Genieten met oren en ogen! – Interview met Iveta Apkalna

Iveta Apkalna

Vrijdag 12 mei is de Laurenskerk in Rotterdam het podium voor de Letse organiste Iveta Apkalna. Orgelnieuws.nl had in februari een uitgebreid interview met deze rising star in orgelland. Openhartig sprak zij ondermeer over de kunst van het programmeren, haar voorliefde voor romantische orgels en de visuele aspecten van haar optreden.

Ze is jong, blond, aantrekkelijk, ze won prijzen op internationale wedstrijden, ze bouwt een indrukwekkende concertcarrière op en haar laatste cd is bekroond met de prestigieuze Duitse Echo Klassik Award: Iveta Apkalna is ongetwijfeld een van de meest opvallende verschijningen in de internationale orgelwereld. Ze doet er alles aan om het orgel bij het grote publiek onder de aandacht te brengen. Ze weet hoe ze het publiek kan bespelen. Op 12 mei geeft ze een concert in de Grote- of Sint Laurenskerk in Rotterdam. In februari was ze op uitnodiging van stichting Vox Humana, die het concert organiseert, in Deventer, samen met haar onafscheidelijke beer Florian. Orgelnieuws sprak met deze ambassadrice van de orgelcultuur.

‘Letland is een muziekland. Maris Janssons en Gidon Kremer zijn Letten. Ik ben er trots op dat ik daar geboren en getogen ben. Veel mensen denken dat we Russisch zijn en Russisch spreken, maar dat is niet juist. De meeste mensen spreken en lezen Russisch, maar onze taal is het Lets.

Ik ben geboren en opgegroeid in de provinciestad Rezekne. Toen ik vier jaar was begon ik piano te spelen. Mijn moeder was mijn eerste lerares. Ik ging orgel spelen toen ik bijna vijftien jaar was. In Rezekne werd toen een orgelklas gestart. Ik was de eerste leerling. Het orgel kwam niet uit de lucht vallen: mijn vader en grootvader waren organist. Mijn grootvader, die in 2000 is gestorven, en mijn vader speelden in de kerk, maar in het geheim. In de Sovjettijd mocht je niet openlijk voor je kerkelijke betrokkenheid uitkomen. Ik ben midden in de nacht, in het diepste geheim, gedoopt. Pas na de perestrojka kwam ik regelmatig in de kerk. Er was maar één orgel in onze stad en dat verkeerde toen in slechte staat. Toen ik dertien was speelde ik mijn eerste missen. Ik had echter nooit leren orgelspelen, ik deed alles op gevoel. Een paar jaar later was de paus op bezoek in Letland en ze kozen mij uit om te spelen in de mis waarin hij voorging. Ik kan me er niets meer van herinneren, behalve dat ik heel opgewonden was. Ik ben er altijd nog geweldig trots op dat juist ik mocht spelen.

In Rezekne had ik les op een digitaal orgel. Maar Bach, Reger en Messiaen speelde ik tijdens concoursen op ‘echte’ orgels. Dat was voor het eerst dat ik die werken op een orgel speelde. Ik was heel verbaasd dat het zo goed ging. Toen ik bijna achttien jaar was ging ik in Riga piano en orgel studeren. Na vier jaar haalde ik mijn diploma’s. De overgang van piano naar orgel vind ik nog altijd moeilijk, het vereist een andere techniek, een andere attitude ten opzichte van het instrument. In Riga had ik les op een tweeklaviers orgel met zeventien registers, dat had vrij weinig mogelijkheden. Er waren nog twee kleine studieorgels. Maar er waren te veel orgelstudenten… Tegenwoordig kan ik overal waar ik kom studeren op goede orgels en daar ben ik heel blij om.

Na Riga studeerde ik een jaar in Londen. Londen is voor mij dé muziekstad. Daar heb ik veel concerten bijgewoond en dat heeft me gevormd.

