Eric Quist – Tholen

Eric Quist, Van Oeckelen-Steendam-orgel,

Gereformeerde Gemeente te Tholen

Label: SOS 190493.

Speelduur: 1:16.52.

Booklet: Nederlands, 15 bladzijden.

J.S Bach: Allein Gott in der Höh sei Ehr, BWV 715; Concerto in d-moll nach Vivaldi, BWV 596; Herr Gott nun schleuss den Himmel auf, BWV 617. – F. Mendelsohn-Bartholdy: uit ‘Lieder ohne Worte’: no 34 (Spinnerlied); Sonate III. – A. Guilmant: Allegretto en si mineur. – E. Quist: Psalm 149; Psalm 84. – M. Reger: Seelenbräutigam op. 46. – G. Bunk: Einleitung, Variationen und Fuga über ein altniederländisches Volkslied.Wanneer in deze tijd een kerkelijke gemeente kan overgaan tot de aanschaf van een ambachtelijk vervaardigd en artistiek hoogwaardig instrument is dat een bijzondere gebeurtenis. Bovendien is het een extra vreugdevol gegeven als dit een gerestaureerd en gereconstrueerd Van Oeckelen-orgel betreft dat na een uiterst bewogen geschiedenis op deze wijze aan de dreigende vergetelheid wordt ontrukt. Dankzij het muzikale bewustzijn dat in Tholen leeft prijkt er nu een juweel van een orgel in de Rehobothkerk.

Dit orgeltype kenmerkt zich niet zozeer door ‘brilliance’ en een overheersend karakter, maar juist door grondtonigheid en een meer sonore klank. Een blik op de dispositie leert ons dit ook: een keur aan zestien-, acht- en viervoetsregisters, een flink aantal tongwerken en een zeer beperkt aantal vulstemmen. Petrus van Oeckelen zocht het duidelijk in de orkestrale, vaak ook poëtische hoek. De orgelwind waait nu eenmaal niet in elke periode hetzelfde en dat maakt het orgel in het algemeen tot een zeer uitdagend speeltuig. Dit alles vraagt van de organist het nodige inzicht in het nagestreefde klankconcept.

De bruikbaarheid van het Tholense instrument in de gemeentezangpraktijk wordt vergroot door de toegevoegde registers Cornet en Terts op het Hoofdwerk, de in bas- en discant gedeelde registers en de gedeelde manuaalkoppel. Bijzonder zijn ook de beide doorslaande tongwerken Hoboe en Chalcodion die zich op het Bovenwerk bevinden. Deze zijn in Nederland niet dik gezaaid. Doorslaande tongen komen in ons land nog het meest in harmoniums voor. De Chalcodion is overigens een ‘gewone’ doorslaande trompet die omwille van het talige onderscheid met de opslaande hoofdwerktrompet van een ietwat uitheems aandoende nomenclatuur is voorzien.

Het voert binnen het bestek van deze bespreking te ver om op alle orgelbouwkundige aspecten in te gaan. Ik verwijs daarom graag naar het door Willem van Twillert geschreven artikel in het januarinummer van De Orgelvriend. De geïnteresseerde lezer kan voor meer informatie over doorslaande tongwerken terecht op de website van Roeleveld Orgelbouw.

Eric Quist, vaste bespeler van het Van Oeckelen-orgel, presenteert en demonstreert zijn instrument in werken van Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Guilmant, Reger en Bunk. Daarnaast heeft hij een tweetal eigen koraalcomposities opgenomen.

Quist studeerde bij Bas de Vroome aan het Rotterdams Conservatorium en rondde daar zowel de eerste als de tweede fase met het predikaat cum laude af (gemiddeld eindcijfer: 9,5). In 1998 wist hij tijdens het Internationale Orgelconcours in Leiden de eerste prijs in de Categorie Barok in de wacht te slepen. In het dagelijkse leven is hij naast organist ook als ondernemer werkzaam in de schoenenbranche.

Eerlijk gezegd moest ik op bepaalde momenten even wennen aan Bach vanuit Tholen, persoonlijk houd ik van een meer briljante en transparante klank bij de werken van de Thomascantor. Gelukkig kan Bach tegen een stootje en klinkt alles absoluut muzikaal.

Het instrument zit echter duidelijk beter in zijn vel bij de vertolking van de overige werken. De beide 4 voets-fluiten soleren in het oorspronkelijk niet voor orgel gecomponeerde Spinnerlied van Mendelsohn-Bartholdy. Van dezelfde componist klinkt het Con Moto Maestoso uit Sonate III zoals het klinken moet: voornaam en deftig; in het Andante Tranquillo geven de twee 8 voets-prestanten, de Fluit travers en de Viola di Gamba op zangrijke wijze acte de présence.

Het Allegretto van Guilmant is een sfeerstuk pur sang, waarbij Quist de beide doorslaande tongwerken inzet om een echo-effect te verkrijgen. Van Reger klinkt het Choralvorspiel Seelenbräutigam (op het cd-hoesje en in het booklet zonder Umlaut gespeld) uit opus 67. De koraalvoorspelen uit deze bundel zijn aanzienlijk lastiger te spelen dan de koraalvoorspelen uit opus 79b en de alom bekende bundel opus 135a.

Het sluitstuk van de cd vormt de Einleitung, Variationen und Fuge über ein altniederländisches (op het cd-hoesje foutief als ‘altniederländisch’ gespeld) Volkslied van Gerard Bunk. De compositie over de melodie van het lied Hoe groot o Heer en hoe vervaerlick is door Bunk in een aan de koraalfantasieën van Max Reger en diens tijdgenoot Heinrich Reimann verwante vorm gegoten. Een magistraal werk dat ook de goedkeuring van Widor kon wegdragen en uitstekend als finalestuk op een concert of een cd dienst kan doen

Tot slot, ik was aangenaam verrast door de eigen psalmbewerkingen van Quist! Deze zijn van een zeer goed muzikaal gehalte en smaken naar meer. Psalm 149 opent met een ruim vijf minuten durende uitbundige en virtuoos uitgevoerde koraalfantasie waarin koraalregels worden afgewisseld door tussenspelen en cantus-firmus-passages. Een aantal ‘trompetsignalen’ mogen evenmin ontbreken. Het koraal is stijlvol geharmoniseerd, waarbij na enige tijd een tegenstem verschijnt. Psalm 84, die een 19e eeuwse sfeer ademt, begint met een koraalzetting, gevolgd door de prachtige Pastorale. Deze bewerking sluit met een knap gecomponeerde fuga. Dit is koraalwerk dat je niet even op een zaterdagmiddag doorspeelt om het de volgende zondag in de eredienst uit te voeren.

Het booklet bevat een curriculum vitae van de organist, een korte toelichting op de gespeelde werken, de dispositie en een weergave van de gebruikte registraties. Daarnaast beschrijft adviseur Dirk Bakker kort de lotgevallen van het orgel. Curieus is dat van de werken van Guilmant, Bunk en Quist de registraties niet staan vermeld. Blijkbaar moet men die als luisteraar zelf reconstrueren. Ondanks dat, en de slordigheidjes in het Duits, hoop ik dat Quist het welbekende spreekwoord over de schoenmaker en zijn leest flink aan zijn laars lapt en zo vaak mogelijk zijn orgelschoenen zal aantrekken. Met deze cd geeft hij een uitermate stijlvol visitekaartje af, zowel van zichzelf als van het schitterende orgel dat hij bespeelt. [ANDRÉ KRUIJF]

© orgelnieuws.nl 2005