18 februari 2019

Tien vragen aan Gerben Gritter

gerben gritter organist

Hij promoveerde in 2014 op Christian Müller, trad in 2015 toe tot de orgelafdeling het Conservatorium van Amsterdam waar hij sinds 2012 al docent is en in april van dit jaar volgde zijn benoeming tot organiste titulaire van de Waalse Kerk te Amsterdam. Gerben Gritter maakte in korte tijd grote carrièrestappen. ORGELNIEUWS stelde hem daarom tien vragen.

Een benoeming als organist op zo’n gaaf historisch instrument – een droombenoeming?
Natuurlijk ben ik hier heel erg blij mee. Het orgel is niet eens bijzonder groot – het heeft 26 registers – maar de klank is buitengewoon fraai. Bovendien komt het repertoire dat ik het liefst speel hierop uitstekend tot zijn recht. Overigens heb ik vóór mijn benoeming al bijna zestien jaar als assistent-organist in de Waalse Kerk gespeeld.

Uw verre voorganger Gustav Leonhardt heeft wel Couperin opgenomen op het Langlez/Müller-orgel. Hoe eenkennig bent u?
Het Müller-orgel wijkt qua concept nogal af van Franse barokorgels, is ook beslist niet het meest geschikte instrument voor het uitvoeren van Franse barokmuziek, maar dat betekent natuurlijk niet dat men daarop helemaal geen Franse muziek zou kunnen spelen. Wanneer men niet probeert het orgel te laten klinken als een Frans barokorgel maar recht doet aan het eigene van het instrument, wanneer men zich bovendien af en toe wat vrijheden veroorlooft ten opzichte van de Franse registratievoorschriften, dan is op dit orgel althans een gedeelte van het Franse repertoire min of meer overtuigend tot klinken te brengen.

Ik speel zelf ook wel eens Franse barok in de Waalse kerk, maar ik zou het hier niet zo snel op cd laten vastleggen. En of Gustav Leonhardt, wiens opnames dateren uit de jaren zestig, dat tien jaar geleden nog gedaan zou hebben (gesteld dat hij nog steeds organist was van de Waalse Kerk), weten we natuurlijk ook niet. Er is sinds de jaren zestig veel veranderd. De eigen klankwereld van de Franse barokorgels is door een grote hoeveelheid plaat- en cd-opnamen veel bekender geworden, en iedereen kan vaststellen dat op die orgels het Franse repertoire veel beter tot zijn recht komt dan op de meeste orgels uit andere tradities.

Hoe staat het instrument er nu bij? Wat zijn de verwachtingen voor de komende jaren?
Het orgel bevindt zich in goede conditie. Enkele jaren geleden zijn de windladen van hoofdwerk en pedaal gerestaureerd, is de aanspraak van enkele pijpen verbeterd, en is de winddruk wat gereduceerd. Er zijn enkele details die aandacht behoeven, maar over het algemeen staat het orgel er goed bij. Naar ik hoop zijn er de komende jaren geen ingrijpende (restauratie)werkzaamheden nodig.

Uw vermaarde voorganger Jacques van Oortmerssen was ver met zijn Bach-integrale. Hebt u opnameplannen?
Ik ben plannen aan het uitwerken voor een bijzonder opnameproject dat ik te zijner tijd bij de publicatie van mijn monografie over Christian Müller hoop te kunnen presenteren. Dit is een project voor de wat langere termijn. Ik overweeg om op wat kortere termijn al een keer een cd op te nemen in de Waalse Kerk.

U hebt de Haarlemse Müller een uniek instrument binnen het oeuvre van Müller genoemd. Welke plaats neemt het orgel waarop u nu titulaire bent in binnen het werk van Müller?
Het Haarlemse Müller-orgel is om meerdere redenen een uniek instrument. Een van de redenen houdt verband met de wijze waarop de verschillende registersoorten over de klavieren zijn verdeeld. Müllers dispositiewijze kenmerkt zich, wanneer men het Bavo-orgel buiten beschouwing laat, door een sterke functiescheiding tussen de verschillende manuaalwerken, in het bijzonder tussen enerzijds hoofd- en rugwerk en anderzijds bovenwerk of ‘bovenmanuaal’.