Daarna ging ik naar Stuttgart vanwege docent Ludger Lohmann. Stuttgart is zeker niet de mooiste stad van Duitsland, maar ik heb het er goed naar mijn zin gehad en kom er nog altijd graag. Ik ging bij Lohmann studeren omdat ik hem ontmoet had bij diverse concoursen. Hij nodigde me uit om in de solistenklas te studeren. Bij Lohmann ging het uitsluitend om interpretatie. Daar weet hij veel van, vooral van Bach, Reger en Franck. Toen ik daar begon zei hij me dat we het niet over techniek zouden hebben, dat was niet nodig op dit niveau. Ik heb in Stuttgart veel geleerd, positieve maar ook negatieve dingen. Ik heb er geleerd om mezelf te beschermen, om niet alles te laten zien. Hoe meer je laat zien, hoe kwetsbaarder je bent en hoe meer men je haat. Ik was heel open en eerlijk, dat kostte me veel energie. Nog steeds ben ik open en eerlijk, maar ik weet me te beheersen. Op psychologisch vlak heb ik er veel geleerd. Ja, aan mijn studietijd in Stuttgart bewaar ik goede herinneringen. Stuttgart is mijn tweede geboorteplaats, mijn orgelspel werd daar geboren.’

 

Je programma’s zijn altijd zeer interessant en goed opgebouwd. Hoe doe je dat?

Ik besteed veel tijd aan het samenstellen van programma’s, soms wel dagen. Ik denk er veel over na. Veel mensen denken dat het spelen zelf het belangrijkste is, maar voor mij staat de programma-samenstelling voorop en pas dan komt het spelen. Mijn cd Himmel & Hölle is zo bijzonder en geslaagd omdat het inhoud heeft, omdat er een idee achter zit, omdat het drama is. Zelfs over de foto (in tweeën diagonaal gedeeld in licht en donker, ofwel in Himmel & Hölle – EH) is nagedacht. Het idee is ontstaan toen Lukas Pollack (Apkalna’s Duitse manager – EH) en ik een goed glas wijn dronken. De foto is heel illustratief: ik zit erbij als een engel, maar wanneer je in m’n ogen kijkt zie je iets van een kleine duivel. Ik ben net een leeuw op die foto… Het leven bestaat uit witte en zwarte lijnen. Beide elementen horen bij het leven. Alleen Himmel of alleen Hölle zou saai zijn.

Een goed programma is als een salade. Je moet een programma eten, je moet ervan genieten. Ik neem altijd eerst een kladblaadje en een gelinieerd vel papier. Dan schrijf ik eerst op een kladje een aantal stukken en vervolgens zet ik die op de juiste plaats op het gelinieerde vel. Het is net een film: het heeft een begin nodig, een verhaal en een slot. Je moet voelen wanneer het programma ten einde loopt. Het is niet goed wanneer het publiek niet in de gaten heeft dat het concert afgelopen is. Ik leg alle stukken op tafel en ga dan puzzelen, net zoals vroeger met Lego. Bach leg ik altijd in het midden. Bach is het begin en einde van de muziek. Bach is echter ook de zon, waar alle planeten en sterren omheen draaien. Veel organisten zetten Bach aan het begin, omdat hij de belangrijkste componist is. Je ziet ook wel dat programma’s chronologisch opgebouwd zijn, dus de oudste componist eerst. Dat zou ik niet doen. Bach is voor mij letterlijk het middelpunt.

 

Ga je zelf wel eens naar een orgelconcert?

Vrijwel nooit. Ik wil niet beïnvloed worden door anderen. Een heel enkele keer ga ik naar de Dom in Riga, dat is mijn thuishaven. Ik luister wel veel naar muziek, ik laat mij graag inspireren door andere instrumenten. Daar leer ik veel van. Ik heb veel orgelcd’s, maar ik beluister ze vrijwel nooit. Mijn eigen cd’s beluister ik sowieso nooit, omdat ik er nooit tevreden over ben.

 

Heb je ooit een Bachconcert gespeeld?

