Snitger/Freytag-orgel Bellingwolde gereed na restauratie van innerlijk en uiterlijk

Het Snitger/Freytag-orgel in de Magnuskerk te Bellingwolde is in de afgelopen twee jaar gerestaureerd door Elbertse Orgelmakers, schrijnwerker Tico Top en schilder Appie Veenstra. Zondag 13 september kon het eindresultaat aan het publiek worden gepresenteerd. Adviseur Stef Tuinstra doet verslag van de restauratie.

In de afgelopen twee jaar heeft een restauratie plaatsgevonden van het fraaie authentieke orgel (1797) van Frans Caspar Snitger Jr. en Heinrich Hermann Freytag in de oude Magnuskerk van Bellingwolde (Oost-Groningen).

Het werk is uitgevoerd door Koninklijke Elbertse Orgelmakers BV te Soest onder advies van Stef Tuinstra. Vorig jaar was het technische- en klankdeel van het werk grotendeels gereed en is het orgel op 12 juli 2019 feestelijk in gebruik genomen met een klankdemonstratie en klein concert door Stef Tuinstra.

Echter, het werk aan het complete uiterlijk van zowel de orgelkast, het orgelbalkon als het lofwerk inclusief het opnieuw poetsen en vergulden van de frontpijpen moest nog gebeuren. Naast het nog resterende orgelmakers werk heeft Tico Top (Kruisweg) het snijwerk gerestaureerd alvorens de oude kleurstelling kon worden aangebracht. Appie Veenstra (Westervelde) heeft daarna het schilder- en verguldwerk verricht.

Op zaterdag 18 april van dit jaar zou een tweede presentatie hebben plaatsgevonden met opnieuw een klankdemonstratie van Stef Tuinstra en daarna een concert door Winfried Dahlke van het Organeum te Weener, waar de concertcommissie te Bellingwolde ook nauwe contacten mee onderhoudt.

Vanwege de coronacrisis kon dit evenement helaas geen doorgang vinden maar is inmiddels al wel op digitale wijze aandacht aan het instrument besteed. Met het eerste concert in coronatijd door Winfried Dahlke op zondag 13 september jl. is het nu geheel herstelde orgel publiekelijk gepresenteerd.

Orgelbalkon met schild en lofwerk | © foto Stef Tuinstra

Beknopt historisch overzicht

  • Het orgel werd op 14 januari 1798 ingewijd en is toen bespeeld door organist, klokkenist en orgeladviseur Johannes Henricus Tammen. 
  • In 1822 voerde Johan Wilhelm Timpe een herstelling uit voor f 75,00. 
  • Van 1838 tot 1867 was het onderhoud ondergebracht bij de fa. Lohman, respectievelijk Gerhard Willem, Hendrik Berend en Nicolaas Anthonie Gerhardus Lohman. 
  • Nadien nam Roelf Meijer het onderhoud over en herstelde het instrument in 1874. Ook werd het orgel toen zwart geschilderd, het lofwerk wit met enkele goudaccenten. 
  • In 1891 restaureerde de firma P. van Oeckelen en Zn het orgel. 
  • In 1931 was het de beurt aan de NV Van Dam te Leeuwarden (J.H. van der Bliek). Diverse wijzigingen werden aangebracht, twee registers werden vervangen, het bovenwerk werd in een zwelkast geplaatst, de winddruk werd verhoogd en er werd wel bij geïntoneerd maar gelukkig niet zo dat het klankkarakter volledig veranderd werd. Het gehele meubel werd ook afgeloogd zodat sindsdien een naturel eiken kleur was ontstaan. Sindsdien waren veel details van het fraaie lofwerk niet meer goed zichtbaar, maar oogde het orgel ondanks dat toch nog altijd mooi. 
  • In 1990 was het orgel in deplorabele toestand. Een grote restauratie werd in 1992 uitgevoerd door Albert de Graaf met Stef Tuinstra als adviseur. De twee in 1931 vervangen registers Sesquialter en Dulciaan werden gereconstrueerd, de oorspronkelijke toonhoogte en de (in o.a. de frontpijpen teruggevonden) barokstemming werden hersteld. Onno Wiersma was destijds rijksadviseur en hij heeft de fraaie stemming geanalyseerd, daarin geassisteerd door Stef Tuinstra. Sindsdien geldt het orgel als een van de fraaist bewaarde Snitger/Freytag-orgels (derde generatie Schnitger-school) en is ook de internationale belangstelling voor het instrument groot. Het Organeum in Weener (Ostfriesland) maakt er ook veelvuldig gebruik van.
Het Schnitger/Freytag-orgel voor de recente restauratie | © beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Na de restauratie van 1992