Bij orgels met twee of drie manualen worden de registers in principe als volgt over de werken verdeeld: de prestanten, Roerfluit/Holpijp 8’ en trompetregisters worden gedisponeerd op hoofd- en rugwerk, waarbij het rugwerk in principe een Sexquialter bezit (of een Tertiaan) en een Cornet (of een substituut daarvoor); de fluiten, solotongwerken en eventuele andere soloregisters hebben een plaats op het bovenwerk. Is er geen bovenwerk, dan kunnen een of meer ‘bovenwerkregisters’ (bijvoorbeeld de Vox humana) een plaats krijgen op het hoofdwerk; is er geen rugwerk, dan krijgt de Cornet, doorgaans samen met een Prestant 8′, een plaats op het bovenwerk of ‘bovenmanuaal’ en verhuist de Sexquialter naar het hoofdwerk.

Het orgel van de Waalse kerk is grotendeels in overeenstemming met deze algemene regel. Het heeft een hoofdwerk en een rugpositief, maar geen bovenwerk, en bezit derhalve veel prestanten en een paar trompetten, maar – naast de obligate Roerfluit 8′ en Holpijp 8′ op hoofdwerk respectievelijk rugpositief – weinig fluiten. De Vox humana, die normaliter op het bovenwerk wordt gedisponeerd, heeft hier een plaats gekregen op het hoofdwerk.

In de St.-Bavo is de hierboven geschetste functiescheiding tussen de manuaalwerken veel minder duidelijk aanwezig. Daar beschikken alle manualen over een min of meer volledig prestantenkoor, fluiten, en een aantal tongwerken van verschillende factuur. Het Haarlemse orgel vertoont onder meer daardoor veel grotere overeenkomsten met Noord-Duitse barokorgels dan andere Müller-orgels dat doen.

We zijn wel een beetje benieuwd naar hoe de sollicitatieprocedure is verlopen…
Na het plotselinge overlijden van Jacques van Oortmerssen in november 2015 heb ik voorlopig alle taken waargenomen. Ik was weliswaar meer dan vijftien jaar assistent geweest, maar in de nieuwe situatie was het onduidelijk wat mijn positie was. Ik wilde natuurlijk graag in de Waalse kerk blijven spelen: het orgel is fantastisch, het kerkmuzikaal repertoire (bestaande uit Geneefse psalmen en veelal oude gezangen) ligt mij na aan het hart, en onder de leden van de Waalse gemeente is de waardering voor goede muziek groot.

Omdat na enige tijd nog niet duidelijk was wat er zou gaan gebeuren, en ik graag wilde weten waar ik aan toe was, heb ik zelf het initiatief genomen: ik heb gewoon gesolliciteerd. Een open sollicitatie dus. Het heeft daarna nog enige tijd in de bedoeling gelegen tóch een openbare sollicitatieprocedure op te starten, maar daar heeft men uiteindelijk van afgezien. Ik bleek mij te mogen verheugen in een zeer brede steun, zowel vanuit de gemeente, als vanuit de orgelcommissie en de kerkenraad. En daarop is men tot benoeming overgegaan.

Uw top-5 van orgelwerken
Als ik deze vraag geheel naar waarheid zou beantwoorden zou ik alleen werken van Bach kunnen noemen. Maar om daaruit een werk te kiezen dat op nummer 1 staat, zou ik niet kunnen. De Passacaglia? De Es-dur? De h-moll misschien? Of toch een van de grote koraalbewerkingen? Het antwoord kan per week verschillen en is ook sterk afhankelijk van welke stukken ik op dat moment speel.Wel zijn er groepen stukken die een min of meer vaste plaats innemen in de hiërarchie van favoriete muziek.

Een top-5 zou er als volgt uitzien: (1) de grote praeludia (toccata’s, fantasieën) en fuga’s van Bach; (2) de grote praeludia en toccata’s van Buxtehude; (3) de grote fantasieën van Sweelinck; (4) de drie koralen van Franck; (5) de sonates van Mendelssohn. Over het algemeen zou ik kunnen stellen dat ik met de Midden- en Noord-Duitse barok de meeste affiniteit heb, maar er is nog veel meer muziek – uit allerlei stijlperiodes – die ik zeer graag speel, analyseer en beluister.