Nee, en ik zal het ook niet doen. Ik zou ook nooit naar een concert gaan met alleen Bach, Mozart, Liszt of Reger. Ik houd veel van hun muziek. Maar alleen Bach of alleen Mozart of alleen Liszt of alleen Reger is teveel voor een programma. Wel zou ik ooit eens een Bach-cd willen opnemen. Bij een cd ligt het heel anders.

Lohmann speelt wel programma’s met enkel werken van één componist. Daar had hij wel succes mee bij de studenten: die zaten allemaal met de bladmuziek op schoot… Ik zou dat niet doen. Je kunt dan net zo goed een cd lenen in de bibliotheek. Ik speel niet voor vakgenoten. Ik wil mensen laten horen hoe goed orgelmuziek kan zijn. Ik kan me niet voorstellen dat je als concertganger plezier beleeft aan het bijwonen van concert waar uitsluitend Bach of Reger wordt gespeeld.

 

Improviseer je weleens?

De meeste organisten kunnen redelijk tot heel goed improviseren. Ik ben in alles een perfectionist: alles moet helemaal in orde zijn. In mijn muzikale innerlijk heb ik dat ook. Als kind improviseerde ik veel op de piano. Toen was mijn hoofd leeg. Nu is mijn hoofd vol met zoveel goede muziek! Ik ken organisten die briljant kunnen improviseren en ik weet dat ik dat nooit zal kunnen. Natuurlijk improviseer ik wel eens voor mezelf, maar dat is niet voor de buitenwereld bedoeld. Iedereen zou moeten doen waar hij of zij goed in is. Dus leg ik mij liever toe op datgene wat ik wel goed kan, op mijn boodschap: mensen dichterbij de muziek brengen, tot nieuwe ideeën inspireren, een nieuwe wereld creëren, kennis laten maken met nieuwe muziek, hoogtepunten van de orgelmuziek laten horen. Dat is mijn manier. Ik voel dat ik op deze manier bezig moet zijn. Misschien dat ik ooit een ander gevoel krijg…

 

Je speelt voornamelijk op grote orgels en je speelt voornamelijk ‘grote’ werken en nauwelijks ‘oude muziek’.

Ik heb ook wel op kleine orgels gespeeld, met vier registers en een pedaal van één octaaf. Maar daar ligt mijn kracht niet, hoewel ik het een uitdaging vind. Per orgel moet je anders spelen, moet je anders acteren. Dat is het boeiende aan orgelspelen!

Uiteraard heb ik Sweelinck gespeeld. In Halle heb ik op een klein oud orgel gespeeld. Dat maakte veel indruk, maar na veertig minuten was het genoeg. Het kost veel meer energie dan een programma op een groot orgel. Oude muziek is gewoon mijn smaak niet. Laat ik het zo zeggen: Het past momenteel niet bij mijn temperament, bij deze fase van mijn leven. Voor mij heeft oude muziek te weinig emotie.

 

Hoe leer je een nieuw orgel kennen?

Dat is net een blind date. Via internet heb je meestal een dispositie en soms ook een foto tot je beschikking. Dat is goed als oriëntatie. Maar eenmaal ter plekke komt het belangrijkste: ik ga dan ‘praten’ met het orgel. Dan is altijd de eerste vraag: wat is de zachtste registratie? Hoe luid een orgel kan klinken interesseert me niet. Vaak is het volle werk het meest lelijke van een orgel. Ik heb gisteren in Keulen, waar ik een concert gaf op het Klais-orgel in de Philharmonie, nooit het volle werk gebruikt. Het mooiste volle werk dat ik ken, is dat van het Walcker-orgel in de Dom in Riga.

Helaas heb ik nooit genoeg tijd om een orgel door en door te leren kennen. Bij grote orgels zou ik het liefst minstens twee, drie dagen willen gebruiken om ze voldoende te leren kennen om er een concert op te kunnen geven.

 

Heb je een favoriet orgel?

