15 augustus 2018

Het Orgelmakersgeslacht Müller te Reifferscheid

Van Dam in Friesland, Anneessens in Vlaanderen, Stiehr en Callinet in de Elzas: in de negentiende eeuw waren er verschillende orgelmakersfamilies die, wel drie of vier generaties lang, een landsteek met hun instrumenten opfleurden. In de Eifel was dit de familie Müller.

Stamvader van dit orgelmakersgeslacht was Johann Hubert Müller, schrijnwerker en molenaar van de slotmolen (een houtzager) in Reifferscheid. Zijn oudste zoon Paul nam de schrijnwerkerij over en bouwde in 1803 zijn eerste orgel in het nabijgelegen Dreiborn. Waarschijnlijk had hij het vak geleerd bij de Gebr. Schauten in Jüchen – waar de heer van Reifferscheid een kasteel bezat. Want als in 1824/26 twee van deze broers overlijden, neemt hij klanten over en komt zijn orgelmakerij op gang¹.

Niet veel later gaan Pauls zonen, Josef, Christian en Michael meewerken in het bedrijf. En het zijn de kinderen van de oudste twee die de orgelmakerij nog een generatie voortzetten. Totdat tijdens de Eerste Wereldoorlog, door het overlijden van de jongste kleinzoon, Eduard, de zaak ten einde komt.

 

Dit is te lezen in ‘Het Orgelmakersgeslacht Müller’, een boek dat in 2011 is geschreven door dr. Frans Jespers en is uitgegeven door de Stichting Samenwerkende Orgelvrienden Limburg (SOL). Destijds is het op ORGELNIEUWS al gesignaleerd. Maar graag breng ik het hier nogmaals, wat uitvoeriger, onder de aandacht.

Ondernemend
Het eerste dat in dit boek duidelijk wordt, is dat de Müllers ondernemend waren: vele offertes zijn door hen opgesteld, waarvan er ruim 200 zijn uitgevoerd. Men wist de kosten laag te houden door in te kopen bij plaatselijke leveranciers en door onderdelen van oude orgels (zoals in Mechelen en Hillesheim) opnieuw te gebruiken; de kosten werden bovendien gedrukt doordat de bouwers van de derde generatie, op de oudste na, ongetrouwd waren.

Dankzij degelijk werk en een snelle levertijd – van gemiddeld een jaar, kon de orgelmakerij concurrenten de baas blijven² en uitgroeien tot een middelgroot bedrijf, waarvan de werkzaamheden zich uitstrekten van Luxemburg en de Eifel, via Eupen en Zuid-Limburg, tot in het Rijnland ten noordwesten van Keulen.

Conservatief
Het tweede dat blijkt is, dat de Müllers hun bouwstijl in de loop der jaren hebben gewijzigd. Spaanbalgen en staartklavieren werden ingewisseld voor magazijnbalgen en balansklaveren (1855/75), de mechanische voor een pneumatische tractuur (1890). De lade verloor haar hoge geluiden (1843) en het pijpwerk kreeg baarden en expressions (1870/80), waardoor de heldere König-klank (een mengsel van Midden-, Zuid-Duitse en Elzasser elementen) veranderde in een strijkend, romantisch geluid.

Ondanks deze veranderingen waren de gebroeders tamelijk conservatief: als rond 1860 de klavierdeling allang tussen bº en c’ ligt, beginnen hun Fernflauten en Cornetten – volgens Keulse traditie – nog steeds op gº; en als rond 1890 menig bouwer al lang geen Quint of klassieke Mixtuur meer maakt, geeft Eduard ze nog een plek in zijn pneumaten – die wel netjes een generaal-crescendo, vaste combinaties en octaafkoppels bezitten, maar geen zwelkast of tremulant …

Experimenteel
Het derde dat in Jespers boek aan het licht komt is, dat de Müllers het experiment niet schuwden. Een orgel als Wijlre (1862) krijgt een klavieromvang van C-g3 in plaats van C-f3; Merkstein en Müntz (1843) zelfs C-c4. Ook met de winddruk wordt flink ‘gerommeld’: in 1843/44 krijgt Eys 65 mm, Schaesberg wel 75 mm wk. En in 1847 (hetzelfde jaar als Clerinx!) krijgen de gebroeders patent op een Doublettensystem: een transmissielade waardoor registers op twee klavieren tegelijk kunnen klinken; in sommige orgels krijgen deze registers zelfs drie ventielen, zodat ze op elk manuaal afzonderlijk kunnen worden gebruikt.

Orkestraal
Boeiend om te lezen is met hoeveel variatie de Müllers pijpen maakten. Rond 1850 hanteerde men twee mensurenschalen voor de prestanten (Hoofdwerk breder dan Positief), drie voor de strijkers (Violon, Salicional, Gamba), vier voor de gedekten (Subbaß/Hohlflaute, Bourdon, Gedackt, Flautino), en maar liefst zes (een Keulse eigenaardigheid?) voor de conische pijpen (Gemshorn, Flauto Dolce, Flaut Travers, Fernflaut, Quint). Met Trompet, Cornet, een doorslaande Euphon of opslaande Hautbois en stevige zestienvoeten in het Pedaal erbij, kregen hun orgels een orkestrale allure, uitmuntend geschikt voor de begeleiding van het kerkkoor in de ‘Pastoral’- en ‘Landmessen’, van de samenzang in de ‘Deutsche Singmessen’ – en voor het spelen van stemmige intermezzo’s.

