18 juli 2018

Vernieuwd orgel voor Nieuwe Kerk Kampen

Pels / Nijsse orgel Nieuwe Kerk Kampen

Orgelmaker René Nijsse voltooide eerder dit jaar zijn tot nu toe grootste opus: de ombouw van het Pels-orgel uit 1959 naar een mechanisch, 53 stemmen tellend, drieklaviers orgel in de Nieuwe Kerk in Kampen. Op vrijdag 3 april werd het orgel in gebruik genomen.

De Nieuwe Kerk in Kampen werd in 1910/1911, vlakbij de Broederpoort, gebouwd onder architectuur van Tjeerd Kuipers. Het was de derde kerk van de Gereformeerde Kerk van Kampen. In 1944 zou de kerk overgaan naar de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. In 1969 kwam de kerk in handen van de Nederlands Gereformeerde Kerk.

Het eerste orgel van de Nieuwe Kerk werd op 29 maart 1911 in gebruik genomen. Het werd gebouwd door de Kamper orgelmaker Jan Proper. Het orgel had 17 registers verdeeld over twee manualen en pedaal; de tractuur was pneumatisch met kegelladen. Het front was een ontwerp van de kerkarchitect Tj. Kuipers en vertoonde overeenkomsten met het front van het orgel van de Gereformeerde Kerk in Wildervank. Evenals het huidige orgel stond het opgesteld boven de kansel. In de daaropvolgende jaren is er door diverse orgelbouwers aan gewerkt, waarbij de dispositie werd gewijzigd.

Eind jaren-40 bleek het Proper-orgel in dusdanig slechte toestand dat werd uitgekeken naar een nieuw orgel. Er werd advies ingewonnen bij de Gereformeerde Organisten Vereniging (GOV). Onder advies van D.W.L. Milo en W.A. Houtman werd de keuze gemaakt voor een nieuw orgel van de firma Bernard Pels te Alkmaar. Op 25 februari 1959 kon het 437e opus van de firma Pels in gebruik worden genomen. Het instrument kreeg 39 registers verdeeld over Hoofdwerk, Positief, Zwelwerk en Pedaal; de tractuur werd gemaakt volgens het elektro-pneumatische repetitieladensysteem.

Geheel probleemloos heeft het orgel van meet af aan niet gefunctioneerd. In 1967 volgde nog een herintonatie door de firma Pels, waarna het orgel in de jaren-70 grondig werd gereviseerd. De firma Kaat en Tijhuis te Kampen voerde de werkzaamheden uit onder advies van de orgeladviescommissie van de GOV (Johan van Dommele en Herman Smedema). Hierbij werden de frontpijpen van de Prestant 16′, het prestantenkoor van Hoofdwerk en Zwelwerk en de fluiten van de manualen vervangen; de Kromhoorn 8′ werd opgeschoven tot 16′ met bijmaking van het groot octaaf; de samenstelling van de Sesquialter van het Hoofdwerk wordt gewijzigd (ontdaan van het septime-koor). Tenslotte werd de tractuur gereviseerd en volgde een volledige herintonatie. Op 14 februari 1981 werd het orgel opnieuw in gebruik genomen.

In de jaren tachtig werden opnieuw vele storingen verholpen en werden de Bazuin 16′ (Pedaal), de Trompet 8 (Hoofdwerk) en enkele balgen door Kaat en Tijhuis vernieuwd. Zij zouden in 1991 ook de samenstelling van de Hoofdwerk-Mixtuur verlagen.