Mijn favoriet is het orgel in de Dom van Riga, gevolgd door het Sauer-orgel in de Dom van Bremen. Ik speelde in Bremen ooit de opening van een festival, rond middernacht. Ik dacht dat er nooit een einde aan zou komen. Het was een loodzwaar programma, het was lang en het was laat. Maar dankzij het fantastische orgel bleef ik maar spelen.

Vaak vraagt men naar mijn favoriete componist of naar mijn favoriete muziekstuk. Dat is altijd het werk waar ik nu mee bezig ben… Momenteel is dat Liszt. Dat vind ik fantastisch, dat is nu mijn grote liefde. Maar wanneer ik morgen Reger speel, vind ik dat weer het mooiste. Je moet steeds blijven flirten met de muziek!

 

Gezien je tot dusver verschenen cd’s en je manier van optreden tijdens concerten houd je ervan om jezelf te laten zien. Wat zit daarachter?

Fout! Alles wat ik doe – kleding, blootsvoets spelen, mijn teddybeer op de orgelbank zetten – is niet bedoeld om mezelf te laten zien, maar om mensen op hun gemak te stellen, om ze te interesseren voor het concert en om ze te helpen om de muziek te begrijpen. Toen ik Walpurgisnacht van Petr Eben (dat op haar cd Himmel & Hölle staat – EH) in Halle speelde had ik een rode jurk aan, een rode hoofddoek om en ik speelde blootsvoets. Het is gecomponeerd voor theater. Dan speel ik theater! Het is niet met de intentie van ‘kijk mij eens, ik wil persé anders zijn’. Ik laat de mensen de muziek zien, want dat helpt ze de muziek te begrijpen.

Mensen weten vaak niet wat ze van orgelmuziek moeten denken. Veel mensen komen niet graag meer in de kerk, ze hebben er misschien wel een zekere angst voor. Die angst wil ik wegnemen, ik wil de mensen op hun gemak stellen en ze laten genieten. Genieten met oren en ogen!

 

Hoe kijk je aan tegen het gebruik van beelden, zoals videoprojectie?

Daar ben ik heel positief over. Ik maak regelmatig gebruik van videoprojectie. Ik werk af en toe samen met een videoartiest uit

Stuttgart. Hij projecteert niet de organist, maar hij projecteert op drie schermen bewegende beelden bij de muziek. Beelden die ik me voorstel wanneer ik met de muziek bezig ben. Dat kan van alles zijn: gebouwen, water, bewegende mensen. Dat wordt dan via een computer gecombineerd en geprojecteerd. Ik geloof dat je op deze manier het publiek dichter bij het orgel kunt brengen. We doen dat ook in kerken en juist daar werkt het erg goed. Ik heb dat al een paar keer in de kloosterkerk van Himmerod gedaan. Het was geloof ik een idee van de organisator daar, Wolfgang Valerius. Het is een succes gebleken!

 

Maar waarom koos hij juist jou daarvoor uit en niet een andere organist?

Waarschijnlijk omdat ik het meeste publiek trek… En omdat mijn programma’s er zeer geschikt voor zijn. In Himmerod heb ik ook Walpurgisnacht van Eben gespeeld. Ik was bang dat het verkeerd zou vallen, vooral bij de monniken. Maar juist de monniken waren het meest onder de indruk! In de Dom van Passau, waar ik dit jaar speel, hebben ze Walpurgisnacht uit het programma geschrapt. Dat is het conservatievere deel van Duitsland, daar willen ze zulke muziek niet in de kerk. Voor mij kan dat juist wel: ik geloof dat alle muziek van God komt. Ik vind het heel jammer dat ze in Passau zo reageren. Ze begrijpen de betekenis van kunst, van muziek niet.

We gaan vermoedelijk nog dit jaar een dvd uitbrengen. Die wordt niet in een kerk maar in een concertzaal opgenomen. Ons idee is een opname in de vorm van een concert, alsof je er als kijker bij bent. Maar ook met beelden die de muziek ondersteunen. Het is toch te gek dat er dvd’s bestaan van opera’s, van symfonieconcerten, van pianoconcerten maar niet van orgelconcerten?

