24 oktober 2017

Matteo Imbruno, organist Oude Kerk Amsterdam

”Geen plastische chirurgie waarbij alle rimpels worden gladgestreken”. Matteo Imbruno wil niets meer weten van reconstructie. Het restauratieplan van ‘zijn’ orgel in de Amsterdamse Oude Kerk behelst enkel ”groot onderhoud”. Imbruno draagt sinds 1997 als organist van de Stichting Oude Kerk verantwoordelijkheid voor het instrument.

Zijn cd die kortgeleden bij het label tuliprecords uitkwam, baart opzien. Niet alleen vanwege het fraaie spel, maar ook dankzij de verfrissende aanpak van het Vater/Müllerorgel.

Wie: De wieg van Matteo Imbruno (1964) stond in het Italiaanse Pietramontecorvino. Hij studeerde orgel in Foggia en Bologna (bij Liuwe Tamminga) en volgde meestercursussen bij diverse organisten. Imbruno woont sinds 1989 in Nederland. In 1997 behaalde hij er het diploma Uitvoerend Musicus. Daarna studeerde hij nog bij Martin Haselböck.

Klik hier voor de cd-recensie.

1. Voor veel Nederlandse orgelliefhebbers bent u een onbekende. Wat hebt u met muziek?

”Ik had in mijn jonge jaren niets met klassieke muziek. Nadat een vriendin denigrerende opmerkingen over mijn gebrek aan klassieke bagage maakte, vroeg ik haar een cassettebandje met meesterwerken. Ze gaf opnames van Mozart en Bach. Toen ik Bachs bekende Toccata und Fuge in d-moll hoorde, was ik verkocht. Ik wilde orgel leren spelen.

De kans op een conservatoriumstudie leek echter verkeken. Jongeren mochten in Italië destijds niet ouder dan vijftien zijn voordat ze aan zo’n tien jaar durende studie -vijf jaar piano en vijf jaar orgel- begonnen. Ik was negentien. Gelukkig studeerde er in die tijd iemand af die een eigen klas wilde starten. Iedereen die toen bij het conservatorium aanklopte, was welkom.

Het lukte mij vrij snel om de speltechniek onder de knie te krijgen, maar het noten lezen verliep minder vlot.”

2. U woont sinds 1989 in Nederland. Hoe raakte u hier verzeild?

”Ik ging in Nederland op vakantie en raakte op slag verliefd op het land. Liuwe Tamminga waarschuwde me -het is daar ’s winters koud-, maar ik liet me niet tegenhouden. Het Nederlandse weer is in elk geval spannender dan in Italië.

De eerste jaren in Nederland waren moeilijk. Ik sprak geen Nederlands, geen Engels, kende niemand en voelde mij eenzaam. Om mijn lessen te kunnen betalen deed ik van alles: werken in restaurants, schoonmaken en schilderen.

Op aanraden van Liuwe Tamminga klopte ik bij Bernard Winsemius aan voor orgellessen. Ik was geen goede student. Vanwege mijn leesprobleem kon ik de lesstof niet bijbenen en meldde me regelmatig af.

Ik moest nog veel ontdekken. Een Fantasia van Sweelinck vond ik saai, de oude muziekwereld was mij volslagen onbekend. In het voorjaar zag ik overal aankondigingen van uitvoeringen van Bachs Matthäus Passion en vroeg een vriend wat ik mij bij dat werk voor moest stellen.

Ik deed in die jaren de nodige schilderklussen bij Gustav Leonhardt. Jaren later ontdekte ik dat hij een belangrijke musicus is.”

3. Uw orgelstudie in Nederland duurde acht jaar. Wat was de oorzaak?

”Het ging eind jaren negentig steeds slechter met mij. Ik had grote werken van Bach, Liszt en Widor gespeeld, maar ineens lukte vrijwel niets meer. De onzekerheid nam toe en Winsemius en ik begrepen elkaar nauwelijks. Mijn docent stuurde mij uiteindelijk naar Jan Welmers. Dankzij Welmers kroop ik uit het dal en deed ik eindexamen.”

4. Uw benoeming in de Amsterdamse Oude Kerk in 1998 kwam uit de lucht vallen. Hoe verliep de procedure?

”Nadat ik veertien jaar geleden vlakbij de Oude Kerk was gaan wonen, kwam ik er vaak. Voor 25 gulden kon je een uur studeren. Ik speelde dan met alle koppelingen open, omdat ik persé op een zwaar instrument wilde leren spelen.

Het klikte goed met de mensen van de Stichting Oude Kerk. Ze vroegen mij regelmatig bij ontvangsten, congressen en feesten te spelen.

Eens liep ik het meisje van de public relations tegen het lijf in de supermarkt. Is het niet iets voor jou om organist van de Oude Kerk te zijn, vroeg ze? Ik rolde bijna om van verbazing, ík daar organist? Praat maar eens met de directeur, adviseerde ze.

De toenmalige directeur, Jeroen Beker, vroeg me in 1997 op te schrijven wat ik zou doen als ik organist van de Stichting Oude Kerk zou zijn. Ik leverde een vel vol ideeën in en mocht ze uit gaan voeren.

