12 december 2018

Heineman/Knol-orgel Martinuskerk Boazum gerestaureerd

 

Het Heineman/Knol-orgel (1791) in de Protestantse Martinuskerk te Boazum werd de afgelopen jaren gerestaureerd door orgelmakerij Bakker & Timmenga. Het orgel werd ondermeer hersteld van uitdrogingsschade en dispositiewijzigingen in de twintigste eeuw. Vrijdag 6 juli werd het orgel opnieuw in gebruik genomen.

Het orgel van de twaalfde-eeuwse Martinuskerk te Boazum is altijd als een belangrijk Fries orgel beschouwd. De historie van de voorbereiding van de bouw van het orgel van Boazum tot de ingebruikneming ervan is bijzonder.

 

Op 13 december 1783 werd het contract met de orgelbouwer Gotlieb Heineman getekend. Heineman begint ook aan het werk, maar vanaf juni 1785 worden de werkzaamheden overgenomen door Rudolf Knol.

 

Heineman is een tamelijk raadselachtige figuur. Toen de Boazumers contact met hem hadden, woonde hij in Leeuwarden. Als de contacten met hem verbroken worden, schijnt hij naar Amsterdam te gaan. Waar Heineman vandaan kwam weten we niet, evenmin is bekend hoe zijn leven in/na(?) Amsterdam verdergaat.

 

Van Rudolf Knol is veel meer bekend. Hij werd geboren in Oost Friesland ca. 1759. Als jongeman werkte hij als knecht van Dirk Lohman (Emden). Hij verhuist naar Friesland in 1785 en is dan korte tijd knecht van Heineman. Als zelfstandig orgelmaker wijdt hij zich aan onderhoud en nieuwbouw.

Van zijn capaciteiten getuigen niet allen het orgel van Boazum, maar ook de instrumenten van Wiuwert (1788), Zwartsluis (1797), Oosterwolde Gld. (1800) en Hasselt 1806. Knol overlijdt in Hasselt in 1818.

 

Knol heeft zich in Boazum niet beperkt tot het voltooien van een door Heineman begonnen instrument, maar hij heeft het concept naar zijn hand gezet. Onder meer wordt het vulstemmenbeeld gewijzigd (bij Heineman heeft het Hoofdwerk een Mixtuur en een Cornet, bij Knol alleen een Mixtuur; bij Heineman heeft het Rugwerk een Sexquialter, bij Knol een Mixtuur) en verandert de tongwerkbezetting op het hoofdwerk (die is bij Heineman Trompet 8’ en Vox Humana 8’, bij Knol Basson 16’ en Vox Humana 8’).

 

Het beeldwerk op de eiken orgelkassen werd uitgevoerd door de uit Italië afkomstige, maar in Leeuwarden gevestigde beeldsnijder Antonio Solaro. Pas zes jaar later is het orgel klaar. Op 29 juli 1791 werd het orgel in gebruik genomen.

 

In 1842 en 1843 wordt aan het orgel gewerkt door P.J.Radersma uit Wiuwert. Wat hij heeft gedaan is niet volstrekt duidelijk. In een dispositieopgave van 1857 heeft het orgel op het Hoofdwerk een Prestant 16’ discant en op het Rugwerk een Prestant 8’ discant. Het vermoeden bestaat dat deze pijpenrijen oorspronkelijk ‘meeliepen’ met respectievelijk Hoofdwerk-Prestant 8’ en Rugwerk-Prestant 4’. Misschien verandert Radersma ook de samenstelling van de Hoofdwerk-Mixtuur. Zeker is dat hij de Rugwerk-Mixtuur verwijderde en verving door een Viola di Gamba 8’.

 

In 1861 worden werkzaamheden verricht door L. van Dam. Die resulteren onder meer in het vermaken van de Hoofdwerk-Vox Humana tot een Trompet 8’.

 

De meest ingrijpende verandering ondergaat het orgel als Bakker & Timmenga er in 1911 aan werkt. Van de mechaniek wordt vervangen wat versleten is (draadwerk, winkelhaken); de oude balgen ruimen het veld voor een magazijnbalg; de schuifkoppel wordt veranderd in een koppel-met-knop. Maar ook het pijpwerk wordt onder handen genomen. Dat resulteert in opschuiven van pijpen, aanbrengen van expressions en bijmaken van nieuwe pijpen, maar ook in dispositiewijzigingen: de vermoedelijk door Radersma zelfstandig gemaakte discant-prestanten verdwenen, de Fluit travers 8’ van het Hoofdwerk stond zijn plaats af aan een Viola 8’ en de Nasart 3’ van het Rugwerk week voor een Viola 4’. De frontpijpen werden bestreken met aluminiumverf.

 

Minder ingrijpende werkzaamheden worden uitgevoerd in 1940 door Vaas en Bron (demontage en herplaatsing binnenwerk in het kader van de kerkrestauratie) en in de jaren 60 door Wim Eppinga.

Een deelrestauratie van het orgel vindt plaats in 1986. Orgelmakerij Bakker & Timmenga herstelt de windvoorziening en de Hoofdwerklade. Toegevoegd wordt de mogelijkheid de registerknoppen van de beide zestienvoets Hoofdwerkregisters in twee standen te gebruiken, waardoor men kan kiezen voor het klinken van deze registers over het gehele klavier of slechts van C tot c. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd onder advies van Klaas Bolt.