 

In Nederland zijn enkele orgel-dvd’s uitgegeven, maar daar zie je vooral plaatjes van de kerk, van het orgel en je ziet de organist spelen.

Dat vind ik niet zo interessant. Je moet natuurlijk een goed programma hebben en een goede context. Bij mijn programma’s is het belangrijk dat je er iets bij voelt. Wanneer ik Walpurgisnacht van Eben speel, wil ik dat mensen er iets bij kunnen voorstellen, er iets bij voelen. Wanneer je tijdens een opera alleen de muziek zou horen en verder niets zou zien, dan komt niemand meer naar een opera.

 

Maar het mooiste is toch een écht concert…

Ik ben heel blij wanneer ik in een concertzaal speel voor negenhonderd mensen, zoals gisteren in Köln. Die zijn kennelijk geïnteresseerd in het orgel, anders zouden ze niet komen. Er waren gisteren mensen van zestig jaar die voor het eerst van hun leven een orgelconcert bezochten. Ze waren zo onder de indruk dat ze vaker naar orgelconcerten willen gaan!

 

Je bent een perfectionist. Waarom heb je dan toch een live-concert op cd uitgegeven?

Mijn eerste cd, live nog wel…. Dat was een groot risico. Het was oorspronkelijk helemaal niet de bedoeling dat het concert opgenomen zou worden. Drie dagen voor het concert belde mijn manager me op met de mededeling dat hij niet naar het concert kon komen. Maar hij wilde het wel graag horen. Hij vroeg of hij het op mocht laten nemen. Dat is gebeurd. Er is niet in gemonteerd; het is precies zoals ik het heb gespeeld. Ik was heel bezorgd over de recensies: jonge organiste, blond – allemaal slechte eigenschappen. Maar de kritieken waren gelukkig heel goed. Toch is een cd anders dan een concert. In een concert voel je de spanning van het moment. Dat zie je vooral bij popmuziek: Mensen kopen liever een concertregistratie van Robbie Williams of Ray Charles dan een gepolijste cd die in een studio is opgenomen.

 

Je laatste cd heet Himmel & Hölle – er staat hemelse én duivelse muziek op. Je zei straks dat alle muziek van God komt. Is muziek voor jou een vorm van religie?

Absoluut. Het maakt voor mij niet uit in wie iemand gelooft: in een god, in je teddybeer, in een talisman. Iedereen heeft krachten waarin hij of zij gelooft. Hoe je het noemt is niet belangrijk. Alle kunst is religie, alle kunst is een manier om het goddelijke te ervaren. Het is een gave van God om muziek te componeren, om het uit te voeren, om te zingen, om publiek te overtuigen – het zijn allemaal talenten van God. Zonder die talenten gaat het niet, want je kunt lang niet alles leren. Ik geloof dat je dertig procent kunt leren. Zeventig procent echter is talent, is een gave van God. Mensen die niet een band met religie voelen, spelen alleen maar noten en verder niets. Je moet muziek spelen omdat je erin gelooft. Religie is geen synoniem voor naar de kerk gaan. Het is geloven in hogere krachten. Religie zit in je gevoel, het is geprojecteerd in je emotie. Wie zonder gevoel voor religie speelt, speelt lege noten. Religie is emotie, passie. Kunst zonder passie is leeg. Muziek ervaar ik ook als sensueel, het kan zelfs erotisch zijn.

Wanneer ik Bach, Mozart of Reger speel, voel ik me op een speciale manier verbonden met hun muziek – met heel mijn lijf. Ik hou veel van alles dat met lichaamstaal te maken heeft, van het gebruiken van mijn lichaam. Ik hou van dansen, van ballet, van beweging. Maar ik hou ook van schilderijen, vanwege het visuele aspect. Bij muziek is het vooral het gevoel, het sensuele. Dat zit óók in de mens. Het lichaam moet zoveel mogelijk meedoen. Daarom speel ik zo graag orgel: dat vergt veel van je lichaam.

