18 november 2018

Hervormd Kockengen neemt gerestaureerd Bätz/Witte-orgel in gebruik

kockengen hervormde kerk witte-orgel

Op vrijdag 12 december wordt het Witte-orgel in gebruik genomen na een restauratie. Orgelmaker Henk van Eeken te Herwijnen voerde niet alleen technisch herstel uit ook de oorpronkelijke samenhang in dispositie en klank werd hersteld. Tijdens de ingebruikname die om 20.00 uur begint zal het orgel worden bespeeld door diverse organisten. 

Het orgel van de Hervormde Kerk in Kockengen is in 1884 gebouwd voor de Oud-Katholieke Kerk van de H. Gertrudis ‘in de Driehoek’ te Utrecht. Bouwer was de Utrechtse orgelmaker Johan Frederik Witte, firma J. Bätz & Co. Het verving een ouder orgel waarover weinig bekend is.

Het bestek van augustus 1882 vermeldt de volgende dispositie:

1 ste Manuaal
1. Prestant 8 Voet
2. Bourdon 16 “
3. Roerfluit 8 “
4. Octaaf 4 “
5. Fluit 4 “
6. Flageolet 2 “
7. Trompet 8 “

2 de Manuaal
1. Viola 8 Voet
2. Holfluit 8 “
3. Fluit-travers 8 “
4. Fluit 4 “

Koppeling
Ventiel

‘Het groot octaaf der Viola en Fluit-travers zal toongeven in de Holfluit. – De Bourdon spreekt permanent in het pedaal,terwijl de handklavieren beurtelings door middel eener voettrede daaraan gekoppeld worden.’

 

Nieuwe Gertrudiskerk
In 1914 plaatste orgelmaker F.A. Stangenberger het orgel over naar de nieuwe Gertrudiskerk aan het Willemsplantsoen. Daarbij maakte hij de Bourdon 16′ op het pedaal in- en uitschakelbaar. Na het overlijden van Stangenberger in 1922 ging het onderhoud van het orgel over op de firma J.C. Sanders & Zoon, na het overlijden van J.H. Sanders in 1960 op de firma K.B. Blank & Zoon.

Op een onbekend moment is de Trompet 8′ gewijzigd, waarbij de schalbekers een halve toon werden opgeschoven en van intoneerslitsen werden voorzien en nieuwe stevels en koppen werden aangebracht.

Te klein
Het Bätz-Witte-orgel was in feite te klein voor de nieuwe Gertrudiskerk, met name voor de begeleiding van de gemeentezang, zoals die vanaf 1909 in de Oud-Katholieke Kerk wordt gepraktiseerd. In de nieuwe situatie stond het bovendien op een veel ruimer en hoog doxaal, een meter achter de balustrade. In 1956 werd het plan opgevat om een groter orgel aan te schaffen.

De orgelbouwers J. de Koff en Zn en K.B. Blank & Zoon dienden een ontwerp in voor een nieuw orgel. Gekozen werd voor de firma Blank. In 1963 en 1964 is nog de aankoop van het Bätz/Witte-orgel (1899) uit de Utrechtse Pieterskerk overwogen. Orgelbouwer De Koff kon de plaatsing van het Pieterskerk-orgel in de Gertrudiskerk wel aanbevelen, de firma Blank raadde de aankoop af.

Uiteindelijk bouwde de firma Blank een nieuw orgel met 21 stemmen, op Hoofdwerk, Kroonpositief en Pedaal. Voor de Viola 8′ op het Kroonpositief werd daarbij gebruik gemaakt van een oude Bätz/Witte-Violon 8′ (af c#°), die vermoedelijk afkomstig is uit het Bätz/Witte-orgel (1883) in de Grote Zaal van de Evangelische Broedergemeente te Zeist. De firma Blank had dit orgel in 1964 gerestaureerd.

Kockengen
Op Tweede Paasdag 1968 werd het Bätz/Witte-orgel voor het laatst in de Gertrudiskerk bespeeld. Het werd aangekocht door de Hervormde Gemeente van Kockengen en na een ingrijpende restauratie en ombouw door de firma Blank op 18 december 1969 in de Hervormde Kerk te Kockengen in gebruik genomen.

