Op vrijdag 18 september 2026 is het Leichel-orgel in de Victoriuskerk in Pingjum opnieuw in gebruik gegenomen. Orgelmakerij Reil restaureerde het instrument onder advies van Theo Jellema. Daarbij werd de situatie van 1878 hersteld.
Friedrich Leichel bouwde het orgel in 1878 voor de hervormde Victoriuskerk. Het contract werd op 30 november 1877 getekend. Voor 1.600 gulden leverde hij een instrument met tien stemmen op hoofd- en bovenwerk en aangehangen pedaal. In april 1878 was het gereed.
De kerkvoogden plaatsten daarop een advertentie in de Leeuwarder Courant. Daarin verklaarden zij dat het orgel ‘niet slechts uiterlijk magnifiek, maar ook innerlijk degelijk en solied is, zoodat zij alle redenen van vrijmoedigheid hebben genoemden Heer Leichel overal aan te bevelen’.
Spanjaard
In 1947 herstelde orgelmaker Spanjaard uit Amsterdam het orgel, dat in de oorlog door een granaatscherf was beschadigd. Ook bracht hij enkele wijzigingen aan. Op het Bovenwerk werd een Gesmoord 2′ toegevoegd en het Pedaal kreeg één zelfstandig register. Ook kreeg het orgel een modern pedaalklavier en een nieuwe tremulant.
Het ‘nieuwe’ pedaalregister, een Subbas 16’, werd geplaatst op een elektropneumatische lade, op enige afstand van de orgelkas tegen de kerkmuur. Hiervoor gebruikte Spanjaard C-d1 de Gedakt 16′ van het Hoofdwerk. Op het manuaal bleef het register, maar gereduceerd tot discantstem vanaf dis1.
Omdat de Leichel-kas het binnenwerk nauw omsloot, verdiepte Spanjaard de kas om ruimte te creëren voor de Gemshoorn 2′ van het Bovenwerk.
Restauratie
Al aan het einde van de vorige eeuw ging de conditie van het orgel sterk achteruit en werd restauratie onontkoombaar. Theo Jellema stelde een restauratierapport op. Daarin pleitte hij voor een terugkeer naar Leichel, omdat de Spanjaard-elementen technisch van slechte kwaliteit waren en ze het artistieke gezicht van het orgel hadden aangetast.
Dit rapport vormde het uitgangspunt voor de werkzaamheden die Orgelmakerij Reil in 2025 en 2026 uitvoerde. Naast restauratie van het pijpwerk en de manuaalklaviatuur werd de orgelkas teruggebracht tot de oorspronkelijke diepte. De inwendige aanleg kon grotendeels worden gereconstrueerd aan de hand van aangetroffen sporen. Op enkele punten was een nieuw ontwerp nodig.
Herstel
Na nauwgezet onderzoek in de werkplaats kreeg een aantal door Spanjaard verplaatste houten pijpen de vermoedelijk originele (of bijna originele) positie achter het front. Een nieuwe tremulant werd gemaakt die stilistisch in het laatnegentiende-eeuwse beeld past. Ook werd een nieuw concaaf pedaalklavier gemaakt naar voorbeeld van het Leichel-orgel in de Oude Kerk te Bennekom.
Tijdens het voorbereidende onderzoek, en nog meer tijdens het werk, bleek dat veel onderdelen in de loop der tijd door houtworm waren aangetast. Daarom werd intensieve houtwormbestrijding uitgevoerd.

Met de voltooiing van de werkzaamheden is het eerste orgel dat Leichel in Fryslân bouwde gerestaureerd. Het was het laatste van zijn bewaard gebleven Friese instrumenten dat nog op restauratie wachtte.
Dispositie
Hoofdwerk C-f3
Gedakt 16 – C-h vuren; vanaf c1 metaal gedekt
Prestant 8 – C-Dis afgevoerd; E-e1 front; vanaf f1 op lade
Holpijp 8
Octaaf 4
Quint 3 – C-Fis gedekt
Octaaf 2
Bovenwerk C-f3
Viola di gamba 8 – C-B vuren; vanaf c1 metaal
Salicionaal 8 – C-H vuren; vanaf c0 metaal
Gedakt 8 – C-H vuren; vanaf c0 metaal gedekt
Roerfluit 4 – C-h1 als roerfluit, vanaf c2 conisch
Pedaal C-d1
Aangehangen
Werktuiglijke registers
Manual Coppel
Tremulant
Toonhoogte: a1 = 447 Hz bij 190 C
Stemmingssysteem: evenredig zwevend
Winddruk: 70mm
Het metalen pijpwerk is door Chwatal (Merseburg) gemaakt. In het prestantenkoor zijn geen expressions toegepast.