Een jaar later stapte Beker naar het stichtingsbestuur met het verzoek om mij officieel te benoemen. Zijn verzoek ging vergezeld van aanbevelingsbrieven van Maurice Pirenne, Bas de Vroome, Jan Welmers, Mark Heerink, Bernard Winsemius en Ben van Oosten. Het bestuur polste zelf de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (de in 2004 overleden rijksadviseur voor orgels Onno Wiersma) en Gustav Leonhardt (destijds orgeladviseur van de Oude Kerk). Zij reageerden positief. Mijn benoeming was daarmee een feit.

De stichting was blij met een organist die ”blanco tegen het orgel van Oude Kerk aankeek en niet bekend was met alle gedoe uit het verleden.” Zo kon een nieuwe start gemaakt worden.”

5. U bekleedt een post waar menig organist van droomt. Realiseert u zich dat?

”In de begintijd niet. Wie Asma was, wist ik bijvoorbeeld niet. En aan de eerste kennismaking met het Vater/Müllerorgel in de Amsterdamse Oude Kerk bewaar ik slechte herinneringen. Het was met een groep orgelstudenten. Ik probeerde Bachs Derde triosonate te spelen, maar vanwege de zware speelaard lukte niets.

Het is een groot privilege in zo’n machtige kerk te zijn wanneer ik maar wil. Toch beschouw ik het instrument niet als mijn orgel. Bewust hangen er geen foto’s en liggen er geen boeken en potloden van mij bij de speeltafel. Wanneer iemand komt spelen, is het instrument op dat moment zijn orgel.

Ik moest erg aan het orgel van de Oude Kerk wennen. Het mankeert van alles. De mechaniek is bijvoorbeeld een ramp. Alle toetsen zijn ongelijk. Om hier goed te kunnen spelen, moet je in feite met het orgel getrouwd zijn. Dan weet je dat een toets als een cis harder ingedrukt dient te worden, anders komt hij te laat.

Inmiddels waardeer ik het bijzonder dat het orgel niet perfect is. Het heeft charme, bezit een ziel. Je hoort de ouderdom. Onlangs speelde ik op een gerestaureerd barokorgel in Noord-Duitsland. Na dertig minuten had ik het wel gezien, want het instrument klonk saai, glad en te perfect. Keihard ook. Met acht- en viervoeten open kreeg ik al pijn aan mijn oren. Misschien houd ik niet zo van het Noord-Duitse orgeltype.

De klank van het instrument in de Oude Kerk vind ik overwegend Zuid-Duits. Het klinkt zangerig en poëtisch. Mooie registers? Te veel om op te noemen. Alle fluiten, de sesquialter van het bovenwerk, de Cornet en de beroemde Vox Humana.”

6. Uw laatste cd, opgenomen in de Oude Kerk, is een verrassing. Het orgel klinkt als een barokinstrument, slank, fris en verrassend anders dan op de meeste geluidsdragers. Hoe bokst u zoiets voor elkaar?

”Er spelen twee dingen een rol: registratie en klankbeeld. Ik kies nooit een standaard plenum met de Prestanten 8’, 4’ en 2’ en de Mixtuur en de Scherp. Afhankelijk van het instrument kan het best een combinatie van de Prestanten 16’ en 4’ en de Mixtuur zijn.

Ik probeer de persoonlijkheid van een orgel te ontdekken. Tijdens de voorbereiding voor een concert sta ik in de kerk en zit een ander op de orgelbank. Ik roep naar boven welke registers in en uit moeten en puzzel net zo lang totdat ik de klank hoor die ik zoek.

Belangrijk is verder uit te gaan van de mogelijkheden. Op de cd speel ik Buxtehude langzamer dan gebruikelijk. Dit is nodig omdat het orgel van de Oude Kerk anders ademnood krijgt.

Van Leonhardt leerde ik dat een musicus een klankbeeld in zijn hoofd moet hebben en dat hij die klank dient te reproduceren. Op wat voor instrument hij ook speelt. Een viool en een piano zullen daarbij beter meewerken, dan een orgel. Vingers reageren via de hersenen op de klank die je wilt maken. Dat klankbeeld heeft de grootste invloed op de wijze waarop je de toetsen indrukt. Al dat geblabla over toucher is flauwekul.”

7. Welke interpretatie staat u voor?

”Muziek staat boven ons en moet voor zichzelf spreken. Speel wat er staat, meer niet. Ik ga er bijvoorbeeld van uit dat Bruhns zelf de stylus phantasticus al toepaste in zijn werken. Wij hoeven daar geen nieuwe stylus phantasticus overheen te leggen; dat is dubbelop.

Ik raak geïrriteerd wanneer mensen roepen dat ze een idee hebben. Zoiets hoeft niet, want de componist werkte zijn idee al uit. Helaas gebruiken veel mensen muziek om zichzelf te profileren. Wil je bijzonder zijn? Ga dan improviseren of componeren.

Ik hoorde eens via via kritiek van een gerenommeerde organist op mijn spel: Matteo speelt goed, maar is niet bevlogen. Ik was teveel bezig met foutloos spelen en juiste fraseringen kiezen, maar mijn interpretatie miste de essentie.

