwe werelden ontdekken. Die Bach-cantates zijn formidabel.”

Sybolt: ”In feite brengen we altijd originele muziek. Arrangementen van Bach, maar ook van renaissancewerken of eigen stukken voor orgel vierhandig.

Het vraagt veel studie, onder meer om gelijk te spelen.”

Euwe: ”Het moeilijkste is om kleine vertragingen exact te houden, niet in het tempo van de vertraging te blijven hangen en samen het oude tempo weer op te pakken.”

Sybolt: ”Ook slotakkoorden zijn lastig. Het gevaar bestaat dat een speler een akkoord iets te lang of te kort aanhoudt. ”

3. Heeft elk een vaste plek op de orgelbank?

Sybolt: ”Nee, dat wisselt. We kunnen elk beide partijen prima de baas. Met muzikale (on)mogelijkheden heeft de plek dus niets te maken. Er spelen wel andere factoren een rol. Euwe is bijvoorbeeld wat langer en kan makkelijker hoger in het pedaal komen. Bij hoge pedaalpassages zit ik rechts.”

Euwe: ”De keuze van werkplek heeft ook te maken met de continuoachtergrond van Sybolt, hij is zowel organist als klavecinist. Wanneer het echte continuopartijen betreft, zit hij links.

Het is overigens nooit een strijdpunt wie waar zit. We nemen de partijen door en bepalen wat de beste plek voor iemand is.”

Sybolt: ”Als eenmaal vast staat wie waar zit, studeren we elk thuis ook op die plek. Links of rechts met de armen en benen wat schuin om te voelen hoe het straks samen is.”

4. Zit u wel eens in elkaars vaarwater?

Euwe: ”Jawel. Letterlijk, maar niet figuurlijk. Je zit altijd wat scheef te spelen. En de bank staat een beetje scheef, omdat ik iets langer ben dan Sybolt.”

Sybolt: ”Maar de bank staat aan de ene kant nog niet hoger dan de andere…”

Euwe: ”We maken afspraken om aanvaringen te voorkomen en zetten die in de partituur: ”vingers wegtrekken” of ”hand naar links”. Als je zoiets vergeet, gaat het mis, mede omdat we soms lijnen van elkaar overnemen.”

Sybolt: ”De arrangementen zijn oorspronkelijk bedoeld voor drie- of vierklaviersorgels, maar we willen ze ook tijdens concerten op tweeklaviersorgels kunnen spelen. Ik maak zonodig verschillende versies van een stuk: voor een twee-, drie- of vierklaviers orgel. Dat maakt het spelen wel risicovol.”

Grote ongelukken zijn er nog niet gebeurd. Soms voel ik tijdens een concert opeens een hand, die er normaalgesproken niet hoort. Door de schrikreactie kan een foutje ontstaan.”

Euwe: ”Hét gevaar van vierhandig orgelspel is ontsporing. Als je de lijn in deze complexe muziek kwijtraakt of het verkeerde klavier pakt, blijkt het razend moeilijk om de draad weer op te pakken.”

Sybolt: ”Op een van de volgende cd’s komt een triosonate met een cantus te staan. Een vijfstemmig werk. Daarbij spelen we afwisselend de lage of hoge pedaalpartij. Zoiets is buitengewoon lastig, omdat je opeens een lijn moet onderbreken.

We registreren tot nu toe zelf, maar dat gaat veranderen. Een groot orgel zoals in de Bovenkerk van Kampen is zo onoverzichtelijk met die grote hoeveelheid registerknoppen. Denk je een mooi melodietje met de Dulciaan van het borstwerk te spelen hoor je ineens een 1-voet…”

5. Wie heeft het eindoordeel wat de interpretatie van de werken betreft?

Euwe: ”Geen van beiden. We voelen ons gelijkwaardig en vangen elkaar geen vliegen af. We leggen de tempi vast en noteren een metronoomcijfer in de partituur zodat we beiden in hetzelfde tempo studeren. Dan gaat een tempo als het ware in je hartslag zitten.

Verder maken we nauwelijks afspraken. Qua articulatie reageren we op elkaar, in feite zoals jazzmusici dat doen. In Bach lopen allerlei mooie lijnen. Sybolt zet een lijn neer, ik neem die over en samen proberen we een eenheid te smeden. Daardoor ontstaat spontaan orgelspel.”

