BLOG Orgelreis ‘Van Scherer tot Sauer’ [ 3/4 ]

De rijk bewerkte klaviatuur in Waltershausen

Jaarlijks organiseert Stichting Groningen Orgelland een meerdaagse orgelreis. Dit jaar gaat de reis onder het thema ‘van Scherer tot Sauer’ naar Berlijn, Gotha en omgeving. De Utrechtse musicologe Mieke Breij is een van de deelnemers. Voor de thuisblijvers houdt zij op Orgelnieuws.nl tot en met zaterdag 27 september een reisblog bij. Vandaag: dag 3 en 4.

 

Donderdag 25 september 2014 – dag 3 – Het was al weer vroeg dag in Brandenburg, maar dat vroege opstaan hadden we er wel voor over omdat ons belangwekkende orgels in Naumburg en Merseburg wachtten. Ook moest er vandaag een flinke afstand worden overbrugd naar ons hotel in Gotha. De historische binnenstad van Naumburg is voorzien van twee middeleeuwse kerken: de zeer gaaf bewaarde romaanse Dom met een weinig interessant twintigste-eeuws orgel en de Stadtkirche St. Wenzel met zijn beroemde Hildebrandt-orgel. Niemand minder dan Johann Sebastian Bach was vanaf 1743 op verzoek van het stadsbestuur als adviseur betrokken bij de bouw van een nieuw orgel in de bestaande orgelkas van Zacharias Thayszner uit 1705. Het is aannemelijk dat hij dan ook zijn invloed op de gekozen dispositie heeft gehad.

 

Het beroemde Hildebrandt-orgel in de Stadtkirche St. Wenzel
Het beroemde Hildebrandt-orgel in de Stadtkirche St. Wenzel

 

Johann Sebastian Bach en Gottfried Silbermann (leermeester én concurrent van Zacharias Hildebrandt) hebben in 1746 drie dagen in de kerk doorgebracht om het nieuwe orgel te keuren. In tegenstelling tot hetgeen in de Bach-literatuur is geschreven (en wordt herhaald) uitten Bach en Silbermann in hun rapport geen woord van lof aan het adres van Hildebrandt. Technisch was alles wel in orde, maar Zij verlangden dat de orgelbouwer op het punt van de intonatie het gehele orgel nog eens zou doorlopen, voorwaar geen gering kritiek. Het is niet bekend hoe deze kwestie is afgelopen. Johann Altnickol, schoonzoon van Bach en vanaf 1748 op aanbeveling van zijn schoonvader als organist aan St. Wenzel verbonden, uitte in 1753 zijn enthousiasme over zijn instrument. Het voldeed geheel aan het concept van Gravität, veelkleurigheid en homogene samenklank.

 

In de negentiende en twintigste eeuw zijn door Beyer, Ladegast en Walcker ingrijpende wijzigingen aan dit orgel aangebracht. Het dieptepunt vormde de elektrificatie door Walcker in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het resultaat was een elektro-pneumatisch orgel dat als Bach-orgel nauwelijks nog herkenbaar was en waarvan de speeltafel twee verdiepingen lager stond opgesteld.

 

Het zal duidelijk zijn dat het onder orgeldeskundigen veel strijd heeft gegeven voordat de restauratie in 1993 kon beginnen. Welke situatie moest tot uitgangspunt worden genomen ? Gelukkig boden de archieven in het Stadtarchiv van Naumburg uitkomst omdat daar de orgelgeschiedenis vanaf 1743 bewaard was gebleven. Ook bleek de ombouw en de electrificatie van 1933 uitstekend gedocumenteerd te zijn.

 

De firma Eule reconstrueerde het orgel in de jaren 1993-2000 naar de situatie van 1746 en het resultaat mag er zijn: een orgel dat in de bespelingen door huisorganist David Franke en Sietze de Vries met zijn befaamde barokke Gravität de gehele ruimte vulde en in de meer solistische werken een sprankelende indruk maakte. Dat bij een dermate complexe reconstructie ook stemmen zijn opgaan die zeggen dat dit orgel met zijn ‘spuckende’ pijpen ‘overgerestaureerd’ zou zijn, is eigenlijk onvermijdelijk.

 

De klaviatuur van het door de firma Eule gereconstrueerde orgel
De klaviatuur van het door de firma Eule gereconstrueerde orgel

 

’s Middags ging de reis naar de fraaie romaans-gotische Dom van Merseburg met zijn beroemde Ladegast-orgel. Opnieuw een orgel met een prachtig barokke orgelkas van Zacharias Thayszner (1697), waarin – in dit geval – in 1855 een nieuw mechanisch orgel werd gebouw door Friedrich Ladegast, dat in 1866 nog verder werd uitgebreid. In de twintigste eeuw werd het orgel verder gemoderniseerd.

