INTERVIEW Gerben Mourik: ‘Een concert geven is eigenlijk een huwelijksaanzoek’

Gerben Mourik | © foto Koos Schippers

Gerben Mourik viert op vrijdag 23 april zijn 25-jarig jubileum als organist. Dat gebeurt in de Domkerk in Utrecht. Hij heeft naam gemaakt als improvisator, maar evengoed als literatuurspeler. Hij houdt van studeren maar is ook graag onder de mensen. Je kunt over alles met hem praten, maar dat doet ORGELNIEUWS deze keer niet. We kijken terug, blikken vooruit en kijken naar het heden.

Hoe is je orgelliefde begonnen?

Op een zaterdagmiddag fietste ik langs de kerk de Gereformeerde Gemeente in Hendrik-Ido-Ambacht en hoorde het orgel. Ik dacht: ik bel gewoon aan en ik kijk wel wie er opendoet. Meneer Vlot, een van de organisten, deed open. Waar ik echt altijd dankbaar voor geweest ben, – ik was nog maar een ventje, maar hij kende mij waarschijnlijk wel – hij deed de deur open en zei: ‘O, kom je even kijken? Kom er maar in.’ Toen hij klaar was met studeren vroeg hij of ik toetsen wilde vasthouden bij het stemmen. ‘Wil je nog wat spelen?’ was de volgende vraag – het was een van de eerste keren dat ik op een pijporgel speelde. Toen ik uitgespeeld was, zei hij eerst: ‘Je moet goed je les blijven doen’ en daarna: ‘Kom je volgende week weer?’ Dat zijn de dingen waardoor je blijft spelen. 

Puberteit

Misschien dat meneer Vlot dat helemaal niet door had, maar hij was een goede ambassadeur. Toen het moeilijk was om mij daar als vaste organist diensten te laten spelen, heeft hij diensten afgestaan om mij daar binnen te halen. We hebben altijd contact gehouden. Onlangs heb ik gespeeld bij zijn uitvaart.

Welke mensen hebben nog meer een belangrijke rol gespeeld in je muzikale leven?

Dat zijn er ondertussen heel wat. Vanaf het begin waren dat Jolanda Zwoferink en Henco de Berg. Jolanda zette mij op het spoor van de Franse impressionistische muziek. Dat sloeg aan! Tevens was ze zo wijs om mijn improvisatielusten niet te veel te beteugelen, maar stuurde ze me op les bij Henco de Berg. Hij zou later mijn hoofdvakdocent improvisatie aan het Brabants Conservatorium worden. Bij hem heb ik echt het improvisatie-ambacht geleerd. Zulke mensen helpen je echt om in de puberteit niet af te haken.

Daarna natuurlijk de hoofdvakstudie in Tilburg bij Bram Beekman. ‘Noten vreten’ was daar het motto, en op je techniek was hij waanzinnig precies. Verder heb ik tussendoor – tot nu toe – les bij Ben van Oosten. Het is altijd goed om een ander objectief commentaar te laten geven.

Thuisfront

Ook mensen buiten de docenten die een grote rol spelen of speelden; mijn ouders die het toch maar aandurfden om mij orgel te laten studeren. Verder moet ik natuurlijk ook mijn vrouw Annelies noemen, zonder goed thuisfront gaat het echt niet. Overigens: schoonvader Han Leentvaar neemt al sinds 2000 veel van m’n cd’s op. Verder zijn Henk van der Poel en Jaco van den Berg al jarenlang betrokken; als registrant, opnameregisseur en tevens ken ik organoloog Bart van Buitenen en fotograaf Koos Schippers al jaren. Soms blijken – toevallige – ontmoetingen grote gevolgen te hebben.

Je hebt veel met de Parijse organisten Cochereau en Guillou. Hoe komt dat?