Sybolt: ”We hebben het vrijwel nooit over de interpretatie. Die ontstaat natuurlijk en past precies. We komen uit dezelfde orgelschool en denken hetzelfde over de uitvoering van Bach-werken.”

Euwe: ”Ik beluister regelmatig uitvoeringen van Bach-cantates. De interpretatie van Suzuki, Herreweghe en Koopman staan allemaal op mijn iPod. Met name de visie van Suzuki spreekt me aan. Waarin? Vergelijk het met het Bach-spel van Wim van Beek: verzorgd, helder, doordacht én spontaniteit van het moment. ”

Sybolt: ”Dat streven we na; natuurlijk musiceren. Of dit lukt, is natuurlijk vers twee.”

Euwe: ”Je kunt muziek dood maken door het klem te zetten met afspraken.”

Sybolt: ”Al zetten we wel eens een boogje.”

Euwe: ”En zijn we het sporadisch met elkaar oneens. Tijdens de opname in Kampen zei jij opeens: wat doe je nu? Je was niet gecharmeerd van de articulatie in die passage. Dat stukje hebben we toen overgedaan.”

6. Bach arrangeren, is dat geen heiligschennis? Waar liggen de grenzen?

Sybolt: ”Ik had na de eerste cd reacties verwacht van mensen die vinden dat je met je handen van Bachs cantates af moet blijven. Ze zullen er ongetwijfeld zijn, maar hebben ons nog niet bereikt.”

Euwe: ”Ik kan mij zo’n overtuiging wel voorstellen. Aan Rembrandts Nachtwacht ga je toch ook niet prutsen? En, voor een werk als de Matthäus Passion heb ik zoveel respect dat ik daar af blijf. Gek is dat. Voor mijn gevoel moet zo’n monument in zijn oorspronkelijke concept blijven klinken.

Bach staat op eenzame hoogte. Tegelijkertijd moeten we nuchter zijn. Bach was een ambachtsman. Hij schreef de ene na de andere cantate. In de zeventiende en de achttiende eeuw leenden en bewerkten componisten regelmatig muziek van elkaar. Bach hergebruikte ook eigen stukken. Ik geloof niet dat wij de muziek dusdanig verminken dat er allerlei gedrochten ontstaan. De arrangementen klinken overtuigend als Bach.”

Sybolt: ”Zeker, zijn muziek blijft in stand. Wat ik doe, is uitdunnen, een vertaalslag maken. Een vocale lijn die verdubbeld wordt door een hobo vis ik er bijvoorbeeld als eerste uit. De originele stemvoering mag bij het arrangeren nooit verloren gaan. Harmonische progressies, tonale routes en polyfoon lijnenspel dienen intact te blijven. Al is een herschikking van stemmen bij de vertaling van vocale naar instrumentale muziek soms noodzakelijk.

In veel gevallen kan de oorspronkelijke notentekst echter zonder al te veel ‘arrangeerkunst’ voor het orgel worden overgezet.

Een goed arrangement moet verder lekker klinken en goed lopende lijnen bevatten. Het moet orgelmuziek zijn of worden. Een arrangement moet overtuigend klinken, anders hebben we het niet goed gedaan. Het mag niet zo zijn dat iemand niet van deze muziek kan genieten, omdat hij de oorspronkelijke cantatedelen niet kent.

Niet alle muziek is geschikt om te arrangeren. De recitatieven vallen af, omdat dergelijke verhalende gedeelten te tekstafhankelijk zijn. Openingskoren zijn veelal te complex. Maar op cd drie staan er wel een paar, zoals ”Straf mich nicht in deinem Zorn” uit cantate 115. Naast de vier lijnen op de klavieren spelen we de melodie in het pedaal met een Open Fluit 2 in combinatie met de Octaaf 2 van het hoofdwerk.”

Euwe: ”Sommige stukken zijn zo vocaal gedacht dat je daar af moet blijven.”

Sybolt: ”Mijn geluk is dat Bach vaak heel instrumentaal voor vocalisten schrijft.