Met het zicht op nog meer werkzaamheden aan het orgel, is men zich in Kampen vanaf 1999 gaan concentreren op ingrijpende verbouwing van het orgel. Als in 2000 plannen bekend worden gemaakt voor verbouwing van de kerk, wordt ook het orgel hierin meegenomen. Er ontstaat in 2001 een concreet plan voor ombouw naar een drieklaviers mechanisch orgel van 42 stemmen met behoud van het bruikbare pijpwerk van het bestaande instrument. Onder advies van Harry Hamer en Herman Kamp (beiden organist van de Nieuwe Kerk) werd uit drie offertes de keuze gemaakt voor de firma A. Nijsse & Zoon uit Oud-Sabbinge. In 2002 werd het contract getekend; onder andere door een beperkte ruimte in de orderportefeuille van Nijsse werd pas in 2007 een begin gemaakt met de werkzaamheden. Inmiddels was het concept gegroeid naar 53 registers. Op 16 februari kon het orgel worden opgebouwd in de kerk. Op 2 april vond de eindkeuring plaats.

Het orgel is geplaatst in de kas uit 1959, met aanpassing aan de nieuwe situatie. Waar voorheen de elektro-pneumatische speeltafel op de galerij rechts naast het orgel was geplaatst, heeft de klaviatuur een plaats gekregen in de inspringend gemaakte onderkast, achter het Rugwerk. Voorheen was daar de lade van het Zwelwerk gesitueerd. Dit werk is nu als Bovenwerk geplaatst. Daarvoor werd een nieuwe zwelkast gemaakt en werd het oorspronkelijke dak van de kas verwijderd. Het plafond van de nis waarin het orgel staat heeft deze functie overgenomen.

De enigszins puntvormige kappen van de torens zijn vervangen door rechthoekige kappen. De vorm van het blinderingswerk van de pedaaltorens volgt de boog van de orgelruimte, dat van het hoofdwerkfront is afgeleid van de bovenzijde van de kanselnis. De kas werd iets donkerder gekleurd en gelakt.

 

 

De windvoorziening omvat vijf magazijnbalgen die elk vanuit de windmotor worden gevoed: drie voor de afzonderlijke manualen, twee voor het pedaal. Bij de rugwerkbalg is een schokbreker geplaatst.

Het pijpwerk van hoofd- en bovenwerk is piramidaal opgesteld, dat van het Rugwerk staat van de buitenzijde naar het midden aflopend opgesteld. Het pedaalpijpwerk is verdeeld over zes laden, C- en Cis-kant. Op de frontladen staan de Prestant 16′ en de tongwerken 16′ en 8′. Subbas 16′, Octaaf 8′ en Quint 12′ staan aan de zijkant op de bovenlade. Het overige pedaalpijpwerk staat op een lade daaronder.

Het gebruikte pijpwerk is voor een groot deel afkomstig uit het oude orgel: hetzij van Pels (1959), hetzij van Kaat en Tijhuis (1980-1991). Het overige pijpwerk is afkomstig van een Pels-orgel uit 1956 uit de voorraad van orgelmaker Nijsse of werd nieuw gemaakt. Ter verbreding van het mensuurbeeld werd een aantal registers opgeschoven. In onderstaande dispostie is een uitgebreidere opsomming van de herkomst van het pijpwerk gemaakt.

Op vrijdag 3 april werd het orgel in gebruik genomen. Harry Hamer en Herman Kamp, beiden organist van de Nieuwe Kerk en als adviseurs bij de bouw betrokken, bespeelden het orgel.

 

Dispositie

Rugwerk I C-g3
Prestant 8 – C-E uit Holpijp; F-e1 en gis2-g3 uit diverse registers 1959; f-g2 nieuw
Holpijp 8 – was Fluit 4 HW, 1980; C-H 1959
Quintadeen 8 – 1959, C-H hout, rest metaal
Octaaf 4 – 1959, C-dis in front
Fluit douce – was Holpijp 8 RW, 1980; gis2-g3 was Fluit 4 HW
Speelfluit 3 – uit Sesquialter HW, 1959;C-a nieuw, gedekt
Woudfluit 2 – uit Sesquialter HW, 1959; C-f nieuw, gedekt met roeren
Octaaf 2 – voorheen HW, 1980
Sesquialter II – 1959
Mixtuur III-IV (1′) – was Kleinmixtuur ZW; aanvullingen uit voorraad orgelmaker
Fagot 16 – was Kromhoorn 16′, C-H 1980, rest 1959; c-h nieuwe bekers; cilindrische, enge bekers
Dulciaan 8 – 1959