Al vrij snel na die restauratie kwamen er problemen met de slepen die in droge weersomstandigheden regelmatig vastliepen. De mechanieken waren in 1992 niet gerestaureerd maar gerepareerd, bij de windvoorziening was er een van de drie balgen aangesloten op de motor en ‘liep er één mee’. Dat was zo aangesloten omdat de derde balg sinds 1931 een pompboom miste toen er een windmachine werd aangebracht. Door de tijd heen werd de mechaniek heel lawaaiig, de motor was iets te klein van vermogen en het motorlawaai was groot, het orgel werd vuil en de intonatie was hier en daar ook iets verlopen. 

Rapporten

Na het overlijden van Albert de Graaf had Elbertse Orgelmakers te Soest het bedrijf van De Graaf overgenomen en dus ook het onderhoud. In 2018 werd een onderzoek verricht door adviseur Stef Tuinstra en schreef hij het eerste rapport. Daarin werd al vooruitgekeken naar aanvullende planopties indien er zich nog meer mogelijkheden zouden voordoen. 

Naderhand bleek dat ook en werd een aanvullend rapport gemaakt waarin het complete werk over drie fasen werd verdeeld die goed gestructureerd en aaneengesloten konden worden uitgevoerd. Dit was tevens nodig om de subsidiestromen te kunnen ‘bedienen’ (zie verderop).

Er is aanvankelijk dus begonnen met een grootonderhoudsplan. Het contract met offerte voor die later als eerste fase (SIM) aangemerkte werkzaamheden was getekend op 5 maart 2018. Naderhand zijn daar als gevolg van de zich gunstig ontwikkelende externe financieringsmogelijkheden, extra werkzaamheden aan de windvoorziening bijgekomen, als ook het integrale herstel van de kleurstelling.

Drie fasen

Een stelpost in de aanvankelijke eerste fase begroting (groot herstel van de windladen) bleek gelukkig niet te hoeven worden uitgevoerd en is toen doorgeschoven naar de tweede fase, maar dan als werk aan de windvoorziening (balgen). Dat werk had ook niet meer het karakter van groot onderhoud, maar kon worden geduid als restauratie. Vandaar dat dit onderdeel bij de tweede fase aanvraag werd gevoegd.

Het werk van de drie afzonderlijke fasen was heel precies gesplitst zodat er geen sprake kon zijn van dubbel werk. Wel is er qua tijdspad het benodigde werk-in-uitvoering van het ene en het andere contract in elkaar geschoven. Dit omwille van een zo efficiënt mogelijke tijdsbesteding en daarmee het kunnen drukken van onnodige extra kosten zoals de- en remontage en reis- en verblijfkosten. De beide fasen waren zodanig opgezet dat het voor de orgelmaker relatief eenvoudig was daar de bijpassende nota’s voor in te dienen. Dit was ook nodig om een goede en overzichtelijke eindverantwoording aan de subsidiënten te kunnen overleggen. 

Het werk van de tweede en derde fase is na enig nawerk op 31 juli 2020 opgeleverd. Het grootonderhoudswerk van de eerste fase is gesubsidieerd als onderdeel van het zesjarige SIM-onderhoudsprogramma voor de kerk. Het gesplitste werk van de eerste fase was in het advies van de Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) aan de Gemeente Westerwolde in het kader van de vergunningverlening voor de tweede en derde fase tevens in orde bevonden. Die tweede en derde fase zijn dus als restauratiewerk uitgevoerd volgens een bij de Provincie Groningen (GRRG-2019) ingediend plan. De gemeentelijke vergunning door de gemeente Westerwolde werd op 28 mei 2019 verstrekt.

Beste staat van onderhoud

Al het werk was er op gericht het al zo oorspronkelijke orgel niet alleen qua techniek en klank in de beste staat van onderhoud terug te brengen maar dus nu ook voor wat betreft de windvoorziening en de kleurstelling. Er is daarbij zo weinig mogelijk gewijzigd en zijn er ook zoveel mogelijk oude materialen gehandhaafd in plaats van vernieuwd. 