 

In 2002 komt een rapport van de hand van Jan Jongepier gereed. Het bevat aanvullingen op het rapport van Bolt uit 1975 en brengt in kaart hoe de tweede fase van de restauratie gestalte zou kunnen krijgen. Deze tweede restauratiefase krijgt zijn beslag in 2011 en 2012 en wordt uitgevoerd door Orgelmakerij Bakker & Timmenga te Leeuwarden. Aanvankelijk treedt Jan Jongepier op als adviseur. Nadat ziekte dit hem onmogelijk maakt, wordt zijn taak overgenomen door Theo Jellema.

 

Het orgel wordt (voor zover dit in het kader van de eerste fase nog niet was gebeurd) technisch geheel gerestaureerd. Dit behelsde herstel/reconstructie van de orgelkassen, de kanalen en de tremulanten, aanvulling van beenbeleg op de klavieren, het maken van een nieuw pedaalklavier, het opnieuw bekleden van de orgelbank, het reviseren en terugbrengen in de stijl van Knol van de mechanieken en geheel nieuw maken van de pedaalmechaniek. De schuifkoppel keert terug. Van reconstructie van de vier spaanbalgen is afgezien; de magazijnbalg uit 1911 is gehandhaafd.

 

De dispositie is waar mogelijk hersteld naar de situatie 1791. Op het Rugwerk zijn daarom de Quint 3’ (de door Eppinga opgeschoven Viola 4’ van 1911) en de Viola di Gamba 8’ (Radersma, 1843) voor een nieuwe Nasart 3’ en Mixtuur.

Op het Hoofdwerk verdween de Viola 8’uit 1911. Deze Viola had de plaats ingenomen van een Fluit travers 8’. Omdat niet bekend is hoe Knol dit register maakte, is ervoor gekozen op deze sleep de waardevolle Viola di Gamba 8’ die Radersma voor het Rugwerk maakte te plaatsen; het groot octaaf is aangevuld.

De Hoofdwerk-Mixtuur herkreeg zijn oorspronkelijke samenstelling (geheel 5 sterk, was vóór de restauratie 2-3-4 sterk), die uit sporen te reconstrueren bleek te zijn. De niet meer aanwezige discant-prestanten op hoofd- en rugwerk (respectievelijk 16’en 8’) zijn niet gereconstrueerd.

De frontpijpen is van aluminiumverf ontdaan en nu met tinfolie beplakt; de labia zijn opnieuw verguld. Het snijwerk van het orgel is gerestaureerd door Tico Top, schilderwerk is verricht door Ane Lanting.

De oorspronkelijk aanwezige toonhoogte van het orgel (in het ingebruiknemingsverslag in de ‘Boekzaal’ als ‘Choortoon’ vermeld) was in 1911 (of eerder) ‘genormaliseerd’, en is nu vastgesteld op 457 Hz bij 16 graden Celsius). Een groot aantal pijpen kreeg daardoor als vanzelf zijn goede plaats terug.

 

Een verrassing bleek de aanwezigheid van de registernamen op de door Van Dam in 1861 aangebrachte plaatjes. Deze plaatjes bleken in 1940 niet te zijn vervangen, zoals lang was gedacht, maar alleen te zijn overgeschilderd. Gekozen is voor het verwijderen van de overschildering. Omdat de aanwezigheid van deze plaatjes pas laat werd vastgesteld, zal het nog enige tijd duren voordat de Van Dam-belettering terugkeert (met enige wijzigingen die door het dispositieherstel noodzakelijk zijn geworden). De in de ‘Boekzaal’ beschreven situatie (‘De Registers Knoppen zyn van zwart Ebbenhout, en aan ’t einde van dezelve zyn op Tinnen Plaatjes de namen der Registers ingegraveert’) keert dan ook niet terug. [THEO JELLEMA]

 

 

Dispositie

 

Hoofdwerk I – C-f3

Bourdon 16

Prestant 8

Roerfluit 8

Viola di Gamba 8 – Radersma, 1843

Octaaf 4

Gemshoorn 4

Quint 3

Superoctaaf 2

Mixtuur V – deels 2012

Basson 16 B/D

Trompet 8 – bekers Van Dam, 1861

 

Rugwerk II – C-f3

Holpijp 8

Prestant 4

Fluit does 4

Nasart 3 – 2012

Woudfluit 2

Mixtuur III – 2012

Dulciaan 8 B/D

 

Pedaal C-d1

aangehangen

 

Werktuiglijke registers

Afsluiter Hoofdwerk

Afsluiter Rugwerk

Windlozing

Manuaalkoppel – schuifkoppel

Pedaalkoppel [Hoofdwerk]

Tremulant Hoofdwerk

Tremulant Rugwerk

 

Samenstelling vulstemmen

 

Mixtuur V – Hoofdwerk

C: 2 2/3 – 2 – 1 3/5 – 1 1/3 – 1

c0: 2 2/3 – 2 – 1 1/3 – 1 1/3 – 1

c1: 4 – 2 2/3 – 2 2/3 – 2 – 1 1/3

g2: 4 – 2 2/3 – 2 2/3 – 2 – 2

 

Mixtuur III – Rugwerk

C: 1 1/3 – 1 – 4/5

c1: 2 2/3 – 2 – 1 3/5

 

Toonhoogte: a1 = 457 Hz bij 16 graden Celcius

Stemming: naar Neidhardt

 

© 2012 www.orgelnieuws.nl

© 2012 fotografie www.gerardvanbetlehem.nl

X