 

Wat denk van je de combinatie orgel en ballet?

Grappig dat je daarover begint. We zijn dat aan het onderzoeken. Ik denk erover om iets met Mozart en beweging te doen, of met de Passacaglia van Bach. De passacaglia is immers een dansvorm.

 

Je hebt ooit gezegd dat het orgel wakker gekust moet worden. Wat bedoel je daarmee?

Het orgel is een prinses die slaapt. Het orgel heeft dringend een nieuw elan nodig, misschien ook wel een nieuwe generatie. Ik denk daar veel over na. Het orgel is een levensbehoefte voor me, een krachtbron. Het orgel verdient een veel groter en breder publiek. Een orgel hoeft ook niet noodzakelijkerwijs met een kerk verbonden te worden. Goed, de meeste orgels staan in kerken, maar dit wil toch niet zeggen dat je op concerten uitsluitend kerkelijk repertoire zou moeten spelen? In de kerk leidt het orgel een slapend bestaan. Het moet uit z’n isolement gehaald worden. Dat bedoel ik met wakker kussen.

In mijn eentje kan ik het orgel niet redden. Wat ik doe, doe ik niet voor mezelf, maar voor het instrument, voor de muziek en voor mijn medemensen. Ik vind het jammer dat veel van mijn collega’s zo weinig doen aan het promoten van de orgelcultuur. Cd’s uitgeven en concerten spelen zijn niet genoeg, dat verandert niet veel aan de situatie. Het zou makkelijker zijn wanneer we gezamenlijk iets zouden ondernemen. We zouden een gezamenlijke taal moeten spreken, gezamenlijk een visie moeten ontwikkelen.

Veel organisten maken programma’s om te imponeren, waarmee ze uiteindelijk voornamelijk collega’s imponeren. Een extreem voorbeeld is de B.A.C.H. van Liszt en Reger, die in één programma gespeeld worden. Er zijn ook organisten die een heel jaar lang overal hetzelfde programma spelen. Het heeft er misschien ook mee te maken dat je tijdens je opleiding bepaalde standaardwerken moet spelen. Veel organisten blijven die op hun concerten spelen en die stukken worden steeds weer op cd gezet. En als ze die stukken niet tijdens hun opleiding hebben gestudeerd, doen ze dat daarna alsnog. Je moet kennelijk aan een bepaalde standaard voldoen. Maar er is zoveel meer!

 

Hoe kom je aan repertoire?

Veel stukken worden door Lukas aangedragen. Hij hoort vaak orkestwerken op cd en vraagt zich af hoe dat op orgel zou klinken. Dan zoekt hij uit of er een transcriptie van bestaat. Wanneer ik in een stad ben kijk ik graag rond in muziekwinkels. In Bremen vond ik iets van de Amerikaanse componist Stanley Weiner, waarvan ik erg onder de indruk was. Dat ga ik op cd zetten. Ik schaam me er niet voor om stukken te spelen die ik andere organisten heb horen spelen. Het gaat uiteindelijk niet om wat je speelt, maar hoe je het speelt. Ik speel graag iets nieuws. Maar ik speel bekende werken ook steeds anders, afhankelijk van het orgel en het programma. Ik ben artiest, geen schepper. Ik hoef een werk niet opnieuw te scheppen, niet het wiel uit te vinden. Als het goed is, is een artiest altijd in beweging. Je hebt altijd nieuwe ideeën. En geen mens is hetzelfde, dus er zijn altijd andere interpretaties.

 

Je speelt regelmatig muziek van Jean Guillou. Wat vind je van zijn opvattingen?