Pierre Cochereau is een hele belangrijke figuur voor mij. Ik zeg wel eens gekscherend: iedereen heeft wel een afgod en de mijne is Cochereau. Nog steeds, het verandert niet! Ik ben ongelooflijk geïnspireerd door zijn improvisaties en stijl. Hij komt natuurlijk uit de school van Dupré. Dupré was heel formeel. Cochereau was dat niet en de harmonische kleuring bij hem is heel groot. Dat heb ik wel van hem overgenomen. In het begin imiteer je vooral, maar op een bepaald moment moet dat verdergaan en ga je eigen wegen gaan zoeken.

Mijn stijl is een mix van allerlei invloeden. Ik ben in dat opzicht helemaal geen vernieuwer, hoewel mensen mijn stijl wel wat modern vinden. Het heeft hopelijk iets actueels en dat wil ik graag zo houden. Ik zou het niet fijn vinden als mensen van mij zeggen: je improviseert mooi, maar het klinkt als een bezadigde compositie van honderd jaar geleden. 

Guillou’s zoeken naar het ongedachte houdt me bezig

In tegenstelling tot Cochereau heb ik Jean Guillou wel vaak horen spelen, maar ik heb hem nooit nagedaan. Het zoeken naar het ongedachte zie je bij Guillou heel duidelijk en dat houdt me bezig.

En dan is er nog de bewondering voor Thierry Escaich. Hem heb ik als docent meegemaakt. Ansgar Wallenhorst heeft me ook jarenlang bijgespijkerd op impro-gebied, Hij heeft ook filosofie en theologie gestudeerd. Bij Henco heb ik het grondwerk geleerd, van Ansgar dat dat het begin is en dat je moet zorgen dat het daarna verder gaat. Hij probeerde mij los te krijgen van te strakke structuren en stijlen.

Zonder spanningsveld geen overtuigende improvisatie! Je kunt de vorm niet helemaal weghalen, er moet wel kop en staart aanzitten. Maar de vorm of stijl kan ook dogmatisch worden. Dat is nooit goed. Hoewel ik tegenwoordig wel ervaar dat mensen een visie ook al dogmatisch vinden. Je moet er natuurlijk wel voor 100% achterstaan, anders komt het niet over … 

Zo bekeken ben je helemaal geen Nederlandse organist.

Dogma’s zijn typisch een uitvinding om zelf niet na te hoeven denken. Frankrijk heeft een grote liberale achtergrond en daar kan eigenlijk alles. Er is ruimte voor nieuwe dingen, en natuurlijk is dat niet allemaal geniaal. Er zit ook in die Franse stijlen ook veel kaf onder het koren. Dan houd je alleen trucjes à la Cochereau of ongedefinieerde herrie over. Nederland is precies andersom. Als het niet in een kader van godsdienst en muziek past, dan wordt het afgedaan als makkelijk, gek of buiten het culturele denkpatroon.

Guillou bijvoorbeeld was in Nederland waanzinnig populair. Het was een soort exotische attractie. Maar daarmee ga je voorbij aan wat Guillou echt bedoelde. Dat was dat hij het stuk op zo’n manier wilde spelen dat iedereen het begreep. Als hij een fuga van Bach speelde, liet hij precies horen wat het thema was en het contrasubject. Daarmee wilde hij precies laten horen wat de kwaliteit was van het stuk. Maar de reacties waren het omgekeerde. ‘Guillou was een beetje gek.’ Ik zoek naar verstaanbaarheid en creativiteit.

Snelkookpan

Wat vormt de basis van jouw musiceren?

Het zoeken naar actualiteit, in zowel oude als nieuwe muziek. Ik wil de mensen nu iets meegeven. Daarom probeer ik zo te spelen dat de luisteraar overtuigd en meegesleept wordt. Een beetje chargerend: wat heeft het voor zin als je precies weet hoe Bach zelf gespeeld zou hebben, en we daar nu niets aan zouden vinden? Daarmee zeg ik niet dat een goede basis van geïnformeerd zijn over oude speelmanieren enzo niet belangrijk zou zijn, maar wél dat je nu in staat moet zijn om mensen te raken.

Anton Heiller zei: ‘als je stijlimitaties doet, heb je zelf gewoon geen ideeën.’  

Hoe kijk je aan tegen het opnemen van improvisaties?