 

De prachtige barokke orgelkas van Zacharias Thaszner in de Mersburger Dom
De prachtige barokke orgelkas van Zacharias Thaszner in de Mersburger Dom

 

Het is bekend dat Franz Liszt, via zijn leerling Alexander Winterberger, zeer onder de indruk was van het Ladegast-orgel en een groot deel van zijn orgeloeuvre voor dit orgel gedacht heeft. Zowel Liszt als Ladegast oriënteerden zich op de grootmeesters uit de barok: Johann Sebastian Bach en Gottfried Silbermann, maar wel tegen de achtergrond van hun tijd, de Romantiek, hetgeen uiteraard gevolgen heeft gehad voor het klankconcept. Bachwerken, uitgevoerd door de huisorganist van dit Ladegast-orgel kwamen dan ook niet zo goed tot hun recht als de 5e Sonate van Mendelssohn en de improvisatie à la Liszt door Sietze de Vries, waar alles ‘klopte’.

 

Merseburg rugwerk
Het Ladegast-orgel in Merseburg met een eigen klavier voor het rugwerk op het onderste koorbalkon.

 

Na op deze dag twee fascinerende orgels te hebben beluisterd, hadden wij gehoopt binnen enkele uren in ons hotel te Gotha te kunnen gaan dineren en nagenieten van deze dag. Maar dat liep anders: de chauffeur van onze touringcar bespeurde onregelmatigheden in het remsysteem en was genoodzaakt naar een Mercedes Benz-garage in Halle te rijden. Na urenlang tussen hoop en vrees te hebben gewacht, viel het verstandige besluit dat veiligheid vóór alles ging en met deze bus niet naar Gotha gereden kon worden. Op allerlei fronten werd naar een oplossing gezocht. Rond 23.00 uur waren zes busjes beschikbaar die ons ver na middernacht (ongeveer zes uur ná de oorspronkelijke aankomsttijd) in Gotha bij het Quality-Hotel afleverden.

 

Buspech. Pas na middernacht komt het reisgezelschap aan in het hotel | foto Hilda Roodenboog
Buspech. Pas na middernacht komt het reisgezelschap aan in het hotel | foto Hilda Roodenboog

 

Vrijdag 26 september 2014 – dag 4 – Na een korte nachtrust en een goed verzorgd ontbijt in ons hotel te Gotha, ontmoetten wij twee chauffeurs uit Nederland, die gisteravond uit Groningen waren vertrokken om ons een andere bus te bezorgen. Hiermee kon onze ontdekkingsreis door het Thüringerland dus toch vervolgd kon worden. Wat een opluchting, want het programma had zoveel moois in petto.

 

Voor het eerste orgel moest enigszins worden geklommen omdat dit instrument zich in de kapel van de hooggelegen Schloss Wilhelmsburg in Schmalkalden bevond. Graaf Wilhelm IV van Hessen-Kassel was de opdrachtgever van dit fraaie renaissance slot dat in 1590 in gebruik werd genomen. De graaf had bij de bouw ook al aan een orgel in de kapel gedacht en gaf Daniel Meyer reeds in 1586 de opdracht en geheel houten pijporgel te vervaardigen. Het betrof een éénmanualig orgel met zes registers, inclusief een regaalregister en werd voorzien van een prachtige orgelkas met beschilderde luiken die de vallende muren van Jericho (links) en David en Saul (rechts) uitbeelden. Dit instrument met zijn wijd gemensureerde en daardoor warm klinkende registers, samen met de ‘stilgetreue’ improvisaties van Sietze de Vries, bracht ons geheel terug in de klankwereld van de zestiende eeuw.

 

Het orgel in de kapel van Schloss Wilhelmsburg in Schmalkalden
Het orgel in de kapel van Schloss Wilhelmsburg in Schmalkalden

 

Wetende dat renaissance-orgels zeldzaam zijn (alleen het Compenius-orgel in Frederiksborg en een orgel in Innsbruck zijn vergelijkbaar) deed ons beseffen dat deze orgelreis eigenlijk de titel ‘Van Meyer tot Ladegast’ had moeten dragen. Zo klein als dit instrument oogt, omgekeerd evenredig was de indruk die het bij ons als 21ste-eeuwse orgelliefhebbers achterliet.