U doceert aan het Conservatorium van Amsterdam. Wat geeft u jonge organisten mee als het gaat om het spelen van oude muziek?
Er zijn natuurlijk ontzettend veel manieren waarop men jonge muziekstudenten (niet alleen organisten) iets mee kan geven  op het gebied van de uitvoering van oude muziek. Door in een les een muziekstuk te analyseren, en in te gaan op historische compositieleer, kan het begrip van een compositie worden vergroot en daarmee een juiste uitvoering worden bevorderd.Wanneer ik het nodig acht, wijs ik studenten op oude gebruiken met betrekking tot het uitvoeren van muziek, bijvoorbeeld oude vingerzettingen, articulatieprincipes, of ook wel temperatuurkwesties.

In mijn cursus Orgelbouw, waarin orgels en orgelbouwers uit zeer veel perioden en gebieden aan de orde komen, probeer ik ook aandacht te schenken aan historische registratieprincipes en speelwijzen. Ik verwijs studenten af en toe naar belangrijke muziekliteratuur, zowel hedendaagse literatuur die de uitvoeringspraktijk van oude muziek behandelt, als historische literatuur. Soms behandel ik wat historisch materiaal in de les. Het is overigens verbazingwekkend hoe weinig literatuurkennis de meeste conservatoriumstudenten hebben.

Het terrein van de uitvoeringspraktijk is buitengewoon interessant en zeer veelomvattend. Het liefst zou ik een hele cursus ontwerpen waarin zeer diepgaand allerlei aspecten van de interpretatie en uitvoering van oude muziek worden behandeld, waarin bovendien ruimte is voor reflectie over het hoe en waarom van bronnenstudie en over de mate waarin het mogelijk of wenselijk is oude speelstijlen te doen herleven.

De authentieke beweging heeft weliswaar aan invloed ingeboet, maar heeft een geweldige verrijking betekend van onze muziekcultuur. Eens?
Het onderwerp dat met deze vraag wordt aangesneden is zo geweldig veelomvattend, dat men een boek zou kunnen schrijven om de vraag te beantwoorden. Voor het gemak ga ik voorbij aan de problematiek rond het gebruik van de term ‘authentiek’.

Ik zou niet durven beweren dat de authentieke beweging aan invloed heeft ingeboet. Misschien wordt niet meer, zoals in de jaren zestig en zeventig, de ene belangrijke ontdekking na de andere gedaan, maar daar staat tegenover dat de beweging thans een vaste plaats inneemt in het muziekleven. Als zodanig oefent zij een belangrijke invloed uit, ook op musici die een meer traditionele wijze van musiceren voorstaan.

De authentieke beweging heeft de bestaande muziekcultuur op een aantal punten kunnen verrijken, denk ik. In de eerste plaats heeft zij een enorme toename van kennis omtrent oude muziek bewerkstelligd. De beweging wordt in belangrijke mate gekenmerkt door een grote nieuwsgierigheid naar ‘hoe het vroeger was’. Ten gevolge daarvan is zeer veel onderzoek gedaan, waardoor men veel te weten is gekomen over hetgeen muzikaal wezenlijk was voor musici uit vroeger tijd. Die kennis kan weer worden ingezet bij het analyseren, duiden en uitvoeren van oude muziek, al zal men nooit kunnen pretenderen muziek op precies dezelfde wijze uit te voeren als dat eeuwen geleden gedaan is.

In de tweede plaats is de interesse voor oude muziekinstrumenten, niet in de laatste plaats oude orgels, sterk toegenomen. Het gebruik daarvan heeft ons dichter bij de ‘sound’ van vroeger eeuwen gebracht. Het begrip van het eigene en eigenaardige van oude instrumenten is gegroeid. Problemen die bij het gebruik van moderne instrumenten optreden, bijvoorbeeld balansproblemen tussen verschillende instrumenten, worden bij gebruik van oud instrumentarium soms vanzelf opgelost.

In de derde plaats is een enorm rijk muzikaal repertoire aan de vergetelheid ontrukt, dat nog steeds zeer de moeite waard is om tot klinken gebracht te worden.