Eigenlijk leg je dan iets wat puur voor ‘het moment’ bedoeld is, vast. Maar is ook het opnemen van een bestaande compositie vaak niet meer dan een momentopname? Bij het opnemen van een improvisatie-cd bereid je wel meer voor. Aan de andere kant sluit dat niet uit, dat je onvoorbereid ook een grote vorm kunt vastleggen, die geslaagd blijkt. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de Symfonie op de Lunteren-cd. Componist Geerten Liefting leverde de thema’s kort voor de opnames aan, en ik vond het interessant om te kijken of dat ook kan. Als je dan hoort wat er allemaal met dat materiaal gebeurt! Dan is het ‘in de kop’ net een snelkookpan.

Veel organisten improviseren in oude stijlen, negentiende-eeuws of barok. Heb jij behoefte om wat met voorgaande stijlen te doen?

Die behoefte wordt – gelukkig, haha – steeds kleiner. Toen ik begon met het spelen van kerkdiensten, probeerde ik om iedereen tevreden te houden met een afwisseling van barok, romantisch en modern. Maar door mijn interesse in de muziek uit de jaren vijftig en zestig is dat veranderd. Arie Keijzer, Anton Heiller, Peter Planyavsky of Helmut Walcha hebben nooit aan stijlimitatie gedaan. Heiller zei bijvoorbeeld: ‘als je stijlimitaties doet, heb je zelf gewoon geen ideeën.’

Stijlimitaties maken zijn goed om dingen te snappen. Als ik Heiller hoor en merk dat ik er toch weer door wordt gepakt, dan denk ik dat zij dichter bij het antwoord op de vraag waren ‘wat is waarheid?’ En dan vooral de vraag naar de waarheid bij jezelf. Arie J. Keijzer heeft in de Grote Kerk van Dordrecht op zo’n cassettebandje het hele kerkelijk jaar doorgewerkt met een korte intonatie plus een eenvoudige zetting. En elke keer is hij zo puur en weet hij te raken op zo’n manier dat je daardoor geraakt werd.

Ik hoop dat zelf ook op dat punt uit te komen. Orgelbouwer Poul-Gerhard Andersen zei al ‘alles wat je doet om het verleden te kopiëren, is post mortem.’ Het is eigenlijk al dood, maar je doet alsof het nog leeft. 

Piëtistische toestanden

Vooral binnen de gereformeerde gezindte zie je een enorme hang naar het laten herleven van vroeger tijden. Maar het is gewoon een romantische hang naar het idee dat het in de tijd van Bach allemaal koek en ei was. Maar moet je eens lezen wat Bach allemaal te stellen had met die piëtistische toestanden daar. Je maakt er iets van wat het nooit geweest is.

Jij speelt graag muziek die je weinig hoort. Waarom doe je dat?

Er is heel veel goede muziek in Nederland die ten onrechte ligt te verstoffen. Het is de taak van de generatie jonge organisten om de muziek uit de periode voor ons weer een plek te geven. Kijk naar de muziek van Arie J. Keijzer en Jan Bonefaas. De typisch Nederlandse mentaliteit is dat we altijd kijken naar Frankrijk en Duitsland. Dat is een negatieve component die je al vanaf het begin van de twintigste eeuw tegenkomt. Guilmant en Reger waren het voorbeeld. George Stam propageert Reger en schrijft echt goede muziek – zoals zijn ‘Thema, variaties en fuga’. Adriaan C. Schuurman was geïnspireerd door de Fransen. Maar geniale muziek zoals zijn Te Deum – te vinden op YouTube – hoor je weinig meer. We hebben het gewoon laten liggen en we doen er niks mee.  En, denk ook eens aan de kamermuziek en werken voor orkest van Badings en de Andriessens.

Mensen die weinig met orgel hebben, waarderen dat je buiten het gebaande pad gaat

Heel vaak merk ik, dat als je dingen speelt die buiten het gebaande paadje gaan, dat die vooral gewaardeerd worden door mensen die het minste met orgel hebben. Als je muziek maakt, moet er een punt zijn waarop de luisteraars denken: ‘wat ik nu meemaak, daar draait het om.’ Als je dat niet hebt, dan ben je alleen maar bezig met het aaien over de bol, in de trant van ‘het is allemaal goed en veilig hier’.