In Kockengen verving het Bätz-Witte-orgel een orgel van de orgelmakers L. van Dam & Zonen uit 1892 met één manuaal, aangehangen pedaal en 9 stemmen. Dit orgel werd door de firma Blank ingenomen en is in 1977 in een nieuwe kast in de Vluchtheuvelkerk van de Gereformeerde Gemeente in Brakel geplaatst.

 

kockengen hervormde kerk van dam-orgel
Voormalige Van Dam-orgel (1892) in de Hervormde Kerk te Kockengen | foto: archief Bart van Buitenen

 

Restauratie 1969
Bij de restauratie van het Bätz-Witte-orgel te Kockengen trad dr. M.A. Vente als adviseur op. Onder meer werden de volgende werkzaamheden uitgevoerd.

  • De Bourdon 16′ werd vervangen door een Mixtuur 4 sterk. De windlade van het eerste manuaal werd hiervoor opnieuw ingedeeld. De oorspronkelijke transmissiemechanieken naar de Bourdonlade (voor de tonen C tot en met d’) werden verwijderd.
  • De pijpen C tot en met D# van de Roerfluit 8′ werden verwijderd; de betreffende tonen spraken voortaan in de Holfluit 8′ van het tweede manuaal.
  • De oorspronkelijke Viola 8′ werd vervangen door een nieuwe Sexquialter 2 sterk, vanaf a°.
  • Het tweede manuaal werd uitgebreid met een Prestant 4′ en een Octaaf 2′, op kantslepen.
  • De Trompet werd voor een deel hersteld, waarbij de schalbekers C tot en met g° werden teruggeplaatst en vanaf g#° nieuwe schalbekers werden aangebracht.
  • De windladen van de beide manualen werden van hun originele sponsels ontdaan. De cancellenramen werden aan weerszijden belijmd met triplex platen. De pijpstokken werden voorzien van kunststof telescoophulzen. De speelventielen in deze windladen werden vervangen door nieuwe exemplaren van moderne constructie.
  • De oorspronkelijke registerknoppen werden vervangen door nieuwe knoppen en registerschilden in Blankstijl.

 

Dispositie 1969

Manuaal I C-f3
Prestant 8
Roerfluit 8
Octaaf 4
Fluit 4
Flageolet 2
Mixtuur IV
Trompet 8

Manuaal II C-f3
Holfluit 8
Fluit-travers 8
Fluit 4
Prestant 4
Octaaf 2
Sexquialter II – vanaf a°

Pedaal C-d1
Bourdon 16

Werktuiglijke registers
Manuaalkoppeling
Pedaalkoppeling aan Manuaal I of Manuaal II
Ventiel

Verbeteringen
De klank van de nieuwe registers was voor de Hervormde Gemeente Kockengen weinig bevredigend en vanaf het begin jaren tachtig werd erover gesproken hierin verbetering aan te brengen. Drs T.W.F. den Toom, met wie door zijn onderzoek van het orgel in het kader van zijn Witte-studie contacten waren ontstaan, was bereid één en ander op de achtergrond te begeleiden en adviseerde een erkende orgeladviseur te benoemen.

Uiteindelijk intoneerde de heer S.F. Blank begin 1991 de Mixtuur, de Prestant 4, de Octaaf 2 en Sexquialter opnieuw. De Trompet 8′ werd gecorrigeerd, waarbij nieuwe palmhouten koppen werden aangebracht, de kelen twee halve tonen werden opgeschoven en het register opnieuw werd geïntoneerd. De werkzaamheden werden begeleid door de heer Aart van Beek, namens de Orgelcommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Ondanks de verbeteringen uit 1991 staken na verloop van tijd de klachten over de achter blijvende klankkwaliteit van de registers uit 1969 weer de kop op. Na tussentijds technisch herstel van enkele onderdelen schreef orgelmaker Henk van Eeken, die de firma Blank na de bedrijfsbeëindiging in 1995 was opgevolgd, op verzoek van het college van kerkrentmeesters in 2010 een uitgebreid instandhoudingsrapport. De daarin voorgestelde restauratiewerkzaamheden werden goedgekeurd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en in het kader van het Brim 2010 subsidiabel verklaard. In overleg met de RCE werd in 2011 een definitief restauratieplan opgesteld. De werkzaamheden zijn in oktober 2013 van start gegaan.