Wilt u een korte reactie geven op de volgende namen:

Cameron Carpenter
Cameron Carpenter is een fenomeen. Hij heeft het voorkomen van een popster, en is daarmee een unieke verschijning in de orgelwereld. Ik denk dat hij met zijn repertoirekeuze, virtuositeit en uiterlijk vertoon een groep luisteraars bereikt die anders niet met het orgel in aanraking zou zijn gekomen. Dat is een prestatie waarvoor hij beslist waardering verdient. Tegelijkertijd moet ik vaststellen dat ik qua muziekbenadering bijna niet verder van hem af kan staan. Wanneer ik filmpjes van hem op YouTube bekijk, krijg ik de indruk dat de show alleen om hem draait, veel minder om de muziek of om het instrument. Bij een indrukwekkende virtuositeit vind ik zijn uitvoeringen van composities dikwijls oppervlakkig en soms ronduit smakeloos, waarbij alles alleen om effect lijkt te draaien. De klank van zijn elektronisch orgel, dat hij bij veel concerten bespeelt, vind ik afschuwelijk.

Jan Zwart
Een van de grote verdiensten van Jan Zwart is geweest dat hij erin is geslaagd door talloze orgelconcerten een breed publiek te enthousiasmeren voor het orgel. Wat ik bijzonder vind, is dat hij, in een tijd waarin dat beslist niet vanzelfsprekend was, een grote interesse aan de dag legde voor oude orgels en oude muziek, bijvoorbeeld die van Sweelinck. Hij deed daar serieus onderzoek naar, en publiceerde over zijn bevindingen. Het is een kant van Zwart die volledig lijkt te zijn vergeten.

Anton Heiller
Mijn oud-leermeester Jacques van Oortmerssen liet zich meer dan eens zeer lovend uit over Heiller. Als ik mij niet vergis, heb ik hem een keer horen zeggen: “Ik heb in mijn leven nooit een groter organist gehoord, en zal ook nooit een groter organist horen dan Anton Heiller.” De oude opnames die ik van Heiller gehoord heb, zijn inderdaad indrukwekkend. Van zijn composities ken ik alleen de Tanz-Toccata goed. Dat stuk heb ik indertijd voorbereid voor mijn toelatingsexamen aan het conservatorium. Ik zou zijn andere composities eigenlijk ook beter willen leren kennen.

Sybrand Zachariassen
Over deze belangrijke Deense orgelbouwer weet ik helaas nog veel te weinig. Toevallig heb ik eerder dit jaar wat literatuur aangeschaft waarin ook zijn werk uitvoerig aan de orde komt. Ik ben voornemens daar binnenkort eens studie van te maken.

Olivier Messiaen
Ten aanzien van Olivier Messiaen en diens muziek heb ik altijd wat ambivalente gevoelens gehad. Enerzijds zie ik in dat hij een van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw is geweest, zeker voor orgel, anderzijds moet ik erkennen dat een deel van zijn oeuvre mij niet aanspreekt, of zelfs ronduit tegenstaat. Zijn composities tot ongeveer 1945 bekoren mij het meest. Ik heb, althans van de orgelwerken, daar ook vrij veel van gespeeld – en met plezier. Rond 1950 sloeg hij andere wegen in met onder meer de Messe de la Pentecôte en het Livre d’orgue. Ik kan hem daarin niet volgen; ik vind het gewoon niet mooi. Voor enkele latere werken kan ik weer meer waardering opbrengen, voor enkele delen uit het Livre du Saint Sacrement bijvoorbeeld. Messiaen zal nooit mijn favoriete componist worden, maar dat laat onverlet dat ik hem als componist zeer hoogacht.

 

Zie ook

 


Gerben Gritter (*1979) studeerde Orgel, Theorie der Muziek en Kerkmuziek aan het Conservatorium van Amsterdam, en Muziekwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Aan beide instituten studeerde hij cum laude af. Hij behoorde tot de prijswinnaars van meerdere internationale orgelconcoursen, en geeft concerten in binnen- en buitenland. In 2014 promoveerde hij te Utrecht op een proefschrift getiteld Christian Müller – Orgelmaker in Amsterdam. Gerben Gritter is docent aan het Conservatorium van Amsterdam.    

 

© 2016 foto David Boos

X