Het zich al jaren voordoende probleem van vastlopende slepen bij droge omstandigheden is verholpen door op de pijpstokken en op de sleepbanen van de windladen liegelind ringen aan te brengen. Alle slepen en de registermechaniek ervan zijn daarna opnieuw ingeregeld. Zodoende functioneren de registers nu in alle weersomstandigheden weer naar behoren.

Ook is zowel het lawaai van de mechanieken als ook de stabiliteit van de afregeling ervan naar het authentieke niveau teruggebracht. De oude souplesse van het toucher is weer terug en het orgel laat zich nu veel beter bespelen. Allerlei details waar in 1992 niet aan is gewerkt zijn nu wel aangepakt. Ook zijn er diverse kleine stabilisaties aangebracht die deels waren verdwenen of nu deels zijn toegevoegd.

Detail klaviatuur | © foto Stef Tuinstra

De derde oude balg is ook in functie gebracht en is daartoe onder andere een nieuwe pompboom bijgemaakt. Er kan nu er weer als vanouds worden getreden zonder een windmachine. Er is een geheel nieuwe motorvoorziening gemaakt, nu ook met een frequentieregelaar, zodat de motorwind qua windkarakter en qua omgevingslawaai veel rustiger is. Ondanks al deze kleine ingrepen bleef de wind van het Bovenwerk iets te flakkerig en is aldaar reversibel een klein schokbalgje bijgemaakt.

De oude windvoorziening is qua werking echter nog altijd heel flexibel ademend zoals dat bij dit soort orgels juist zo hoort, maar is nu wel rustiger dan voorheen. Dit komt de klank nog meer ten goede. De beide tremulanten (opliggend en inliggend) zijn opnieuw ingeregeld en eveneens stiller in werking.

De klank van het orgel was al prachtig door de vorige restauratie in 1992 door Albert de Graaf. Die klank is daarom slechts in technische zin hier en daar geretoucheerd zodat alle pijpen nu weer goed aanspreken. Aan het al zo fraaie klankkarakter, de winddruk en de in 1992 teruggevonden originele barokstemming is juist niets veranderd.

Bijna gelijkzwevend

De toegepaste barokstemming is een bijna ‘gelijkzwevende stemming’ maar dan op basis van kwinten die 1/6 komma zweven. De meesten zwevingen zijn z.g. ‘onderzwevingen’ en dus kleiner gestemd dan rein, maar er zijn ook twee quinten die, zoals dat heet, ‘overzweven’ en dus groter zijn gestemd dan rein. Slechts twee kwinten zijn rein gestemd.

De stemming lijkt sterk op de die van de beroemde Saksische orgelmaker Gottfried Silbermann die Bach goed gekend heeft. Alleen is in Bellingwolde de zgn. ‘wolf’ eruit gehaald zodat er een complete ‘gesloten ‘Wohltemperierte’ stemming was ontstaan waarmee in alle toonsoorten gespeeld kan worden, alhoewel er wel toonsoorten bij zijn die tamelijk wrang klinken. Maar dat was nu precies de bedoeling om heftige affecten als woede en strijd e.d. uit te drukken.

Een unieke stemming die duidelijk maakt hoezeer in de dorpsorgels van destijds de oude stemmingscultuur in Groningen onder invloed van invloedrijke organisten en orgeladviseurs als Lustig, Tammen en Nieborgh nog zeer levendig was. 

Elektrische voorziening

Ook was het nodig om de elektrische voorziening geheel te vernieuwen met de modernste materialen. De verlichting van het orgel, zowel van de klaviatuur als de binnenverlichting, is nu zodanig aangebracht dat er te allen tijde een goede en ook fraaie lichtvoorziening is die aan alle praktische behoeften voldoet. Ook de aanlichting is gewijzigd en is nu aanzienlijk fraaier, sfeervoller en energiezuiniger dan voorheen.

Klaviatuur en orgelbalkon met lezenaar | © foto Stef Tuinstra
Facelift

Het kerkinterieur heeft in tussentijd ook een facelift ondergaan, is onder meer geheel opnieuw gesausd en is ook het schilderwerk aan banken en het balkon aan de andere zijde van de kerk hersteld.