Soms keuren we een arrangement af omdat het gewoon niet klinkt. Dit gebeurde zelfs tijdens de opname in Bolsward.”

7. Sybolt maakte tot nu toe de Bach-arrangementen. Dat blijft zo? Euwe arrangeert en componeert toch ook?

Euwe: ”Ja, dat blijft zo. Sybolt doet het prima. Ik krijg de arrangementen altijd te zien en hoef nauwelijks aanmerkingen te maken. Ik heb me het meest met het ”Gloria” uit de Hohe Messe bemoeid. Ik vond dat je teveel gereduceerd had in de tweeklaviers versie van dit arrangement.”

Euwe: ”Tijdens vakanties beluister ik veel Bach-cantates op mijn iPod en maak ik aantekeningen: wat is wel en niet geschikt om te bewerken? Die krabbels speel ik door naar Sybolt.

Een mooie bijkomstigheid van ons Bach-project is dat ik cantates beluister die ik nog niet ken. Ik ontdek fantastische dingen en draai sommige delen wel honderd keer.”

Sybolt: ”We krijgen wel eens verzoeken om een bepaald cantatedeel te arrangeren. Ik geef gehoor aan zo’n verzoek, maar als ik teveel concessies moet doen, haak ik af.”

8. Wat wilt u met de Bach-arrangementen toevoegen aan de bestaande Bach-opnames?

Sybolt: ”Wij hebben geen missie en vonden het gewoon leuk om ze samen te spelen. Het is iets wat we met passie doen. Niet om mensen van de waarde van de bewerkingen te overtuigen. De paar honderd exemplaren van de eerste cd waren voornamelijk bedoeld voor familie, vrienden en bekenden.”

Euwe: ”Er bleken echter veel meer mensen enthousiast, wat enorm stimuleerde om verder te gaan. Als we uit de kosten zijn, maken we de volgende cd. Uiteindelijk moet het een serie van zes cd’s worden.”

9. De recensies zijn overwegend lovend. Er vallen termen als gedrevenheid, speelplezier en perfectie. Waar blijven de negatieve geluiden?

Euwe: ”We hadden bij de eerste cd idee totaal geen idee hoe het zou vallen. Misschien klinkt dat wat naïef, maar het betrof tenslotte nieuw repertoire wat we brachten. Als de opname was afgeschoten, waren we gestopt.”

Sybolt: ”We krijgen wel kritiek. Over de te brede uitvoering van langzame delen bijvoorbeeld. En over het feit dat we soms in andere toonsoorten dan het origineel spelen.

Dat laatste komt omdat ik soms een suite samenstel of blijkt noodzakelijk vanwege de omvang van een orgel. Persoonlijk vind ik die opmerking weinig hout snijden. We leggen deze werken vast op historische orgels die gelijkzwevend gestemd zijn. Het Müller-orgel in Leeuwarden staat een halve toon hoger, Kampen ook iets. Een stuk in C klinkt in Leeuwarden in Cis. Je kunt daar dus niet eens in de oorspronkelijke toonsoort spelen.”

10. U nam de cd’s op in respectievelijk Bolsward, Leeuwarden, Kampen. Wat zijn uw selectiecriteria?

Sybolt: ”Het moet in ieder geval een historisch instrument zijn dat minimaal drie klavieren telt. Bolsward en Kampen bevatten voor een deel romantisch materiaal. Die registers zijn te dik voor Bach.”

Euwe: ”Een instrument moet doorzichtig klinken, de complexiteit aan lijnen moet goed te volgen zijn. We zullen ons ook voor de komende cd’s beperken tot Noord-Nederland. De serie zal uiteindelijk een overzicht bieden van de toporgels in die streek. Volgens mij heeft niemand dit eerder gedaan.”

Sybolt: ”Het is geweldig in oude kerken op dergelijke instrumenten te spelen. Al verkochten we geen enkele cd, dan is het nog fantastisch om te doen.” [GERT DE LOOZE]

Zie ook de recensie van de cd Bach Cantatas Vol. III

Vijfhandig Bach in de Bovenkerk

Klik hier om de cd te bestellen (nieuw venster)

Meer informatie

www.dejongdejong.nl

© 2008 www.orgelnieuws.nl

X