Het mooie van Feike Asma vind ik, dat hij constant met die vraag bezig was. Hij zat constant in het nu. Ik ga nu spelen voor deze mensen en ik moet ze nu over de streep trekken. De vraag waarom hij zo populair was, heeft daarmee te maken. Hij was een hele mededeelzame speler. Dat zijn we kwijtgeraakt. Als je geen fouten wilt maken, zit je aan de kant van de risicobeperking. Dat heeft niks met muziek maken van doen.

Concertbezoekers zijn niet dom. Ze verwachten dat er een paar momenten zullen zijn waarop zij en jij als organist bij elkaar komen. Dat heeft iets van een huwelijksaanzoek.

Van de kaart

Bij orgelconcerten zie je niet vaak bekende organisten of vakorganisten. Jij laat je nogal eens zien bij een concert van je collega’s. Wat steek je daarvan op?

Ik heb een paar jaar geleden Jan Hage de Introduktion, Passacaglia und Fuge, e-Moll Opus 127 van Reger horen spelen. Het was een ongelooflijke ervaring. Ik was zo geraakt, was echt helemaal van de kaart. Dat maak je maar een paar keer in je leven mee. Hage speelde alsof hij iedere noot doorleefd had. Hij is in staat zo te spelen dat je het instrument vergeet en dat je de organist vergeet, en dat hij je 25 minuten bij je strot grijpt.

De vraag is dus: kun je de mensen zo beïnvloeden dat je ze uit hun dagelijkse realiteit tilt en ze ergens neerzet waar ze na tien minuten niet meer weten dat je al twintig minuten bezig bent. Tijdens het studeren vraag ik me vaak af: ‘hoe bereik ik dat’. En het gekke is dat je het niet kunt afdwingen. Het gaat erom dat je al spelend de openheid hebt, waarbij je op het moment van het concert ook nog zelf dingen durft te doen.

Ik stopte de cassette in mijn speler en ik was bij de Prélude al helemaal onder de indruk.

Het blijft een lastig verhaal, want mensen zijn wezens die in zekere mate houden van veiligheid en voorspelbaarheid. De kopers van mijn eerste improvisatie-cd kwamen naar een concert in de hoop iets daarvan terug te horen. Soms heb je daar geen zin in en dan kwam er iets anders. Maar je moet een improvisatie open benaderen, anders levert het te weinig op. Dat botst met hoe mensen soms een concert ingaan: u vraagt, wij draaien.

Jongepier had een Frans-symfonische kerstsymfonie op de plaat uitgebracht. Het jaar daarna zat de kerk bomvol met mensen die hoopten dat hij weer zoiets zou doen. Maar wat gebeurde er? Hij improviseerde zeer modern. De bezoekers waren teleurgesteld. Het punt is dat ik hem snap. En ik snap de bezoekers ook!

Werken, werken, werken

Sommige organisten zijn bekend om hun literatuurspel, anderen om hun improvisaties. Jij legt je toe op allebei.

Hoewel ik graag improviseer, wil ik ook goed literatuur spelen. Toen ik nog bij Jolanda Zwoferink les had, had ik net zo’n kantelmoment als bij meneer Vlot. Ze gaf me tijdens een les een cassettebandje van 24 fantasiestukken van Vierne, gespeeld door Olivier Latry. Ze zei: ‘Dit moet je maar eens luisteren, ik denk dat jij dit wel mooi vindt.’ Ik stopte de cassette in mijn speler en ik was bij de Prélude al helemaal onder de indruk. Ik dacht: Dit is mijn muziek, mijn wereld!’ Zij deed moeite om mij aan Bach te krijgen, maar daar was ik helemaal niet mee bezig. Maar die Vierne-muziek wilde ik spelen en dus moest je werken, werken, werken. Ik heb toen gemerkt dat het eind negentiende eeuw voor mij echt begint – tot de tijd van nu. 

