Tien + een vragen aan Ben van Oosten over Marcel Dupré

Ben van Oosten

Het label Decca Classics bracht onlangs in samenwerking met de Association des Amis de l’Art de Marcel Dupré een 10cd-box uit met opnamen die Marcel Dupré tussen 1957 en 1965 voor Mercury en Philips maakt. Een monumentale box waaraan je volgens  recensent Arjen van Kralingen je laatste centen wel mag uitgeven. Naar aanleiding van deze uitgave stelde hij ook tien-plus-twee vragen over Marcel Dupré en diens werk aan Ben van Oosten, Dupré-kenner en een van de weinigen die zijn complete orgeloeuvre heeft opgenomen.

Wat was uw eerste kennismaking met het werk van Marcel Dupré?

Ik maakte voor het eerst kennis met een werk van Marcel Dupré toen ik een jaar of 8 was, via een grammofoonplaat waarop Edward Power Biggs de ‘Variations sur un Noël’ speelde. Ik weet nog dat dit werk een enorme indruk op mij maakte en dat ik die grammofoonplaat heb grijs gedraaid. Toen ik vanaf 1971 regelmatig Parijs bezocht en mij verder in het leven en het werk van Dupré verdiepte, kwam ik in contact met Georges Humbrecht, de oprichter en toenmalige voorzitter van de Association des Amis de l’Art de Marcel Dupré en vanaf 1961 tevens organist van het koororgel in de St. Sulpice. Door hem kreeg ik veel informatie over Dupré en zijn muziek. Ik ben toen zelfs nog enige tijd bestuurslid van deze Dupré-associatie geweest. Ik herinner me nog goed dat we altijd vergaderden in Dupré’s villa in Meudon. Door Dupré’s overlijden in mei 1971 is een kennismaking met hem (die in juni van dat jaar gepland stond) helaas net niet meer mogelijk geweest. Wel ben ik in contact gebleven met Madame Dupré en heb ik regelmatig Dupré’s huisorgel bespeeld.

Wat is de aantrekkingskracht in de werken van Marcel Dupré?

De aantrekkingskracht in de werken van Marcel Dupré wordt door verschillende factoren bepaald. Allereerst bezat Dupré als mens een grote geestelijke en muzikale diepgang, die in zijn composities tot uiting komt. Hij beschikte over een rijke creatieve fantasie, die hij dankzij zijn ongeëvenaarde technische vaardigheden als organist onbeperkt kon ontwikkelen. Hij schreef een omvangrijk en contrastrijk orgeloeuvre, dat uit zowel liturgische- als concertante werken bestaat. De behandeling van het orgel en de speeltechnische eisen zijn bij Dupré altijd fascinerend, uitdagend en vaak vernieuwend, wat een grote aantrekkingskracht op zowel de vertolker als de luisteraar heeft.

 

Marcel Dupré Saint Sulpice Paris 1948
Marcel Dupré aan ‘zijn’ Cavaillé-Coll-orgel in de Saint-Sulpice te Parijs (1948)

Welke van Dupré’s eigen opnamen is uw favoriet?

In Dupré’s vroege opnamen hoort men vooral zijn technische soevereiniteit. De latere opnamen zijn juist op dit punt niet zo perfect (mede veroorzaakt door artrose in zijn handen), maar laten vooral een andere kant van Dupré’s spel horen: een indrukwekkende muzikale zeggingskracht en een grote spirituele diepgang. Deze kenmerken komen vooral tot uiting in zijn opname van de ‘Symphonie-Passion’ uit 1965 op het orgel van de Saint-Ouen in Rouen. Dit is voor mij één van zijn meest geïnspireerde opnamen.

Wat was uw doel met uw opname van Dupré’s orgelwerken?

Dupré’s complete orgeloeuvre is slechts door één andere organist op cd opgenomen (de Engelse organist Jeremy Filsell, voor het label Guild). Hij gebruikte voor deze opname slechts één enkel (modern) orgel in Florida, USA.