Dit soort werkzaamheden kunnen echter wel gevolg hebben voor de akoestiek van de ruimte, negatief maar ook positief. Daarom is er aanvullend een akoestisch rapport gemaakt door kerk- en orgelspecialist Henk Kooiker. Uit de metingen is gebleken dat in een lege ruimte de nagalm met bijna een seconde is toegenomen. Het karakter van de verhouding tussen lage en hoge frequenties is echter nauwelijks gewijzigd t.o.v. de situatie voorheen. Met een bezetting vanaf circa twintig personen en meer is de akoestiek ongeveer gelijk als voorheen. Verrassend was ook dat de (aan- dan wel afwezigheid van de) liturgische wandkleden aan de zuidmuur nauwelijks verschil maakte. Wel hebben de kussens in de banken invloed, met name op de demping van de nagalm.

Ook het kerkinterieur heeft een facelift ondergaan | © foto Stef Tuinstra
Kleurherstel

Er bevonden zich allerlei oude kleurresten op het orgel die van 1797 en 1874 dateren. Die kleuren waren in 1931 vrij grondig afgeloogd. Sindsdien oogde het orgel als naturel blank eiken dat in de was gezet. Toch waren kleurresten op een aantal plekken nog goed zichtbaar.

Om meer over de oorspronkelijke kleuren en de samengang daartussen te weten te komen is er, o.a. in samenwerking met de RCE, een uitvoerig kleuronderzoek uitgevoerd en zijn daarbij, ondanks de weinige overgebleven restanten vanwege het grondige werk in 1931, frappante ontdekkingen gedaan die zijn vastgelegd in uitvoerige rapporten. 

Zo was de eiken orgelkast mahonierood gekleurd geweest. Het snijwerk bleek niet geheel verguld te zijn maar was van een z.g. gelaagde (gepatineerde) vergulding voorzien. Er was namelijk een groene basiskleur in de diepere lagen van het lofwerk aangetroffen.

Eerst was er dus een olijfgroene ondergrond aangebracht, toen is er deels verguld, vervolgens zijn de dieper gelegen delen met gebrande omber bijgekleurd en met het groen vermengd; daarna zijn de toppen van de bladeren naverguld. Zodoende is het verguldingseffect rustig, ingehouden en verfijnd maar ook heel plastisch met veel dieptewerking waarbij de details op zowel korte als lange afstand goed zichtbaar blijven.

De gesneden muziekinstrumenten bleken hun natuurlijke kleuren te hebben gehad en het onder gestel van het orgelbalkon was in zwarte en rode imitatiemarmer geschilderd. Dit alles is nu weer opnieuw aangebracht. Op de muziekboekjes van het lofwerk waren muzieknoten aangebracht die in 1874 vrij primitief waren overgeschilderd. Deze zijn nu gereconstrueerd. Daarbij zijn noot- en tekstsjablonen gebruikt uit een psalmboek van 1775 uit Loppersum dat in bezit is van Stef Tuinstra. De bijbehorende psalmteksten zijn zodanig uitgekozen dat ze passen bij het desbetreffende instrumenttrofee. 

Tezamen met de kleuren van het gehele orgelmeubel zijn ook de frontpijpen schoongemaakt, hersteld en gepoetst en zijn de labia van nieuw bladgoud voorzien. Het complete aanzien is zo in dezelfde tijd in oorspronkelijke zin hersteld en kan als zodanig ook weer verouderen en als vanzelf een nieuw evenwichtig patina krijgen.

Fondswerving

Dat men nu ook kan zíen dat het orgel is gerestaureerd is heden ten dage een factor die ook met betrekking tot de exploitatie en gevraagde historische ‘beleving’ steeds belangrijker wordt. Dat er, mede als gevolg daarvan, wel met vier subsidiestromen gewerkt moest worden die alle vier een eigen ambtelijke benadering en administratie vergden was wel een tamelijk heftige taak waarvoor de Stichting fondswerving kerkelijk erfgoed Protestantse Gemeente Bellingwolde zich gesteld zag.