Iversheim (1856) | foto uit besproken boek

Kasten

Ook gevarieerd is de vormgeving van de kasten. Die van vader Paul met hun König-achtige pilasters in Weyer (1830) en Bracht (1832) zijn klassiek; maar in Merkstein (1843) en in Müntz (1843) zijn ze versierd met neogotisch snijwerk.

Die van de zonen spreken tot de verbeelding door hun brede middenvelden, welvend³ zoals in Schaesberg (1843) en Brunssum (1857), trapeziumvormig zoals in Iversheim (1856) en Wijlre (1862), of plat zoals in Walhorn (1859) en Waubach (1877).

Het meubilair van de derde generatie is doorgaans gemaakt in een neostijl, zoals in Bissen (1891) en Wormeldingen (1894); maar ook dat boeit, zelfs als het, zoals in Biwer (1898) en Moutfort (1901), is vervaardigd volgens een Musterprospekt van Laukhuff.

Speeltafel in Heimerzheim (1852). Müller-kenmerken zijn de zwarte ondertoetsen met ebbenhout, het ietwat uit de kast stekend bovenklavier (hoofdwerk), de om de bakstukken heen doorlopende lat, en het klavierdeksel dat tevens als lessenaar dienst doet. De rondhoekige, afsluitbare opbergbank is door de Müllers toegevoegd rond 1890. | foto uit besproken boek © T. Reijnaerdts

Waardering
De orgels van de Gebr. Müller vielen goed in de smaak. In een brochure uit 1845 van het Pruissische Provinciekantoor in Keulen wordt de firma aanbevolen voor het bouwen van kleine tot middelgrote orgels. En in rapporten wordt hun werk geprezen als ‘voortreffelijk goed’ (Brunssum), ‘solides et d’une bonne intonation’ (Wijlre), en ‘ein wirkliches Kunstwerk’ (Bissen).

Het is daarom des te verbijsterend dat van hun instrumenten nog maar een fractie over is: tussen 1880 en 1980 zijn er zo’n 40 verbouwd en maar liefst 135 verwoest, vervangen of verdwenen; slechts een dertigtal orgels is in originele staat bewaard gebleven.

Boek
Gelukkig is na 1980 de waardering voor het werk van de Gebr. Müller teruggekeerd: het boek van Jespers is er een voorbeeld van. Het is ingedeeld zoals zijn publicatie over Pereboom en Leijser (1998): na hoofdstukken over de negentiende eeuwse muziekcultuur en de geschiedenis en werkwijze van het bedrijf, volgen een foto-overzicht met beschrijving van de orgels, een bibliografie en een register. Maar het Müller-boek is, dankzij een harde kaft, kleurenfoto’s en een klassieker lettertype, aangenamer om ter hand te nemen.

Cd

Het boek wordt vergezeld door een cd waarop vier Müller-orgels te beluisteren zijn: die van Eys (1844), Kerkrade (1848), Mechelen (1851) en Wijlre (1862/75). Wijlre (27/IIP) klinkt, dankzij het vele 18e eeuwse pijpwerk, soms expressief als een König. Kerkrade (34/IIP), het grootste opus dat is overgebleven, klinkt wat stroef. Mechelen 24/IIP) en Eys (15/IIP) daarentegen, met hun scala aan fluiten en strijkers – versluierd en toch klassiek, bijzonder aangenaam.

De instrumenten worden, met muziek van Muffat, Bach, Haydn, Mendelssohn, Liszt en Rheinberger, prima voor het voetlicht gebracht door Jo Louppen, stadsorganist van Kerkrade. Slechts jammer dat er, net als bij Pereboom, geen tweede schijfje is toegevoegd: daardoor zouden nog meer mooie Müllers – zoals Walhorn (1859) en Bissen (1891) –  te horen zijn geweest en zou het klankbeeld completer geworden zijn.

Reifferscheid
Het boek en de cd zijn nog verkrijgbaar en de moeite waard om aan te schaffen. En wellicht is Reifferscheid de moeite waard om eens te aan te doen, als u in de buurt bent. De molen van de Müllers, langs de plaatselijke beek, is verdwenen; maar de panden waar ze woonden en werkten, ter weerszijden van de Oostpoort, zijn er nog.

Reifferscheid

 

________

¹. Mededeling van Clemens Oomen.
². Jespers noemt onder meer: Fam. Stumm (Z.Eifel), H.W. Breidenfeld (Trier), A. Clerinx (St.Truiden/Luik), J. Klais (Bonn), F.W. Sonreck, E. Seifert (Keulen), Fam. Koulen, W. Korfmacher (NW.Rijnland), G. Stahlhuth (Aken), Pereboom & Leijser (Maastricht), en bovendien drie andere Müllers die in dit gebied werkzaam waren: een Johann uit Viersen, een Johann Josef uit Niederehe, en een A. Müller uit Angermund.
³. Wellicht vervaardigd naar voorbeelden uit het Rijnland (mededeling van Clemens Oomen).

 


Frans Jespers

Het orgelmakersgeslacht Müller te Reifferscheid

Samenwerkende Orgelvrienden Limburg, Baexem, 2011 – ISBN 978-90-814889-0-7, 228 pagina’s, gebonden, hardcover, prijs € 20,00

De cd ‘Müller-orgels in Zuid-Limburg bespeeld door Jo Loupen’ kost € 10,00

Prijzen zijn exclusief verpakkings- en verzendkosten | bestellen: stichting-sol.nl

 

 

X