26 april 2017

RECENSIE Audite Nova 3

cd audite nova 3 gerben mourik

Met zijn cd-project Audite Nova heeft Gerben Mourik een belangrijke bijdrage geleverd aan de herwaardering van het orgeltype dat onder invloed van de Orgelbewegung is ontstaan. In de volksmond wordt dat meestal aangeduid als ‘neobarokorgel’ maar dat etiket dekt de lading niet omdat het in feite een – voor de jaren ’40 en ’50 – nieuw orgeltype betreft dat weliswaar qua dispositie op het sobere Noord-Duitse barokorgel was gebaseerd maar waar ook nieuwe muziek voor gecomponeerd werd. De tegenwoordige benaming ‘wederopbouworgel’ ‘bekt’ niet zo lekker en zodoende blijkt de term ‘neobarokorgel’ onuitroeibaar.

 

De Orgelbewegung heeft in ons land geresulteerd in een aantal fraaie instrumenten, zoals de Marcussen-orgels in de Nicolaïkerk in Utrecht, het transeptorgel in de Rotterdamse Laurenskerk, de Flentrop-orgels in Groenlo en Bunnik, het Van Vulpen-orgel in Nieuwendijk en het Vierdag-orgel in Rotterdam-Pendrecht. Maar niet élk orgel uit de periode ca. 1948 tot ca. 1972 kan zich meten met de genoemde voorbeelden, en ik kan me goed voorstellen dat zowel zingende gemeenten als organisten/liefhebbers de orgels uit deze periode meer en meer als onbevredigend ging(en) ervaren vanwege de scherpe vulstemmen en tongwerken, de vaak strakke windvoorziening en een gebrek aan vocaliteit.

 

Gerben Mourik heeft er goed aan gedaan een aantal representatieve ‘neobarok’-orgels op cd vast te leggen met repertoire dat daar ook echt voor bedoeld is. Want er is door componisten als Hugo Distler, Ernst Pepping, Hans Friedrich Micheelsen, Helmut Walcha en – in eigen land – Adriaan Engels, Arie J. Keijzer en anderen een schat aan muziek geschreven voor dit type orgel die in de afgelopen decennia wat ondergesneeuwd is geraakt.

 

Het derde en laatste deel van het Audite Nova-project is een portret van twee Duitse orgels waarin de ideeën van de Orgelbewegung verder zijn uitgekristalliseerd (“zweites Stadium der Orgelbewegung”): het Bosch/Bornefeld-orgel (1964) in de St. Martin te Kassel en het Klais-orgel (1969) in de St. Kiliansdom in Würzburg. Beide instrumenten dragen overduidelijk het stempel van hun ontwerpers, in dit geval kerkmusici met uitgesproken ideeën over klank en gebruiksmogelijkheden. Zo uitgesproken dat de betrokken orgelbouwers er wel eens moeite mee hadden.

 

In een interessant exposé van Bart van Buitenen, waarvan we de Nederlandse tekst overigens van de website www.auditenova.org moeten downloaden, lezen we hoe het dispositievoorstel uit 1960 van de kerkmusicus en orgeldeskundige Helmut Bornefeld (1906-1990) als “veruit het meest doordachte, meest kleurrijke en meest veelzijdige” voorstel voor een nieuw orgel in de herbouwde Martinskirche in Kassel wordt beoordeeld. Meerdere van de om offerte gevraagde orgelbouwers hebben echter hun bedenkingen tegen de verregaande architectenrol van Bornefeld. Uiteindelijk gaat de opdracht naar orgelmaker Werner Bosch (1916-1992), maar de discussies over bouwwijze, intonatie, locatie en vormgeving van het front “vergen het nodige uithoudingsvermogen van alle betrokkenen”. Het resultaat is echter een weldoordacht, veelkleurig, mild geïntoneerd orgel met een aantal nieuwe, door Bornefeld ontwikkelde registers. Het feit dat dit orgel in april 2015 zou worden overgeplaatst naar een andere kerk in Kassel was voor Gerben Mourik aanleiding om dit gave instrument in zijn oorspronkelijke akoestische omgeving op te nemen.

 

Het boeiende programma opent met een Praeludium in G van Günther Raphael dat je meteen in de sfeer van het typische ‘neobarok’-idioom brengt. Geschreven in de hoogtijdagen van de wederopbouw is Adriaan Engels’ Partita over ‘De Lofzang van Maria’ (1955), met duidelijke invloeden van Micheelsen en Distler, natuurlijk een uitgelezen werk om de verschillende registercombinaties van dit orgel te laten horen. De registraties worden vermeld in zowel de Duitse tekst in het cd-boekje als in de te downloaden pdf.

 

Van Helmut Bornefeld, de ontwerper van het orgel, speelt Mourik twee van diens acht koraalpartita’s: Christus, der ist mein Leben en Nun komm’ der Heiden Heiland, afgewisseld met de opmerkelijke Pastorale uit Choralpartita IIDer Herr ist mein getreuer Hirt’ waarin de grenzen van de tonaliteit worden opgezocht. Een mooie hommage aan de geestelijke vader van dit orgel! De partita’s worden afgewisseld met korte koraalvoorspelen van Helmut Walcha en Ernst Pepping en Psaume XXVII van Henri Gagnebin.

