COLUMN Bert Rebergen: Goed gestemd

Karikatuur van politicus Viennet die een ezel-orgel bespeelt, anoniem, 1833 | beeld collectie Rijksmuseum

U weet dat we weer naar de stembus mogen. Ons geliefde instrument speelt in de gekheid rond de verkiezingen vrijwel geen enkele rol. Een landelijke politicus vinden met een warm hart voor het orgel is het zoeken naar de bekende speld in de hooiberg.

In vroeger tijden waren het Norbert Schmeltzer (KVP/CDA, die van ‘de nacht van’), Jelle Zijlstra (ARP/CDA) en Han Lammers (PvdA) die zich graag met het orgel bezighielden. Piet Hein Donner (CDA) moedigde het idee aan om een orgel in de Ridderzaal te zetten en Kees van der Staaij (SGP) heeft zijn zwak voor het orgel meerdere malen met ons gedeeld. Ik zie er ongetwijfeld een paar over het hoofd, maar deze kwamen even in mij op.

Gelukkig wordt de afkeer die er voor ons instrument eveneens bestaat in Haagse kringen zelden geuit, al werd menig organist afgelopen week niet zo blij van de uitspraken van de heer Segers (CU). Anderzijds zijn er orgelliefhebbers die in de social media maar al te graag hun politieke voorkeuren of afkeuring met ons delen. Niet dat we daarop zaten te wachten, maar blijkbaar bestaat die behoefte.

ORGELNIEUWS is gelukkig geen politieke spreekbuis en mag zich graag zo objectief mogelijk opstellen in de orgelwereld en daarbuiten.

Bij ‘stemmen’ gaan uw en mijn gedachten vooral uit naar stemkrullen, stemschuiven, hoeden, stemijzers, stemhoorns, stemringen en de verschillende stemmingen die het orgel kan hebben. Over links en rechts spreken wij nauwelijks. Wij voelen ons meer op ons gemak bij bas en discant, al weten we ook van elkaar dat we in onze meningen over orgels, orgelspel en organisten niet altijd gelijkzwevend zijn.

Zoals in de politieke arena, worden de messen der discussie ook in de orgelwereld regelmatig geslepen, maar de meesten houden respect voor andermans mening en laten het bij een fijnzinnige opsnede, of een satirische kernsteek. 

Nadenkend over het thema ´orgel en kiezen/stemmen’ borrelde een herinnering op die ik wel graag met u zou willen delen, hopend dat deze niet eens eerder voorbijkwam in een column mijnerzijds. 

Mij werd als organist gevraagd om te spelen bij de ingebruikname van een orgel. Het ging hier om een elektronisch instrument, nog uit de tijd dat er werd gestreden over de vraag of een digitaal orgel niet beter was dan een analoog orgel. 

Laat ik de discussie ‘Pijporgel eerst!’ nu met rust laten, want daar zijn genoeg oorlogen over gevoerd. Er zijn en blijven er die de uitvinding van een elektronisch orgel toejuichen en er zijn er die na het horen van zo’n woord graag ‘Minder, minder!’ scanderen. 
Ja, het is vaak doodzonde dat in kerken de elektronica het won van de windvoorziening, maar er zijn eveneens kerken, zalen en woonkamers waarin het pijporgel geen optie bleek en men blij is dat er muziek kan worden gemaakt.

Toen het orgel, waarover ik net sprak, er eenmaal was, werd het tijdens vergaderingen met de – toen nog – kerkvoogdij niet genoemd. Collega’s op pijporgels vroegen of een tremulant kon worden gerepareerd, of de windmotor kon worden gesmeerd. Een ander opperde dat een fatsoenlijke stellage achter het orgel het stemmen eenvoudiger kon maken en telkens weer was er de vraag wanneer de orgelstemmer zou komen. 

Als de kerkvoogd dan al die vragen had beantwoord, had ik nog wel eens de gewoonte om te vragen: ‘En wij dan?’. Dan zag je de onzekerheid bij de kerkbestuurder toeslaan. Zo’n man wist natuurlijk van niks en stamelde vervolgens ‘Moet er bij u ook gestemd worden, Rebergen?’ Men hoorde dan een zacht gegniffel onder de collega’s, waarna ik vervolgens verzuchtte: ‘Laat ook maar…’ 

Helemaal gek was mijn opmerking niet, want dit merkwaardige apparaat had soms echt de neiging te ontstemmen. Daar waar bij een pijporgel doorgaans een enkele pijp de plank misslaat, daar ging bij dit ding een heel register ernaast staan en dat soms tijdens de samenzang. Gelukkig bleef de zingende gemeente goed gestemd en weken we niet te veel af van de ingezette a = 440 Hz. 

Terug naar het moment dat dit orgel moest worden gepresenteerd aan de gemeente. 

Opnieuw kwamen we samen met de kerkvoogden en werden de op handen zijnde festiviteiten uitgebreid besproken. Tijdens deze vergadering moest ook worden afgesproken welke organist het oude orgel voor het laatst zou bespelen en wie de klanken van het nieuwe als eerste zou laten horen. 
Uit eerdere contacten hierover was mij duidelijk geworden dat men mij die laatste klus wilde laten opknappen, omdat over het spel van mijn collega twijfels bestonden.

Nu lijkt het, zelfs als ik geen namen noem, niet zo kies dat ik dit alhier zo beschrijf, maar ik ben ervan verzekerd dat genoemde collega – we hebben altijd nog contact – er nu ook nog om lachen kan, want hij weet als geen ander dat zijn verstandhouding met de kerkenraad toentertijd niet al te ontspannen te noemen was. 

Nochtans vond men het lastig om hem zomaar te passeren. Om de keuze eerlijk te laten verlopen, waarbij een pijnlijke verkiezingsuitslag vermeden kon worden, werd door een kerkvoogd het idee geopperd om te loten. Hij grabbelde uit de binnenzak een doosje lucifers, brak er twee door en stopte ze, onder tafel, tussen duim en wijsvinger. 
Allereerst liet hij mij trekken en daarna mijn collega. Ik trok het korte houtje, mijn collega het langste. 

Met een stalen gezicht keek de man langs alle aanwezigen en zei triomfantelijk: ‘Mooi, dat is nu duidelijk. Rebergen speelt als eerste op het nieuwe orgel.’ Het bleef even doodstil in de consistorie en ik zag tegenover mij de totaal verblufte gelaatstrekken van een andere kerkvoogd, die in het dagelijks leven slager was en even niet meer wist welk vlees hij in de kuip had.

De goochelende kerkvoogd had vooraf niets gezegd over de spelregels, noch over de conclusies die aan dit lootje trekken waren te verbinden. Glunderend schreef hij op zijn papier mijn naam achter het moment van ingebruikname en niemand zei meer wat. 

Mijn collega hield de bank van het vorige instrument als restzetel over.

Niemand echter was ontstemd. Moge bij de Tweede Kamerverkiezingen deze valse lucht minder kans van spreken krijgen.

Bert Rebergen (*1969) is vooral onderwijsman en verhalenverteller, maar orgelmuziek mag zich in zijn grote belangstelling verheugen, niet alleen passief maar ook in de praktijk. In 1988 werd hij organist in Veenendaal. Daar en daarbuiten bespeelt hij, tot de dag van vandaag, menig instrument. Sinds 2009 treedt hij als verteller en presentator op in het gehele land.

1 Comment

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.