Je hebt een hechte vriendschap met Arie J. Keijzer, ooit organist van De Doelen en daarna van de Grote Kerk in Dordrecht. Hoe is die ontstaan?

Ik had een stuk van hem nodig en hem gewoon opgebeld. Daar is uiteindelijk een vriendschap uit voortgekomen. Ik spreek hem al jarenlang elke week en ga vaak bij hem langs, (nu natuurlijk even niet vanwege corona maar per telefoon). Naast Bert den Hertog, met wie ik goed bevriend werd in de studietijd, is Arie heel belangrijk voor me. Hij komt van origine uit ‘degelijke kring’ van Flakkee. Hij kent dus de wereld waar ik uit kom ook goed. Is zeer belezen op het gebied van theologie, muziek en alles wat er in de wereld speelt.

Hij kan trouwens ook goed relativeren, en het is een ontzettend aardige man. En als je ziet wat hij allemaal gedaan heeft! Ik hoorde laatst een opname van hem van een concert in Zwolle. Een grote Bach, een suite van Guilain, wat eigen stukken een aan het eind een prachtige improvisatie, zo overtuigend, zichzelf en zo stabiel. Daar heb ik enorme bewondering voor. 

Die Duitsers waren helemaal niet zo extreem als we eigenlijk dachten. 

Heeft het conservatorium je gebracht wat je ervan had gehoopt?

Toen ik op het conservatorium klaar was met mijn master, had ik nog een praatje met mijn docent Bram Beekman. Hij zei: ‘je hebt nu een vak geleerd, maar nu begint het pas.’ Dat vond ik een rare opmerking. Want ik dacht op dat moment serieus dat ik het allemaal kende. Na een tijdje kom je erachter dat dat helemaal niet zo is. Bram gaf les en wat hij je leerde moest je gewoon overnemen. En dan beheerste je het vak. Vervolgens kon je met die techniek bij andere docenten terecht. En inderdaad, dan begint het pas. Als Bram nu een opname zou kunnen horen, dat zou hij mijn spel niet direct herkennen. Ik denk ook niet dat hij dat gewild zou hebben. Het is geen compliment voor de docent als zijn leerlingen precies zo spelen als hij.

Neobarok

Al heel snel na het conservatorium dacht ik: dat improviseren vind ik wel leuk om te doen, maar met de orgels en het Ikazia en Klundert werd ik met het neobarokke orgeltype geconfronteerd. Ik speelde er van alles op, maar dacht dat muziek van Pepping, Micheelsen en Ahrens voor dat type orgel was geschreven. Later merk je dat dat niet helemaal waar is. Pepping bijvoorbeeld had een hekel aan mixturen. Hij hield eigenlijk van een brede, romantische klank. Dat geldt ook voor Joseph Ahrens, die helemaal niet hield van die extreme opvattingen qua dispositie, die hier in Nederland altijd als de ware leer verkondigd werden. En Siegfried Reda hield van een groot zwelwerk. Als je je daarmee bezighoudt, kom je erachter dat de waarheid heel anders ligt. Dat die Duitsers helemaal niet zo extreem waren als we eigenlijk dachten.

Je organistenloopbaan verliep van Petrakerk in Hendrik-Ido-Ambacht, de christelijke gereformeerde kerken in Rotterdam-Charlois en Spijkenisse, het Ikazia-ziekenhuis in Rotterdam en Klundert naar Oudewater. Wat is de volgende stap?

Ik kwam in 2006 in Oudewater als jong broekie. Ik ben hier gekomen door een beetje een naïeve houding. Ik zat in Klundert best en nog niet zo heel lang, maar hier heb je een monumentale stadskerk en dito orgel. Ik had weinig ervaring met benoemingsprocedures. In het Ikazia ben ik na een gesprek en voorspelen gewoon benoemd, in Klundert hetzelfde verhaal. Uit Klundert wilde ik wel een keer weg, maar niet per se meteen. Oudewater kende ik alleen maar omdat Herman van Vliet daar zat. Ik was er nog nooit geweest. Misschien ben ik er wel daarom doorheen gerold. De sollicitatiecommissie heeft vooral de proefdienst en het gesprek zwaar laten wegen, heb ik later begrepen.