Restauratie 2013/2014
De restauratie die in 2013 en 2014 door de firma Van Eeken werd uitgevoerd beoogde naast technisch herstel in hoofdzaak het herstel van de oorspronkelijke samenhang in dispositie en klank.

  • De Bourdon 16′ op Manuaal I werd gereconstrueerd. Voor d#1 – f3 kon daarbij gebruik worden gemaakt van historische pijpen, vermoedelijk afkomstig uit het Flaes-orgel (1879) in de Hervormde Kerk te Westbroek. De Mixtuur uit 1969 werd verwijderd, de windlade van Manuaal I werd opnieuw ingedeeld. De transmissiemechanieken naar de Bourdonlade voor de tonen C tot en met d1 zijn gereconstrueerd.
  • De pijpen C tot en met D# van de Roerfluit 8′ waren nog aanwezig in de werkplaats van de orgelmaker. Zij zijn teruggeplaatst.
  • Ten behoeve van de gemeentezangbegeleiding is op het ondermanuaal een Cornet V discant toegevoegd. Daarbij is gebruik gemaakt van een Roerfluit 8′ van de hand van de orgelmakers Kam en Van der Meulen, vermoedelijk afkomstig uit het verdwenen orgel in de Willibrorduskerk (1841) te ‘s-Gravenhage. De bas van dit register wordt in het orgel opgeslagen. Tevens werden negentig historische open Cornet-pijpen gebruikt, vermoedelijk van de hand van Carolus Borromeus Adema (1824-1905).
  • De Trompet kreeg nieuwe orgelmetalen koppen en nieuwe stevels, naar voorbeeld van Witte. De kelen kregen hun oorspronkelijke plaats terug, de oorspronkelijke belering tot en met h1 is hersteld.
  • Op het bovenmanuaal is de Viola 8′ naar voorbeeld van Witte gereconstrueerd, ten gunste van de Sexquialter uit 1969.
  • De kantsleep voor de Octaaf 2′ is verwijderd. De Prestant 4′ is gewijzigd in een Nazard 3′, met gebruikmaking van bestaand pijpwerk uit de Prestant 4′ en de Octaaf 2′ van 1969.
  • Bij de windladen van de beide manualen werd de gegroeide situatie voor een deel geaccepteerd, waarbij de dekplaten en speelventielen zijn gehandhaafd, maar de telescoophulzen zijn vervangen door leren sleepafdichtingsringen. De pulpeten zijn gereconstrueerd conform materiaalgebruik en detaillering bij de firma Bätz/Witte.
  • Door vrijwilligers werden nieuwe zwarte registerknoppen in Witte-stijl gedraaid. De oorspronkelijke porseleinen registerplaatjes werden gereconstrueerd.

Namens de RCE werden de werkzaamheden begeleid door orgeldeskundige drs. Wim Diepenhorst.

 


Dispositie

Manuaal I C-f3
Prestant 8 – 1884
Bourdon 16 – 1884 en 1879
Cornet V – discant, 19e eeuw en 2014
Roerfluit 8 – 1884
Octaaf 4 – 1884
Fluit 4 – 1884
Flageolet 2 – 1884
Trompet 8 – 1884, 1969 en 2014

Manuaal II – C-f3
Viola 8 – 2014
Holfluit 8 – 1884
Fluit-travers 8 – 1884
Fluit 4 – 1884
Nazard 3 – 1969/2014

Pedaal C-d1
Bourdon 16 – permanent sprekend

Werktuiglijke registers
Manuaalkoppeling
Pedaalkoppeling aan Manuaal I of Manuaal II
Ventiel

Toonhoogte: a1 = 435 Hz bij 16,5 graden Celsius
Winddruk: 91,5 mm waterkolom

 

 

© 2014 Foto top: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

X