Dat had mede tot gevolg dat het werk aan de kerk en aan de orgelkleuren helaas na het technische binnenwerk moest plaatsvinden. Gelukkig is er in de tussentijd geen schade opgetreden door extra vochtinwerking. Een en ander werd nauwkeurig gemonitord en de gemiddelde waarden werden niet overschreden omdat er in deze (winter)periode een beetje bij verwarmd is.

De totale kosten waren 212.600 euro. Daarvan hoefde het kerkbestuur, geflankeerd door een aparte stichting voor de fondswerving, uiteindelijk slechts 4.500 euro bij te dragen. Alle overige kosten konden uiteindelijk met externe financiering betaald worden. Omdat het kerkbestuur een groter orgelfonds bijeen had gespaard kreeg men daardoor de ruimte om tegelijkertijd ook het kerkinterieur aan te pakken omdat dat werk niet subsidiabel was en daarnaast een orgelfonds te behouden om het toekomstige orgelonderhoud te kunnen betalen.

Van dat onderhoud wordt 50% door het rijk gesubsidieerd d.m.v. het SIM, de overige 50% is de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Zodoende zijn zowel de kerk als het orgel weer voor vele decennia in uitstekende conditie en drukken de kosten van het orgel niet of nauwelijks op het kerk gemeentelijke pastoraat etcetera.

Rijk en chique

Het aanzien is nu rijk en chique maar niet overdadig en doet de classicistische architectuur van het meubel weer volledig tot haar recht komen. De klank is van dezelfde orde en van een uitzonderlijk hoog niveau. Eindelijk is na 28 jaar het orgel niet grotendeels maar nu als geheel duurzaam hersteld, zowel innerlijk als uiterlijk. De fenomenale fluwelig-zangerige klank van dit orgel is nu ook weer gecombineerd met haar fraaie uiterlijk zodat de historische beleving nu weer optimaal is. Men kan nu weer zien wat men hoort en horen wat men ziet! 

Registratuur linkerzijde | © foto Stef Tuinstra
Registratuur rechterzijde | © foto Stef Tuinstra

Dispositie

Alle registers zijn van 1797 behoudens de Dulciaan 8 en de Sexquialtera die van 1992 dateren.

Manuaal C-f3
Prestant 8
Bourdon 16
Holpijp 8
Octaaf 4
Speelfluit 4
Quint 3
Octaaf 2
Mixtuur III-VI bas/discant
Trompet 8
Dulciaan 8 

Bovenwerk C-f3
Prestant 4
Roerfluit 8
Gedekt Fluit 4
Nasat 3
Woudfluit 2
Sexquialtera II-III bas/discant
Vox Humana 8

Pedaal C-d1
Aangehangen 

Werktuiglijke registers
Schuifkoppel Manuaal-Bovenwerk
Tremulant hele werk (opliggend)
Tremulant inliggend (Bovenwerk)
Twee afsluiters
Windlossing

Windvoorziening: drie spaanbalgen met origineel pompboom- en windkanaalsysteem. Alle drie balgen zijn nu aangesloten op de motor; er kan tevens worden getreden. 
Winddruk: 71 mm
Toonhoogte: a1 = 460 Hz (1/4 toon boven normaal, de z.g. ‘netto koortoon’)
Stemming: originele Snitger/Freytag stemming – 1/6 komma middentoon met twee overzwevende 1/6 komma- en twee reine quinten.

De Vox Humana is overdekt met een dun eiken klankkastje met open zijwanden.

De frontpijpen zijn van vrijwel geheel tin, de frontpijpen zijn voor ca. 2/3 deel sprekend. De Gedektfluit 4 voet is in het bovenste octaaf open cilindrisch, de wijde open Woudfluit 2 voet is in het groot octaaf gedekt.

De samenstelling van de Mixtuur in de bas is hoog vanaf 1 1/3 voet (destijds t.b.v. de tussenspelen tussen elke zangregel), vanaf c1 een lagere samenstelling vanaf 4 voet met terts 3 1/5. De discant van de mixtuur werd destijds als laatste in het plenum bijgetrokken en is mede bedoeld om bij de gemeentezang geoctaveerd bespeeld te worden. De Sexquialtera is een tertsmixtuur zoals bij Hinsz, op C 2/3 en 4/5 voet op c1 2 2/3 – 2 – 1 3/5 voet.

© fotografie Stef Tuinstra