Qua interpretatie leerde ik veel van instrumentalisten, zangers én orgelbouwers. Timing is van levensbelang. Als je niet op het goede moment begint, heb je daar het hele stuk last van.

Je kunt overigens strak in het tempo spelen en toch fout zitten. Muziek moet namelijk op een natuurlijke manier ademen. Het is hard werken om dit onder de knie te krijgen, maar na jaren is het zoals met autorijden: het gaat vrijwel vanzelf.”

8. Wat houdt uw functie in de Oude Kerk in?

”Ik ben verantwoordelijk voor het instrument, organiseer concerten en probeer geld voor muzikale evenementen te genereren. Er is geen concertcommissie. Ik krijg echter veel hulp mensen als van Henk Verhoef, mijn eerste vervanger.”

9. Er ligt een restauratieplan gereed. Wat zijn de hoofdlijnen?

”Onno Wiersma vroeg Henk Verhoef en mij in 2004 onze ideeën over een restauratie op papier te zetten. Lange tijd was ik voorstander van het zoveel mogelijk terugkeren naar het achttiende-eeuwse klankconcept, maar daar ben ik helemaal van teruggekomen.

Waarom zou bijvoorbeeld de Cornet moeten sneuvelen? En vergelijk de Quintadeen van het bovenwerk eens met die van het rugwerk, welke vind je de mooiste? Inderdaad, die van het bovenwerk. Een bewijs dat we heel voorzichtig moeten zijn. Ik ben genezen van de reconstructiegedachte. Geen plastische chirurgie dus, waarbij je alle rimpels gladstrijkt. De klank zal geoptimaliseerd worden. Bij het opnieuw intoneren, moeten pijpen zelf de weg wijzen. De Fluit 4’ van het bovenwerk kan volgens mij niet mooier gaan klinken. Maar als de bovenkant van pijpen gehavend zijn, worden die natuurlijk wel bijgewerkt.

Het huidige door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg goedgekeurde plan behelst groot onderhoud. Henk Verhoef is aangesteld als adviseur.

Er valt voldoende te doen. De mechaniek is problematisch. Alles van Blank uit de jaren tachtig, waaronder de speeltafel, wordt daarom vernieuwd. Stemkrullen zitten vastgeplakt met plakband. De tongwerken, maar ook verschillende prestanten zijn zorgenkindjes. Ze spreken niet, komen veel te laat of zijn slechts voor een deel beschikbaar.

De restauratie is nog niet begonnen, omdat geld ontbreekt. Een klein comité gaat proberen de centen, 1 miljoen euro, bij elkaar te krijgen. Dat zal in deze tijd niet meevallen, vrees ik. Als iedere Amsterdammer een euro gaf, waren we al een heel eind op weg.”

10. U gaf dit jaar vrijwel maandelijks een masterclass of concert in Europa of Zuid-Amerika. Is het een bewuste keus om vooral buiten de landsgrenzen te opereren?

”De post in de Oude Kerk opende veel deuren. Ik heb in Nederland op bijna elk groot instrument gespeeld, maar word tegenwoordig niet veel meer gevraagd. Buitenlanders trekken harder aan me. Zo verzorg ik sinds enkele jaren masterclasses in Uruguay en Brazilië en ben ik gevraagd volgend jaar twee maanden les te geven aan het conservatorium in het Argentijnse Buenos Aires. En maandelijks doceer ik twee dagen in Italië

Eerlijk gezegd leveren concerten spanningen op. Je hebt nooit de garantie dat een uitvoering goed gaat. Ik ben best onzeker en beluister soms eigen opnames om te horen dat ik toch wel aardig kan spelen.

Ik heb het lesgeven ontdekt. Na een dag doceren, kom ik vol energie thuis. De omgang met studenten is verrijkend.

Datzelfde geldt voor mijn verblijf in Zuid-Amerika. Studenten uit Argentinië vertelden mij eens dat ze een elektronisch Viscountorgel als studie-instrument hadden. Ze waren dolblij tijdens de masterclass op een echt pijporgel te kunnen spelen. Ik heb er een nacht wakker van gelegen en maak mij sindsdien sterk om het conservatorium in Buenos Aires een mechanisch pijporgel te schenken. Ik heb inmiddels een Flentroporgel uit 1972 gevonden. We zijn nu bezig met het inzamelen van gelden.

Ik merk bij Zuid-Amerikaanse studenten veel liefde voor muziek. Zijn gaan niet naar een orgel luisteren, maar naar bepaalde muziekstukken. Nederlandse orgelliefhebbers schieten hierin nogal eens door, vind ik. Ze zeggen bijvoorbeeld naar het orgel in de Laurenskerk van Alkmaar af te reizen. Terwijl het orgel toch niet meer is dan het voertuig voor de muziek.”

[GERT DE LOOZE]

Klik hier voor meer afleveringen in de rubriek Tien vragen.

Wilt u reageren? info@orgelnieuws.nl

© 2008 www.orgelnieuws.nl

© fotografie www.orgelfotografie.nl

X