Ik heb drie topinstrumenten op een vierkante kilometer

Ik heb een aanstelling voor tien uur in de week maar ik ben hier zeker driemaal per week, om les te geven, te studeren en om klein onderhoud aan de orgels te doen. Er zijn een paar hele goede redenen om hier te blijven: Twee hele goede orgels en dan ook nog het orgel in de Franciscuskerk waar ik veel speel. Als straks dat orgel en het Kam-orgel van de Grote Kerk zijn aangepakt, heb je drie topinstrumenten op een vierkante kilometer!  De honorering hier is hetzelfde als in een grote stadskerk, dus daarvoor hoef ik ook niet weg. Ik kan hier bijna altijd door de week terecht. Van collega’s in de steden hoor ik dat dat daar vaak een probleem is. 

Je bent ook stadsorganist van Oudewater. Heb je het daar druk mee?

Acht jaar geleden werd ik stadsorganist. Pieter Verhoeve, de vorige burgemeester van Oudewater, heeft dat op een uitstekende manier – zonder dat ik er iets van wist – geregeld. Er was hier tot 1930 altijd al een stadsorganist, die overigens tegelijkertijd beiaardier was. Vanaf het moment dat het orgel van de Franciscuskerk werd beheerd door Cor van Butselaar (mijn collega-organist en vriend, helaas een aantal jaren terug overleden), is dat automatisch doorgegroeid en kwam dat uit in het stadsorganistschap. 

Het is eigenlijk een eretitel voor alle dingen die ik voor de stad heb gedaan, zo staat het in de aanstellingsbrief. Ik speel als stadsorganist bij officiële momenten. Verder valt daar wat mij betreft ook het spelen van avondgebeden in de Oud-Katholieke kerk onder. Daar staat een Leichel-orgeltje. En ook het spelen van avondsluitingen in het plaatselijke bejaardenhuis De Wulverhorst. Daarbij speel ik op een aardige piano. Daar hadden we onlangs een avondsluiting die we met Huijgensliederen hebben vormgegeven. Er reist een grote kopie van de Nachtwacht door Nederland en die was op dat moment in de Wulverhorst. Een dochter van de predikant van de Protestantse Gemeente Oudewater zingt heel goed en die heeft de liederen van Huijgens gezongen. Dat zijn dingen die het leuk maken om als stadsmuzikant te functioneren. 

Samen met André van Vliet organiseer ik een concertserie in de Franciscuskerk en van juni tot september een serie zaterdagmiddagconcerten in de Grote Kerk. Zo probeer ik probeer het hele jaar door iets te organiseren. Bij mijn benoeming is mij duidelijk gemaakt dat ze een organist zochten die dingen op poten zou zetten. Iedereen maakt daar zijn eigen balans in en de dingen die ik op deze manier doe, zijn waardevol. Die mensen in het bejaardenhuis hebben net zoveel recht op goede muziek dan jongeren. En de waardering ervoor is groot. 

Samenzang begeleiden is nog steeds het allerleukste van het vak

Jouw aanpak van samenzangbegeleiding is heel erg veranderd. Is dat de invloed van de opleiding kerkmuziek die je hebt gevolgd?

Gemeentezangbegeleiding is een soort psychologie. Ik zeg wel eens tegen leerlingen: je moet niet denken dat als je maar hard speelt en je dendert door, dat de mensen in de kerk dan gaan meezingen. Je moet ze het gevoel geven dat ze wat in te brengen hebben en tegelijkertijd moet je de touwtjes goed vasthouden. En je moet er als organist in geloven. Als je er niet in gelooft, gaat het mis. Je moet meeademen. Samenzang begeleiden is nog steeds het allerleukste van het vak. 

