18 april 2019

The Enlightenment Influence – Iain Quinn at Trinity College Cambridge

The Enlightenment Influence REGCD476

Muziek van de Verlichting, daar is de orgelwereld niet heel erg dik mee bezaaid. Voor het deel wat ons wel is overgeleverd haalde de orgelwereld vaak haar neus op. Lichtzinnig gefröbel, het mist de diepgang van de barok en expressie van de romantiek. Maar inmiddels zijn we aanbeland in een tijdperk waar we niet alleen een ongekende doorontwikkeling hebben gemaakt op authentieke uitvoeringsvormen in de barok en romantiek, maar waarbij ook de waardering voor de periode daartussen is toegenomen.

Diezelfde periode kende een bijzonder muzikaal fenomeen: het Flötenuhr of Orgeluhr. Een mechanische klok die verrijkt was met enkele fluitregisters (doorgaans maximaal drie) met een omvang van c tot en met c3. Door middel van een cilinder kwam de ‘muziekautomaat’ tot leven.

Feitelijk werkten deze cilinderklokken niet anders dan onze draaiorgels, alleen waren ze veel kleiner. Vooral bedoeld om lichtvoetige muziek de kamer in te strooien. Echte muziek voor deze galante tijd dus. Omdat romantiek en dramatiek maar moeizaam in zo’n klok waren te stoppen zijn de instrumenten in de negentiende eeuw een stille dood gestorven. Enkele exemplaren zijn nog wel in musea voorhanden, maar echt actief laten ze hun stem niet meer horen.

Hoewel het repertoire beperkt was, hebben grote componisten als Carl Philipp Emanuels Bach, Georg Friedirch Händel, Joseph Haydn, Wolfgang Amadeus Mozart en Ludwig van Beethoven zich, op verzoek, toch ingespannen om voor deze mechanische orgels te componeren. Opvallend hierbij is dat diezelfde componisten, met uitzondering van C.P.E. Bach, nagenoeg niet de moeite namen om voor de echte koningin der muziekinstrumenten hun fantasieën aan het papier toe te vertrouwen.

De Brits/Amerikaanse organist Iain Quinn heeft zich opgeworpen om in de huid van deze verlichte muziek te kruipen door het beroemde drietal van Mozart (KV 594, 616 en 608) en enkele Flötenuhrstücke van Van Beethoven op te nemen. Hij vult dat aan met originele klavierwerken die Beethoven en Hummel, naast de Pianoforte, ook aan het orgel hadden toebedacht. 

De vraag is uiteraard hoe je deze muziek uitvoert? Ondanks dat Mozart en Van Beethoven zelfs nog fraseringstekens hadden meegegeven, en daardoor het bouwen van de cilinder dus tot een uiterst precisiewerk maakte, bleef de klok een statisch instrument. Welke vrijheden veroorloof je je dan als organist op het moment dat de menselijke hand de muziek tot leven mag brengen?

Je merkt dat Iain Quinn graag dicht bij de oorspronkelijke bedoeling wil blijven, zonder het al te statisch te maken. Hij speelt en registreert lichtvoetig. Als instrument heeft hij gekozen voor het orgel van het Trinity College te Cambridge. Metzler bouwde dit instrument in 1976 en gebruikte daarvoor ouder materiaal uit 1694-1708 van Father Smith. Door de mooie heldere fluiten en prestanten is het prima geschikt voor deze muziek. In grotere registraties wordt het minder boeiend: plenum en tongwerken zijn dan wat star. 

Een fantastische vreemde eend in de bijt blijft de grote f-moll van Mozart. Sinds mensenheugenis spelen we dit werk bij voorkeur met een groot plenum, aangevuld met tongwerken, waardoor er een grootse ouverture ontstaat. Je kunt je hierbij bijna niet voorstellen hoe dat op een Orgeluhr heeft geklonken. Waarom heeft Mozart het werk niet voor orgel zelf geschreven, vraag je je af. Toen hij het schreef  was het weliswaar ruim twintig jaar geleden dat hij kennismaakte met het Haarlemse Müller-orgel, maar die klank zal hij toch niet vergeten zijn?

Quinn kiest er in deze opname voor om bij zijn interpretatie qua speeltrant ook hier dicht bij het oorspronkelijke doel van de composities te blijven. Daardoor ontstaat er een wat zakelijke uitvoering. Zeker in combinatie met de tongwerken, die hij dan wel weer gebruikt, had er best meer dynamiek mogen zijn. 

Dat Mozart en Beethoven nagenoeg niet voor orgel schreven, heeft wellicht te maken met het imago wat het orgel, vaak in de liturgische context, in die jaren had gekregen. Dat valt vooral op als je naar de fuga en twee preludia van Beethoven luistert die hij wel voor orgel heeft geschreven. Een groter contrast met zijn andere werk is bijna niet denkbaar. Alle frivoliteit is weg en in alle eenvoud is contrapunt serious business. Hierbij wil ik overigens niets afdoen aan de kwaliteit van deze werken; het is vooral knap hoe hij in de beide preludia alle toonsoorten behandelt. De Werckmeisterstemming van het Metzler-orgel kan al deze modulaties overigens prima aan.

Hetzelfde beluister je bij de werken die Iain Quinn van Johann Nepomuk Hummel heeft opgenomen. Het zijn niet de meest boeiende bijdragen aan deze cd, maar het is wel weer interessant om beide kanten van de muziekwereld op de grens van de achttiende naar de negentiende eeuw te leren kennen. Bovendien zou een opname met alleen maar frivole Flötenuhrstücke ook gaan vervelen.

 


The Enlightenment Influence

Iain Quinn – Organ of Trinity College, Cambridge

Adagio and Allegro in F KV 594 (Mozart); Adagio in F major WoO 33/1, Scherzo in F major WoO 33/2, Allegro in G major WoO 33/3, Fugue in D major WoO 31, 2 Preludes through all the major keys Op. 39, Allegro non più molto in C major WoO 33/4, Allegretto in C major WoO 33/5 (Van Beethoven); Andante in F KV 616 (Mozart); Prelude and Fugue in C major Op. posth. 7/1-2, Ricercare in E minor Op. posth. 8; Un poco Andante in A flat major, Op. posth. 7/3, Fugue in E flat Op. posth. 7/4 (Hummel); Fantasia in F minor KV 608

Label: Regent Records
Nummer: REGCD476
Speelduur: 79’01
Booklet: 12 pagina’s (EN)
Prijs: £ 10,00 (ca. € 11,50)
Bestellen: www.regentrecords.com of dodax.nl

X