In de afgelopen twee jaar leverde Orgelmakerij Reil uit Heerde een aantal nieuwe orgels op. Deze instrumenten bleven tot dusver onderbelicht in de rubriek Orgelbouwnieuws. In een meerdelige serie brengt ORGELNIEUWS ze alsnog voor het voetlicht. In deel 1: het orgel in de Evangelisch-Lutherse Luisenkirche in Berlijn-Charlottenburg.
De Luisenkirch werd oorspronkelijk in 1712-1716 gebouwd als lutherse stads- en parochiekerk voor Charlottenburg, een nederzetting die pas in 1705 tot stad werd verheven. Koning Frederik I van Pruisen legde in 1712 de eerste steen; in 1716 werd het in barokstijl opgetrokken kerkgebouw in gebruik genomen. Ruim een eeuw later werd de kerk vernoemd naar koningin Louise van Pruisen. In het begin van de negentiende eeuw volgde een uitbreiding met een toren.
Herbouw
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kerk door brand verwoest, waarna in de jaren vijftig met de stilistische herbouw werd begonnen. In 1968 werd een orgel van Walcker in gebruik genomen.

De lutherse gemeente koesterde lang de wens om de Luisenkirche te voorzien van een stilistisch passender instrument. Die wens kwam tot vervulling met op laat-barokke leest geschoeide Reil-orgel dat op 24 maart 2024 in gebruik werd genomen.
Wagner-school
Uitgangspunt bij de bouw van dit orgel was aansluiting bij instrumenten uit de school van de Duitse orgelbouwer Joachim Wagner (1690–1749). In samenwerking tussen de Luisenkirche, adviseur Michael Bernecker en Orgelmakerij Reil werden met de betrokkenen verschillende studiereizen ondernomen naar historische orgels van de Wagner-school in Brandenburg.
Bij het ontwerp van het Luisen-orgel zijn zowel klankeigenschappen als architectonische kenmerken van deze traditie geïnterpreteerd en toegesneden op de ruimte van de Luisenkirche.
Orgels uit de Wagnerschool worden gekenmerkt door een ‘galant’ en draagkrachtig klankbeeld, mede dankzij de aanwezigheid van relatief veel achtvoets registers. Daarnaast is de kenmerkende tertsklank een belangrijk stijlkenmerk.
Draagkracht en intensiteit
In Charlottenburg zijn deze klankbepalende principes geïnterpreteerd in relatie tot de akoestiek van de kerkzaal. Vanuit dat uitgangspunt is er bijvoorbeeld voor gekozen de voor Joachim Wagner typische tertsklank niet op het Hoofdwerk toe te passen, maar deze in de vorm van een Sesquialtera op het Positief te realiseren.
Daarbij is primair ingezet op draagkracht en intensiteit van de klank, eerder dan op volume. Kenmerkend is bovendien een zilverachtige glans in het klankbeeld.
Tongwerken
Waar in de Wagner-school de tongwerken vaak een eigen ‘Grand Jeu’ vormen, is voor de Luisenkirche uitgegaan van het principe dat alle stemmen met elkaar moeten kunnen versmelten. Zo kan de Trompet 8’ op het Hoofdwerk een Grand Jeu vormen met de Cornet, maar ook uitstekend samengaan met de overige labialen van het Hoofdwerk, in het bijzonder met de Mixtuur.
Vermeldenswaardig is voorts de toepassing van de Oboe d’Amour, een mild maar uitgesproken klinkend tongwerk dat zowel solistisch kan worden gebruikt als zich goed mengt met andere achtvoets registers. Dit register werd eerder toegepast in Reil-orgels in Rosenheim (2009) en Ansbach (2007).
Om een betere klankuitstraling te verkrijgen en het orgel visueel sterker in de kerkruimte te positioneren, is het verder naar voren geplaatst dan het eerdere Walcker-orgel.
Frontontwerp
Het orgelfront is – zoals gebruikelijk in de Wagnerschool – breed opgezet. Opmerkelijk is dat het desondanks tegenwicht biedt aan de horizontale visuele werking van het kerkinterieur. Dit effect wordt bereikt door opgaande lijnen en de herhaalde toepassing van trapeziumvormen.
Doordat deze vormen de lage lichtinval telkens anders weerkaatsen, staat het orgel op elk moment van de dag in een ander licht en wordt de dieptewerking versterkt.
Het frontontwerp sluit nauw aan bij de stilistische architectuur van de kerkruimte. Ook de kleurstelling – inclusief die van de blinderingen – is hierop afgestemd en correspondeert met de zilverachtige glans in het klankbeeld van het orgel.
In aansluiting op het frontontwerp is het Positief centraal in het orgel geplaatst. Het Hoofdwerk bevindt zich aan weerszijden daarvan. In de ruimte achter de orgelkas zijn de pijpen van het Pedaal opgesteld.

Klaviatuur en tractuur
De klaviatuur met twee manualen is midden aan de voorzijde gesitueerd, wat resulteert in korte tracturen en de speelaard ten goede komt.
Dispositie
Hauptwerk – l – C-g3
Principal 8
Bordun 16
Viola di Gamba 8
Rohrflöte 8
Octav 4
Spitzflöte 4
Quinta 3
Octav 2
Cornett III (af g)
Mixtur IV-V
Trompete 8
Positiv – II – C-g3
Salicional 8
Gedackt 8
Quintadena 8
Fugara 4
Principal 4
Flute travers 4
Nassat 3
Waldflöte 2
Tertia 13/5
Sesquialtera II
Mixtur III
Oboe d’Amour 8
Pedal – C-f1
Subbass 16
Gemshorn 8
Violon 8
Quinta 6
Octav 4
Posaune 16
Trompete 8
Werktuiglijke registers
Tremulant Manual II
Manualkoppel II – I
Koppel I – PED
Koppel II – PED
Cimbelstern
Nachtigal
Winddruk: 70 mm waterkolom
Toonhoogte: a = 440 Hz bij 18 graden
Stemming: Bach-Kelner
Tekst en fotografie met dank aan Orgelmakerij Reil, Heerde
Zie ook www.luisenorgel.de