Het was mijn doel om Dupré’s complete orgeloeuvre te presenteren op instrumenten die Dupré zelf heeft bespeeld en die hij voor ogen had bij het componeren van deze werken. De vroege werken zijn nog gedacht vanuit het symfonische orgeltype van Cavaillé-Coll, terwijl de latere composities een meer neoklassiek klankkarakter vereisen. Bovendien zijn verschillende werken geschreven voor het Anglo-Amerikaanse orgeltype, met zijn speciale karakteristieken en klankeffecten (grote manuaal- en pedaalomvang, elektrische tractuur met talrijke speelhulpen, chimes [klokkenspel], coupures manuaal en pedaal, sostenuto, etc.).

Naast mijn artistieke intentie om met het cd-project Dupré’s orgeloeuvre als geheel te presenteren, was het voor mij als organist tevens een muzikale en technische uitdaging.

Wat zou u anders doen als u nog eens een complete Dupré zou opnemen?

Ik heb op dit moment niet het gevoel dat ik bepaalde dingen anders had willen doen. Bij de uitvoering van de werken van Dupré liggen de zaken qua interpretatie en uitvoeringspraktijk behoorlijk vast. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de orgelwerken van Franck, waarin een veel grotere mate van interpretatorische vrijheid en persoonlijke expressie van de speler wordt verlangd.

Uw top 3 van Dupré’s orgelwerken?

Ik speel het liefst Dupré’s vroege orgelwerken, zeg maar de werken die hij tussen 1912 en 1940 in een laat-romantische, symfonische stijl heeft geschreven. Hoogtepunten in zijn orgeloeuvre zijn voor mij ‘Variations sur un Noël’, ‘Symphonie-Passion’, ‘Le Chemin de la Croix’ en ‘Deuxième Symphonie’.

Hoe vernieuwend is Dupré geweest voor de orgelkunst?

Op het punt van de speeltechniek en het orgelgebruik (registratie) introduceerde Dupré opzienbarende vernieuwingen en daarmee heeft hij grenzen verlegd. Zijn ongekende speeltechniek als organist was gebaseerd op een grote pianistische virtuositeit (Olivier Messiaen noemde zijn oud-leraar ‘de Liszt van het orgel’ en zijn pianoleraar aan het Conservatoire, Louis Diémer, heeft zelfs geprobeerd om Dupré over te halen, concertpianist te worden). Daardoor stellen zijn orgelcomposities de hoogste speeltechnische eisen aan de vertolker. Op het punt van orgelbouw en registratie was zijn blik gericht op de toekomst en niet op het verleden. Een mooi voorbeeld daarvan is Dupré’s huisorgel in Meudon. Dit orgel was oorspronkelijk door Cavaillé-Coll gebouwd voor Alexandre Guilmant (die eveneens in Meudon woonde). Het werd in 1926 door Dupré gekocht en hij liet het ingrijpend ombouwen volgens zijn visionaire concept van ‘het orgel van de toekomst’. Dit orgel bezat voor die tijd ongekende mogelijkheden op het gebied van techniek en klankkleur. Deze innovaties vonden hun weerslag in enkele van zijn composities (onder andere ‘Les Nymphéas’).

huisorgel Marcel Dupré Meudon
Dupré’s huisorgel in Meudon. Ingrijpend omgebouwd volgens zijn visionaire concept van ‘het orgel van de toekomst’. Foto: Remi Mathis.

Hoe ziet u Dupré als interpreet van bijvoorbeeld Bach?

In zijn vertolking van de orgelwerken van Bach komen de karakteristieken van zijn spel duidelijk tot uiting: een objectieve houding met weinig of geen ruimte voor muzikale retoriek, verbonden met de door Dupré tot dogma verheven speeltechnische grondbeginselen van de Franse symfonische traditie (streng legatospel). Deze speelwijze vormde overigens niet alleen de basis voor zijn Bach-vertolkingen, maar voor zijn orgelspel in het algemeen.