 

Het programma in Kassel eindigt met een opmerkelijke Triptiek van de tot Duitser genaturaliseerde Nederlander Jan Oskar Bender (1909-1994), de enige echte compositieleerling van Hugo Distler. Geboren in Haarlem verhuisde hij in 1922 naar Lübeck, waar hij les nam bij achtereenvolgens Karl Lichtwark en Walter Kraft. Vanaf 1930 studeerde hij orgel bij Karl Straube en compositie, directie en theorie bij Kurt Thomas; vanaf 1934 orgel en compositie aan het Staatskonservatorium in Lübeck bij Distler. Bender werkte daarna als organist in Lübeck, om in 1960 naar Amerika te emigreren, waar hij als docent, organist en componist grote invloed had op de kerkmuziek. In 1976 keerde hij terug naar Duitsland. Zijn Triptich dateert uit zijn Amerikaanse periode maar past perfect in dit programma.

 

Ook aan de bouw van het Klais-orgel in de St. Kiliansdom in Würzburg gingen vele besprekingen en discussies vooraf. Van een extern deskundige was in dit geval echter geen sprake. Wel wordt in 1962 na inmiddels 9 jaar overleg de dan benoemde domorganist Paul Damjakob bij de besprekingen betrokken, en groeit er een wederzijdse erkenning tussen orgelbouwer Hans Gerd Klais en Damjakob waardoor het orgel wel “het geheel persoonlijke handschrift” van de jonge domorganist draagt. Gerben Mourik stelt het orgel als het ware aan ons voor met twee vrije improvisaties aan het eind van cd 1, een ‘avontuurlijke’ en een ‘beschouwelijke’.

 

Op cd 2 leren we het Würzburger orgel nader kennen in orgelliteratuur van meest Nederlandse herkomst. Allereerst de overrompelende Toccata II van Marius Monnikendam, gedateerd: Kerst 1970. Zo’n drie jaar later voor het eerst op de plaat gezet door: Feike Asma!

 

Wat volgt zijn twee Sequenzen van Karg-Elert, niet een componist bij wie je direct aan de neobarok denkt, maar wiens œuvre ook op dit door Mourik terecht als “verbluffend universeel” gekarakteriseerde instrument floreert.

 

Het Lied van de Drie Koningen van Gerrit Wielenga bestaat uit vijf variaties op de melodie van een oud kerstlied, vijf ‘programmamuziekjes’ waarin met muzikale middelen de tafereeltjes uit het lied worden uitgebeeld. Het idioom van Wielenga staat wel erg ver van de oorspronkelijke melodie af.

 

Indrukwekkende ‘neobarokmuziek’ bieden de Toccata und Fuge ‘Mitten wir im Leben sind’ van Ernst Pepping, geregistreerd met de diverse hoge vulstemmen en knorrende tongwerken die daarbij horen., het Osteralleluja van Joseph Ahrens en de Partita ‘Veni Creator Spiritus’ van Flor Peeters.

 

Voor de broodnodige afwisseling van stijl zorgen vier Pièces pour Orgue ou Harmonium van André Fleury, waarin het Klais-orgel ook over een aardige Franse tongval blijkt te beschikken.

 

De tintelende Toccata in d die André Verwoerd op 22-jarige leeftijd schreef, sluit dit Orgelporträt feestelijk af.

 

Petje af voor zowel het initiatief als de uitwerking ervan in muzikaal (Mourik), musicologisch (Van Buitenen) én opnametechnisch (Han Leentvaar) opzicht. Het geheel is voortreffelijk gedocumenteerd en geïllustreerd met zwart-witfoto’s van Koos Schippers. Zoals eerder gezegd moet de koper even de moeite nemen om het Nederlandse cd-boekje van www.auditenova.org te downloaden, maar dan is dit Gesamtkunstwerk ook echt compleet!

 

 

Audite Nova 3

Gerben Mourik | Kassel – Martinskirche | Würzburg – Kiliansdom

 

Kassel: Präludium in G (Raphael); Partita De Lofzang van Maria (Engels); Zwei Präludiun und Fugen (Koetsier); Choralpartita III Pastorale / Choralpartiten II un VII (Bornefeld); Triptich (Bender);

Würzburg: Toccata II (Monnikendam); Zwei Sequenzen (Karg-Elert); Het Lied van de Drie Koningen (Wielenga); Toccata und Fuge ‘Mitten wir im Leben sind’ (Pepping); Adagio Psalm 139 (Matter); Quatre Pièces (Fleury); Toccata in d (Verwoerd); Zwei Cantiones Gregorianae (Ahrens); Partita und Choral Prelude (Peeters); Zwei Improvisationen (Mourik)

 

Label: tuliprecords.nl
Nummer:
TURE 201518 2CD
Speelduur: 77’19 + 79’20
Booklet: 40 pagina’s (NE/DE)
Prijs: € 24,95 (+ verzendkosten € 2,50)

 

[button link=”http://www.orgelshop.nl/orgelnieuws” target=”_new” style=”large” title=”BESTELSERVICE”][/button]

 

 

Zie ook

Recensie Audite Nova 1
Recensie Audite Nova 2

 

X