Hoofdwerk II C-g3
Prestant 16 – C-H hout uit voorraad orgelmaker; rest metaal 1980
Prestant 8 – C-H 1980, c-d nieuw, dis-g3 1980, drie plaaten opgeschoven
Flute Harmonique 8 – uit voorraad orgelmaker, C-H i.c.m. Roerfluit, af fis1 harm.
Roerfluit 8 – C-H hout 1959; rest metaal 1980
Quint 6 – uit voorraad orgelmaker, C-F gedekt, rest conisch open
Octaaf 4 – 1980
Gemshoorn 4– 1980, was Spitsfluit Rugwerk
Tertiaan 3 1/5 – uit voorraad orgelmaker, prestantmensuur, repeteren
Quint 3 – 1959
Octaaf 2 – 1959, voorheen Rugwerk
Mixtuur III-V(2′) – 1980, in samenstelling verlaagd
Scherp IV (2/3′)– deels 1959 Rugwerk, aanvullend materiaal Pels uit voorraad orgelmaker
Cornet V discant – op verhoogde bank, kopie Naber, uit Geref. Kerk Wierden
Trompet 16 – C-H nieuw, halve bekerlengte met klapdeksels, rest Pels 1956
Trompet 8 – ongewijzigd; Kaat en Tijhuis 1993

Bovenwerk III C-g3 – in zwelkast
Bourdon 16 – 1980, C-h hout, rest metaal; C-Fis buiten de zwelkast
Prestant 8 – 1959
Baarpijp 8 – C-F i.c.m. Prestant 8, Fis-g3 uit voorraad orgelmaker (v/h Ouddorp NHK)
Viola di Gamba 8 – 1959
Voix Céleste 8 – 1959
Koppelfluit 4 – 1980
Salicet 4 – was Salicionaal 8 HW, 1959; gis2-g3 was Prestant 4 ZW, 1980
Nasard 3 – 1980
Nachthoorn 2 – 1980, conisch
Terts 1 3/5 – 1980
Quintfluit 1 1 /2 – 1959, voorheen Rugwerk
Cymbaal III (1/5′) – C-H restmateriaal oude vulstemmen, c-g3 nieuw
Basson-Hobo 8 – 1959, C-f cilindrische bekers, rest als Hobo
Vox Humana 8 – uit voorraad orgelmaker, makelijk Giesecke

Pedaal C-f1
Prestant 16 – C-A front, 1980, rest 1959
Subbas 16 – 1959
Quint 12 – hout, gedekt, uit voorraad orgelmaker
Octaaf 8 – koper, uit voorraad orgelmaker
Gedekt 8 – Pels 1956, C-H hout, rest metaal
Roerquint 6 – Pels 1956, C-F hout, rest metaal
Octaaf 4 – 1959
Mixtuur V – was Ruispijp, 1959
Bazuin 16 – Kaat en Tijhuis, 1993
Trombone 8 – 1959
Trompet 4 – Pels 1956
Koppelingen en speelhulpen
Hoofdwerk + Bovenwerk
Hoofdwerk + Rugwerk
Rugwerk + Hoofdwerk
Pedaal + Bovenwerk
Pedaal + Hoofdwerk
Pedaal + Rugwerk
Tremulant Hoofdwerk
Tremulant Bovenwerk
Tremulant Rugwerk
Zweltrede Bovenwerk

Winddrukken
Hoofdwerk: 76 mm wk
Rugwerk: 75 mm wk
Bovenwerk: 78 mm wk
Pedaal: 80 mm wk

Toonhoogte: a1 = 440 Hz bij 18 graden C
Stemming: evenredig zwevend

 

© 2009 fotografie www.orgelfotografie.nl

X