Hoe beschouwt u de ‘latere’ Dupré?

De ‘latere’ Dupré zoekt naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden in zowel compositie als orgelgebruik. Zijn orgelwerken worden meer en meer intellectueel en expressionistisch. Daardoor zijn ze minder toegankelijk dan de vroege werken. Wanneer men zich echter in deze werken verdiept, ontsluit zich een muziek van grote schoonheid en spirituele diepte. Overigens is het opvallend dat Dupré als improvisator altijd aan een meer behoudende, klassieke stijl is blijven vasthouden.

Welke raad geeft u jonge organisten die aan het orgelwerk van Dupré gaan beginnen?

Dupré heeft een omvangrijk en veelzijdig orgeloeuvre nagelaten, dat werken in verschillende vormen en van uiteenlopende moeilijkheidsgraad omvat. Hij heeft een aantal werken met een didactisch doel geschreven. Daaronder bevinden zich uiterst virtuoze werken als de Suite, op. 39 en de Esquisses, op. 41, maar ook verzamelingen met minder moeilijke stukken als de 79 Chorales, op. 28, Le Tombeau de Titelouze, op. 38 en de 24 Inventions, op. 50, die zeer geschikt zijn als eerste kennismaking met het orgelwerk van Dupré.

De teksten bij de Mercury-recordings vertellen over een gezaghebbende traditie van Franck spelen, die tot ons is gekomen via de lijn Guilmant – Pierne – Dupré. Voor u een waardevolle traditie?

De interpretatie van Franck’s orgelwerken is via verschillende tradities overgeleverd. Het is als vertolker van Francks muziek natuurlijk noodzakelijk en waardevol om elke overlevering nauwkeurig te bestuderen. Het probleem doet zich voor, dat ook binnen deze tradities verschillende interpretaties bestaan. Zo heeft Dupré, die in 1955 een heruitgave van Francks orgelwerken publiceerde, Francks notentekst ingrijpend aan zijn persoonlijke opvattingen over de muzikale uitvoering van deze werken ‘aangepast’, zich hierbij ten onrechte beroepend op de overlevering van zijn leraar Guilmant. Het is evident dat Franck en Dupré als organist en componist elkaars tegenpolen waren en dit komt vooral in Dupré’s editie van de orgelwerken van Franck tot uiting.

 


Ben van Oosten (Den Haag, 1955) is hoofdvakleraar orgel aan Codarts (Rotterdams Conservatorium) en organist van de Grote Kerk te Den Haag. Hij heeft een uitgebreide internationale concertpraktijk en is veelgevraagd docent bij internationale academies en jurylid bij de belangrijke internationale orgelconcoursen. 

Zijn cd-opnamen van het Franse symfonische orgelrepertoire (o.a. de acht sonates van Guilmant en het complete orgeloeuvre van Widor, Vierne, Dupré en Saint-Saëns) baarden opzien en  werden met verschillende internationale prijzen bekroond. Voor het label MD+G nam Ben van Oosten het integrale orgelwerk van Marcel Dupré op in twaalf volumes. Het leverde hem in Duitsland de prestigieuze Echo Klassik Preis 2011 op.

Vanwege zijn grote verdiensten voor de Franse orgelmuziek werd Ben van Oosten driemaal onderscheiden door de Société Académique “Arts-Sciences-Lettres” te Parijs. De Franse regering benoemde hem tot Chevalier (1998) en Officier (2011) dans l’Ordre des Arts et des Lettres. In 2010, bij zijn 40-jarig jubileum als concertorganist, werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

 


Lees meer

Marcel Dupré (1886-1971) – Wikipedia
RECENSIE: Marcel Dupré – The Mercury Living Presence Recordings
Association des Amis de l’Art de Marcel Dupré