22 augustus 2019

Nieuw laatgotisch orgel van Reil voor het Oostenrijkse Pulgarn

Op initiatief van de Oostenrijkse orgeladviseur Rupert G. Frieberger, werd door Orgelmakerij Reil een nieuw orgel gemaakt voor de voormalige Kloosterkerk in Pulgarn bij Linz. In oktober vorig jaar werd het orgel, gebaseerd op laatgotische principes, in gebruik genomen. 

Na de oplevering van de studiekopie van het Peter Gerritsz-orgel in het Orgelpark in Amsterdam ontstond bij Rupert Gottfried Frieberger de wens ook in Oostenrijk een dergelijk orgel te realiseren voor het kunnen bestuderen en uitvoeren van oude muziek. Verdere oriëntatie op eind vijftiende en begin zestiende eeuw toegepaste ladenconstructies, leidden naar het toepassen van zogenaamde bovenslepen.

De overgeleverde bovensleepconstructie van het laatgotische orgel van Bartenstein (nu Bartoszyce in Polen) stond hiervoor model. Toegevoegd aan het plan werden uiteindelijk nog een pedaalstem en een Regaal. Hiermee werd het concept als een laatgotisch instrument verder ontwikkeld.

Laatgotiek
De vorm van de kas en van de detailleringen zijn als een synthese van de Europese orgelbouwkunst van de laatgotiek gedacht: het front met spiegelvelden en oplopende labiumlijnen is Nederlands, de blinderingen en bekroningen zijn Italiaans (Bologna) en het snijwerk voor het Borstwerk is Oostenrijks.

De architectuur van de nieuwe orgelkas vormt ook een eenheid met de gotische galerij jaartal 1512. (De kloosterkerk werd van 1511 tot 1514 gebouwd na gedeeltelijke afbraak van een oudere kerk.) Het snijwerk voor het Borstwerk, voorstellende vier musicerende engelen, werd gemaakt door Gert van den Dikkenberg. De vleugeldeuren bestaan uit een met linnen bespannen raam en zijn beschilderd door Gerhard Wünsche, die ook het schilder- en verguldwerk van de kas verzorgde.

Smidsbalgen
Links van het orgel zijn naast elkaar drie smidsbalgen opgesteld. Voor de handbediening zijn hefbomen boven de balgen aangebracht. De uitvoering van de balgen is onder andere ontleend aan ‘Spiegel der Orgelmacher und Organisten’ van Arnolt Schlick (1511) en ‘Syntagma Musicum’ van Michael Praetorius (1619). Voor Borstwerk en Pedaal werden als registratiemogelijkheid afsluiters ingebouwd. Toegevoegd werd nog een kleine spaanbalg met windmachine en rolregelaar om onafhankelijk van een calcant te kunnen studeren.

Ervaringen
Ook voor klavier, mechanieken, pijpwerk en intonatie werden de opgedane ervaringen met de bouw van de studiekopie van het Peter Gerritsz-orgel weer toegepast. Vergelijkingen met pijpwerk van Peter Gerritsz en Van Covelen waren leidend voor de mensuren. De (gereconstrueerde) Regaal van het Ebert-orgel in Innsbrück (1558) en de afbeeldingen in ‘Syntagma Musicum’ waren instructief voor de vervaardiging van de Borstwerkregaal. De Bordun 12’ tenslotte bestaat uit gedekte hoog loden pijpen.

Ingebruikname
Het orgel werd op 30 oktober 2015 met een feestelijk concert in gebruik genomen. Harald Vogel en de Schola Gregoriana Plagensis onder leiding van Rupert G. Frieberger voerden, waarschijnlijk voor het eerst sinds 500 jaar, muziek uit de bouwtijd van de kerk uit met een zo authentiek mogelijk orgel. Een bijzondere gebeurtenis in de Europese muziekgeschiedenis.

 

 


Dispositie

Werk FGA-g2,a2
Principal 6 I-II
Octave 3′ I-II.
Hintersatz IV-VI – Quinte 2′, Octave 1 1/2′, Quinte 1′; alle rijen zijn in de discant dubbel, Quinte 1′ is vanaf F dubbel.

Borstwerk FGA-g2,a2
Regal 6′. Aangekoppeld aan het klavier van het Werk.

Pedaal FGA-f0
Bordun 12′.

De pedaalmechaniek is vast aan het Werk aangehangen.

Winddruk: 67 mm waterkolom
Toonhoogte: 472 Hz bij 18°C
Stemming: naar Schlick (1511)

 

Tekst met dank aan Hans Reil, Orgelmakerij Reil, Heerde

 

© 2016 beeld Orgelmakerij Reil

X