Atmosfeer

Organist Peter Planyavsky zei ooit tegen mij: ‘Een dienst is leuker dan een concert. En ook veel mooier om te doen.’ Met een concert ben je bezig voor het selecte groepje dat jou toch al wil horen. Bij een dienst moet je proberen om iedereen aan te spreken en met elkaar moet je het maken. Er gebeurt van alles in de kerk: preek, lezing, gebeden, de mededeling bijvoorbeeld dat er iemand is overleden. Het is de kunst voor een organist om de atmosfeer goed op te pikken. Als dat lukt, geeft dat meer voldoening dat een concert met duizend mensen. En word je er zelf ook ongelooflijk blij van. 

Ik denk na over de maatschappelijke relevantie, het milieu, hoe ga je om met de aarde?

Toch geef je veel concerten.

In 2019 heb ik iedere week een concert gespeeld en dan ook nog vaak in het buitenland. Nu, met de coronacrisis, ben ik noodgedwongen vaker thuis en speel ik minder. Ik denk wel eens: hoe zinvol is het dat ik heel ver reis naar weet ik veel waar en daar mijn kunstje ga doen. Buiten het feit dat het lekker betaalt, wat is de relevantie ervan? Is het eigenlijk wel relevant? Is het niet veel relevanter om mijn eigen omgeving meer te doen?

Ik heb nu een kinderproject met blokfluitiste Magda de Jong met wie ik de basisscholen in Gouda langsga. Daar zie je soms dat kinderen nog nooit een orgel gezien hebben. Daar zijn ze helemaal verbijsterd over. Dat zou misschien meer het verschil kunnen maken als je het hebt over cultuur, dan dat je wordt gevraagd als ‘rondtrekkend prediker’ en je kunstje doet waar iedereen halleluja over roept. Dat zijn dingen die mij bezighouden.

Ik denk de laatste tijd meer na over de maatschappelijke relevantie, het milieu, hoe ga je om met de aarde. Het kan wel een tandje minder. Voor een kerk in het buitenland rijd ik soms driehonderd kilometer en de registrant komt daar ook nog achteraan hobbelen.

Improvisatiefestival

In de Stad Klundert ben je goed op je plek. Wat doe je daar?

In de tijd dat ik organist was van de hervormde kerk in Klundert, was Henk Strootman mijn collega-organist van de gereformeerde kerk. Strootman zette later De Stad Klundert op in de voormalige rooms-katholieke Joannes de Doperkerk. Het Marcussen-orgel uit Moerdijk kwam daar naartoe, die heb ik ingespeeld, maar toen was het nog gebouw nog als kerk in gebruik.

Toen Henk Strootman het gebouw had verworven, belde hij me om te komen praten. Hij vertelde dat hij het Vermeulen-orgel had aangekocht. Hij vroeg wat ik daarmee zou willen, wat geresulteerd heeft in een digitale uitbreiding door Mixtuur Orgels.

Uiteindelijk had ik een grote wens, en dat was een improvisatiefestival. De eerste editie in 2019 was met Thierry Escaich. Dat was een waanzinnige ervaring. En het afgelopen jaar zouden Hayo Boerema en Ansgar Wallenhorst komen …

Bij het Audite Nova-project had ik echt het idee van ‘dit moet!’

Het is een prachtige ruimte en er staan twee orgels die ertoe doen. We willen de buurt aanspreken, omdat het natuurlijk een lokale plek is. Aan de andere kant willen we een paar keer per jaar iets groots doen om de aandacht te trekken van mensen van verder weg. Er staat een mooie vleugel in de kerk, dus kamermuziek is ook mogelijk. Maar dat is voor een zo mogelijk nog kleiner publiek dan met het orgel. We zijn ook naar de mogelijkheid aan het kijken voor samenwerking met stichtingen in de buurt, zoals op het gebied van jazz of dans.

Dicht bij de bron

Mijn belangrijkste taak is het promoten van de orgels. En rond de christelijke feestdagen organiseren we vaak iets met de kerken van Klundert. Daar doen de predikanten aan mee en bijvoorbeeld een koor. Het is – oneerbiedig gezegd – een kruising tussen een kerkdienst en een concert. De Mariakapel is altijd open om een kaarsje op te steken en er is een infobalie die bijna altijd is bemand, zodat mensen de kerk kunnen bekijken.  Verder is er gelukkig ook nog een heel goed restaurant in de voormalige pastorie.