’s Middags werd een bezoek gebracht aan de Stadtkirche ‘Zur Gotteshilfe’ te Waltershausen. De kerk, die in 1723 gereed kwam, en het orgel waartoe Heinrich Gottfried Trost (ca. 1680-1759) in 1724 de opdracht kreeg, zijn gedacht en ontworpen vanuit het Lutherse principe dat zowel het Woord en de Muziek goed te volgen moeten zijn. Hieruit ontstond een volgens de barokke centraalbouw ontworpen eenheid van kerk en orgel, vergelijkbaar met de latere Frauenkirche (1738) in Dresden die in 2012 door de SGO werd bezocht. Onder meer aan de breed opgezette orgelkas is te zien orgelbouwer Trost liet zich inspireren door het Gottfried Silbermann-orgel in de Dom van Freiberg.

 

Het Trost-orgel in de Stadtkirche ‘Zur Gotteshilfe’ te Waltershausen
Het Trost-orgel in de Stadtkirche ‘Zur Gotteshilfe’ te Waltershausen

 

In Waltershausen stond hem voor ogen een groter instrument te bouwen (57 registers) waarvoor hij de beste materialen wilde gebruiken, zoals Engels tin voor de pijpen en hout van topkwaliteit. Hierdoor werden de kosten veel hoger, hetgeen hem helaas veel kritiek opleverde. De keerzijde is wel dat dit orgel tot op de dag van vandaag niet door houtworm is aangetast (in tegenstelling tot het interieur van de kerk), geen doorgezakt pijpwerk heeft en uitermate goed bestand is tegen temperatuurswisselingen.

Wat betreft zijn klankconcept kan Trost worden gezien als een representant van de nieuwe stijlrichting in de Thüringer orgelbouw van de 18e-eeuw en als voorbode van het latere orkestrale denken. Hierbij ligt enerzijds de nadruk op de barokke ‘Gravität’ met wijde mensuren in het plenum, terwijl hij anderzijds zijn tijd vooruit was en zijn fluitregisters zodanig mensureerde dat zij al naar de 19e-eeuwse Ladegast-fluiten neigen. De speeltafel van dit Trost-orgel is ook bijzonder fraai vormgegeven. Het was een genot voor oog en oor om Sietze de Vries hierop aan het werk te zien. In de loop der eeuwen werden vele dispositiewijzigingen doorgevoerd. In de jaren 1994-1998 werd het instrument door Orgelbau Walterhausen gerestaureerd en naar de oorspronkelijke toestand teruggebracht.

Waltershausen. ‘Het was een genot voor oog en oor om Sietze de Vries hierop aan het werk te zien’
Waltershausen. ‘Het was een genot voor oog en oor om Sietze de Vries hierop aan het werk te zien’

 

In de kleine dorpskerk van Gräfenhain zijn het kerkinterieur en het orgel ook weer als eenheid ontstaan. De Hoforgelmacher Johann Christoph Thielemann (1682-1755) uit Gotha, leermeester van de Duits-Nederlandse orgelmaker Johann Heinrich Hartmann Bätz, bouwde in 1731 een tweemanualig orgel dat nog grotendeels in oorspronkelijke staat verkeert en dus representatief is voor de orgelbouw in de tijd van Johann Sebastian Bach. Naast de gebruikelijke registeropbouw bevat het snuisterijen als twee cimbelsterren en een klokkenspel boven de manualen. Ook dit instrument werd in de jaren negentig van de vorige eeuw gerestaureerd door Orgelbau Waltershausen.

 

Kerkinterieur en het orgel van de kleine dorpskerk van Gräfenhain zijn als eenheid ontstaan
Kerkinterieur en het orgel van de kleine dorpskerk van Gräfenhain zijn als eenheid ontstaan

 


Mieke Breij (*1959) studeerde Muziekwetenschap aan de Universiteit Utrecht met als specialisme koor- en orgelmuziek. Al sinds haar studietijd is zij bestuurlijk en uitvoerend actief (geweest) als onder meer musicoloog, organist, koorzanger in de Utrechtse Domcantorij, secretaris van de Stichting Zaterdagmiddagmuziek Domkerk, Stichting Kerkconcerten Utrecht en Stichting Muziekkring ‘De Nederlandse Cantorij’. Daarnaast was Breij van 1990 tot en met 1998 hoofdredacteur van het maandblad ‘Organist en Eredienst’. Momenteel is zij hoofd van de studiezalen van Het Utrechts Archief. 

 

 

Foto top: Klaviatuur van het Trost-orgel in Waltershausen

© 2014 fotografie Mieke Breij