Guillou is echt vernieuwend bezig. Hij schrijft goede muziek. Vooral zijn transcripties vind ik heel goed, die doen het ook goed bij het publiek. Zonder Guillou is de orgelcultuur van de twintigste eeuw niet voor te stellen. Wanneer ik hem echter hoor spelen, heb ik het gevoel dat hij niet de muziek van een componist speelt. Het is net alsof hij een boek heeft gelezen en het vervolgens in totaal andere woorden weergeeft. De verhouding tussen componist en interpreet moet in balans zijn. Bij Guillou slaat de balans door naar het interpreteren. Dat stoort me. Als er Bach op het programma staat, dan wil ik iets van Bach horen.

 

Hoe zou Bach dan moeten klinken volgens jou?

Niemand weet hoe Bach heeft gespeeld. Je moet natuurlijk op de hoogte zijn wat er door tijdgenoten geschreven is over Bach en zijn muziek. Je moet alle noten kennen. Als je die helemaal kent, dan voeg je vanzelf je eigen gevoel en karakter daaraan toe. Dan ontdek je dingen die niet in de Urtext staan. De muziek van Schumann is een mooi voorbeeld. In die muziek ligt zoveel vast qua ritmiek, qua notenduur en dan staan er ook nog allerlei aanduidingen bij…. Wanneer je dat allemaal kent heb je het begin te pakken. Pas daarna dring je door tot de essentie van de muziek. Het is een kwestie van eerst de partituur grondig bestuderen, daarna alle noten spelen en pas dan komt de verdieping. Dat is mijn visie.

 

Je speelt voornamelijk op grote ‘romantische’ en ‘moderne’ orgels. Hoe speel je Bach op zo’n orgel?

Dat kan op zich heel goed, mits je je goed concentreert op het klankbeeld dat je voor ogen hebt. Je moet je goed realiseren wat de context is en je daaraan aanpassen. Er is een verschil tussen het spelen op een romantisch orgel en Bach spelen op een romantisch orgel. Het laatste is echt iets anders. Dat spreekt een ander niveau van je hersenen aan. Je moet je altijd in de omstandigheden verplaatsten en daar associaties bij zoeken. Bij Spaanse muziek bijvoorbeeld denk ik aan zon, aan rood. Bij Bach denk ik aan zuurkool met worst. Dat moet je acteren en je moet je goed voelen in die situatie. Op die manier kun je je in allerlei perioden inleven.

Ik speel Bach ook wel op het Walcker-orgel in de Dom van Riga. Het probleem is dat het orgel heel zwaar speelt. Wanneer je je verplaatst in de omgeving van Bach en in zijn noten kruipt, dan vergeet je dat echter. Je moet het zo spelen dat je je er gelukkig bij voelt. Het is zulke prachtige muziek! Die schoonheid wil ik delen met mensen. Het ergste is wanneer musici muziek spelen waar ze niet achter staan, maar toch spelen alsof ze het mooi vinden. Dat is liegen, dat maakt de muziek en je eigen ziel kapot.

 

Wat kunnen we in de nabije toekomst van je verwachten?

Vorig jaar heb ik heel veel concerten gespeeld. Dat kostte veel energie en emotie. Ik heb momenteel niet genoeg energie om nog zo’n periode door te komen. Ik heb onlangs een bijzondere cd opgenomen, die ook dit jaar uit zal komen: orgel in combinatie met een klezmergroep. Ik denk dat het een unicum is. Het is opgenomen op het Winterhalter-orgel in Boblingen, een stad in de buurt van Stuttgart. Een cd met orgel, met zang, gitaar en bas, aangevuld met mandoline en bandoneon. Dat wordt mijn eerste kind dit jaar. Dan komt er een cd van het nieuwe orgel in de Philharmonie in Luxemburg. En dit najaar word ik dertig. Dat wil ik op een speciale manier vieren…

Zolang ik er nog goed uitzie wil ik veel concerten geven op de concertpodia. Als ik oud en lelijk ben, ga ik wel oude muziek spelen op orgels waar niemand me kan zien

 

 

© 2006 foto: www.orgelnieuws.nl