Waar ben je – terugkijkend – het meest trots op?

Op het Audite Nova-project. Ik had echt het idee van ‘dit moet!’ Door Arie J. Keijzer was ik in staat om dicht bij de bron te komen – hij heeft nog les van Siegfried Reda gehad. Door de op te nemen werken voor te spelen op zijn fraaie Leeflang-huisorgel, kreeg ik veel tips. Tegelijk laat hij je ook vrij, dan ben je echt een goeie docent! Een citaat van hem ‘Jij moet het op jouw manier doen. Het is nu een andere tijd.’ Over de interpretatie van toen: ‘zo deden we dat in de jaren zestig, strak. En dat vonden we toen geweldig. Nu zou ik het toch wat vrijer aanpakken.’ 

Verder werk ik al jaren samen met andere muzikanten, zoals Han Kapaan (hobo), Magda de Jong (blokfluit), Gerlinda van den Berg (panfluit). Je kunt veel van andere muzikanten leren. Verder zit er daarbij altijd iets ‘moderns’ in het repertoire. En ik maak ik sinds drie jaar deel uit van een ensemble met oude instrumenten, waarin we oude en nieuwe ‘noten’ combineren.

Je kunt veel van andere muzikanten leren

Overigens, er is een plan om iets te doen met kleine(re) neobarok-orgels, die verplaatst of verdwenen zijn. We hebben al tweeënhalve cd op de plank liggen, en de intentie is om een boek met cd’s te gaan maken waarin alles samenkomt: muziek, uitvoeringspraktijk, uitgebreide informatie over de orgelmakers, architectuur. Dan zou de hele serie uit acht cd’s bestaan, een mooi overzicht!

Verschijnt er ook nog een jubileum-cd?

Er komt een cd vanuit de Dom te Utrecht. Een formidabel orgel, en al die heerlijke achtvoeten. En de ruimte is geweldig. De keus qua repertoire is een tweedeling; enerzijds psalmbewerkingen van mensen die me bijzonder geïnspireerd hebben, zoals Arie J. Keijzer, Jan Bonefaas, Jan J. van den Berg. Anderzijds werken van Bach, Pepping, Franck, Paul Damjakob (première) en Escaich. Verder natuurlijk ook improvisaties. Er is een groepje vrienden en sponsors die dat allemaal geregeld heeft, geweldig!

Of er bij het jubileumconcert op vrijdag 23 april publiek aanwezig kan zijn, is nog niet bekend. Daarom wordt het concert in ieder geval gestreamd.

Nu u hier toch bent ...

Al meer dan 15 jaar leest u op ORGELNIEUWS alle actualiteiten uit het (Nederlandse) orgelleven helemaal gratis. En dat willen we graag zo houden!

Een levendige orgelwereld vol activiteiten heeft dat mede mogelijk gemaakt. Noodgedwongen staat een groot deel daarvan nu op een laag pitje. Maar het nieuws gaat door, ook in deze tijd. 

Daarom is uw bijdrage, hoe groot of klein, nu nog belangrijker. Zo blijft u voor nu en de toekomst actueel en objectief betrokken op de orgelcultuur! Het is maar een kleine moeite. Dank u wel.

6 Comments

  1. Inspirerend verhaal, van harte met je kwart eeuw dienstbaar zijn in de orgelmuziek, bedankt dat ik tijdens mijn werk even mocht spelen op het engelse koororgel, gastvrije organist ten top.

  2. Bedankt voor het open en eerlijke interview. Fijn om te lezen. Zie met belangstelling uit naar het boek met de CD’s.
    De opnamen uit Denemarken en de opnamen in de serie Audite Nova vond ik niet alleen prachtig maar vanwege de vaak onbekende werken heel bijzonder. Van harte gefeliciteerd met dit jubileum en succes in de toekomst.

  3. Gerben Mourik van harte gefeliciteerd en nog heel veel jaren ‘muziek maken’ gewenst!
    Complimenten voor het verhalende en mooi weergegeven interview door Peter Sneep.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.