RECENSIE From the Ground up – David Hill – het orgel van Peterborough Cathedral

Tijdens een orgeldag in Utrecht werd ook de Jacobikerk aangedaan en werd een passacaglia van Mees van Huis gespeeld, ik vermoed door Theo Teunissen. Bij de toelichting vooraf werd gezegd: ‘Het beroerde met passacaglia ’s is, dat je ze altijd vergelijkt met de grote passacaglia van Bach en niet zelden zijn ze sterk aan die van de Thomascantor verwant.’ 

Hoe dan ook, deze muziekvorm mag een grote populariteit genieten. Misschien wel omdat het zich telkens herhalende thema voor de luisteraar goed te volgen is en het muziekstuk een kabelbaan is waar steeds een cabine in een andere kleur voorbijkomt, maar we hebben houvast aan het feit dat we de cabines blijven herkennen, tot de laatste toe. 

Dat er naast Bach anderen waren die ook met deze manier van componeren overweg konden, blijkt uit de cd ‘From the Ground up’ van David Hill, die het orgel van zijn naamgenoot in Peterborough bespeelt.

Healy Willan

Behalve de nimmer vervelende Introduction, Passacaglia and Fugue van de Canadees Healy Willan – ik leerde dat werk kennen door de lp van Feike Asma, vanuit Maassluis, met Engelse componisten – zijn de andere werken op deze cd minder algemeen bekend. Geen grote passacaglia’s uit Duits romantische hoek, maar, als je Willan als geboren Brit meerekent, uitsluitend vanuit Groot-Brittannië.  

Hoezeer Asma mij enthousiast maakte voor het monumentale werk van Willan, het past toch beter op een orgel zoals dat in Peterborough. Niet in de laatste plaats nu het orgel sinds kort over een Tuba mirabilis beschikt die aan het slot van de fuga bijna onmisbaar is. Het wordt hier goed neergezet.

Walter Alcock mocht tuba’s ook graag gebruiken, hetgeen bij de eerste maten op deze cd wel duidelijk wordt. In 1981 waren er de eerste uitbreidingen aan dit instrument en in 2016 volgden nog wat extra registers. In 2001 werd het gehele orgel ontmanteld. Het overleefde, zoals het hoofdorgel van de Parijse Notre-Dame, een brand en is al jaren in onderhoud bij Harrison & Harrison. Een overtuigend instrument dat wellicht net wat beter tot zijn recht zou kunnen komen met wat meer nagalm.

Het enthousiasme spat er bij de introductie af, maar halverwege treedt de rust in die een opmaat vormt tot de passacaglia. Deze heeft in eerste instantie duidelijk trekken van de Duits romantische versies die we kennen, waarbij ik vooral moest denken aan die van Joseph Renner, uit diens orgelsonate in c-moll. Op weg naar het slot lijkt het alsof Healy Willan over de schouder van Alcock meekijkt en laat het instrument zich in haar volle glorie horen.

De Postlude van Herbert Murrill, ooit hoofd muziek bij de BBC, had ook de titel Passacaglia kunnen krijgen. Bij het beluisteren van de cd dacht ik een moment dat de Passacaglia van Alcock werd herhaald, maar daar waar Alcock wat meer buiten de degelijke lijntjes durft te kleuren, blijft het bij Murrill wel erg braaf en weinig spannend. Bij de Passacaglia van John West – Willem Hendrik Zwart had dit werk destijds nog wel eens op het programma staan – ontbreekt die spanning eveneens. 

Van Harvey Grace, voormalig organist van Chichester Cathedral, weerklinkt het liefelijke Reverie en – ook op een hymne gebaseerd – het werk Resurgam waarin in het tweede deel opnieuw de passacaglia-vorm aan de oppervlakte verschijnt. In die passacaglia ontpopt zich een zekere virtuositeit die je doet hopen dat een verrassende wending het stuk net even dat extra geeft om het eruit te laten springen, maar dat moment is maar kort en dan kakt die passacaglia toch een beetje in aan het einde.

Met Gibbons’ Ground blijkt maar weer eens hoeveel kanten je op kunt met het Hill-orgel in Peterborough, al doet een lelijke las op een gegeven moment afbreuk aan deze opname.
Een vreemde eend in de bijt, op deze cd?
Nee, want er wordt een brug geslagen naar de eerder genoemde componist Healy Willan van wie, naast de beroemde Introduction, Passacaglia and Fugue, tevens een koraalprelude over een melodie van Gibbons wordt gespeeld. Een rustige bewerking die past in de laatromantische Britse traditie en soms een beetje doet denken aan Rhosymedre van Vaughan Williams.

Muzikale ‘alleskunner’ Richard Blackford bewijst dat er ook Britten zijn die verder durven kijken dan hun laatromantische neus lang is. Het werk maakt direct al een frisse, vlotte en bijna Oosterse start. Nu niet heerlijk wegdoezelen bij warme harmonieën, maar hier durft iemand het muzikale avontuur aan. Het motief loopt uit op wat je als het ware een sprankelende toccata zou kunnen noemen, eindigend in een fraai kwintakkoord.
En met de start van de passacaglia wordt direct duidelijk dat we over de passacaglia heel anders kunnen denken dan de compositie waarmee Bach de orgelliteratuur zo verrijkte en die zo inspirerend bleek voor velen. Blackford lijkt aan het begin van zijn passacaglia eerder geïnspireerd te zijn door het Pari Intervallo van Arvo Pärt. Het muzikale avontuur wordt voortgezet met in toenemende mate gewaagde harmonieën, al wordt het daarmee toch wel wat statisch en is het slot van de prelude interessanter dan van deze passacaglia.

In de grond wil David Hill ons laten horen dat er meer is dan Bachs passacaglia. Dat doet hij met gedegen spel, waarbij het orgel in al zijn facetten laat horen. Niet alle gekozen werken lijken helemaal van de grond te komen, maar niet zonder grond mag Hill tevreden zijn met een geluidsdrager die de schijnwerpers nadrukkelijker richt op een muzikale vorm die bij herhaling blijft boeien: de passacaglia!

From the Ground up

Alcock: Introduction & Passacaglia; Murrill: Postlude on a Ground; Carillon; West: Passacaglia in B minor; Grace: Reverie on the Hymn tune ‘University’; Grace: Resurgam; Gibbons: Ground MB26; Willan: Chorale Prelude on a Melody by Orlando Gibbons; Introduction, Passacaglia and Fugue, Op. 149; Blackford: Prelude and Passacaglia

David Hill, Hill-orgel Peterborough Cathedral

Regent Records – REGCD539, TT 67’48, booklet 11 p. (EN), prijs £ 12,77 |regent-records.co.uk