Hillebrand/Van Dam-orgel Rauwerd gerestaureerd

Op zaterdag 2 juni werd in de Protestantse Laurentiuskerk te Rauwerd (Reard) het gerestaureerde Hillebrand/Van Dam-orgel uit 1816/1863 opnieuw in gebruik genomen. De orgelrestauratie werd uitgevoerd door Orgelmakerij Reil te Heerde en maakte deel uit van een totale restauratie van de Laurentiuskerk. Meest in het oog springend is het kleurherstel van de orgelkast dat werd uitgevoerd door Art Decor te Heerenveen.

Het orgel van Rauwerd werd in 1816 voor de in 1815 opgeleverde nieuwe kerk gebouwd door de van oorsprong Westfaalse orgelmaker Johan Adolf Hillebrand. In afwijking tot de huidige dispositie bezat het orgel bij de bouw een Sexquialter 2 sterk, een Cornet en Mixtuur 3-4 sterk op het Manuaal en een Octaaf 2 voet en een Vox Humana in het Rugpositief (RP) en, typerend voor Hillebrand, geen Fluit 2 voet. Het orgel had voorts 3 spaanbalgen in de toren, 2 afsluiters, een tremulant (RP), ventiel (windlosser), een manuaalkoppel en een loze knop voor de symmetrie, Zwijgt 32 voet genaamd. Het orgel werd op 18 augustus 1816 in gebruik genomen. Ds. F. Liefstings preekte daarbij over 2 Koningen 3:15. Gezongen werden Psalm 84:1 en de (Evangelische) Gezangen 1 en 95; ter afwisseling zong ‘een koor van Zangers’ (bericht Boekzaal Der Geleerde Wereld). het orgel blijft nog tot 1827 in onderhoud bij Hillebrand.

In 1833 wordt groot onderhoud uitgevoerd door de Gebr. L.J. en J. van Dam te Leeuwarden. De balgen worden vanuit de toren verplaatst naar rechts naast het orgel. De orgelkast werd opnieuw geschilderd, nu in een mahonie-imitatie met gebroken witte rank- en bloemmotieven. Het lofwerk werd waarschijnlijk geheel verguld; mogelijk kregen de frontlijsten ook vergulde banen op sommige profielen.

Later zal het onderhoud overgaan naar Pieter Jans Radersma uit Wiuwert en vanaf 1852 naar Willem Hardorff. Laatstgenoemde maakt in 1862 twee bestekken voor een nieuw orgel. Geen van beide zouden worden gehonoreerd.

In 1863 vindt door de firma L. van Dam & Zonen voor 2.315 gulden een grote ombouw plaats. Het orgel werd vooral wat betreft de houttechniek nieuw gemaakt. Windvoorziening (magazijnbalg met twee schepbalgen en handpomp), windladen, mechanieken, handklavieren en frontpijpen werden nieuw gemaakt De dispositie werd door Van Dam gewijzigd. Of de orgelkas opnieuw is geschilders is niet met zekerheid vast te stellen. Diverse onderdelen en pijpwerk van Hillebrand verwerkte Van Dam kort in ‘low-budget-orgels’ die hij na 1863 bouwde. Op 28 juni 1863 wordt het vernieuwde orgel in gebruik genomen.

Van Dam zou het orgel nog tot 1903 in onderhoud hebben. In 1870 herstelt Van Dam een windlade, diverse registers en de tongwerken van forse waterschade als gevolg van daklekkage. Ook werden forse sommen geld betaald aan schilderwerk aan en in de kerk, waaronder het orgel. Wanneer het orgel in 1863 niet wit was geschilderd dan werd het in dit jaar alsnog, dan wel opnieuw gedaan. Twee redenen kunnen hiervoor mogelijk genoemd worden: in 1863 waren er onvoldoende financiële middelen beschikbaar en in 1870 moest het wel omdat er teveel waterschade was ontstaan. Een geheel nieuw baldakijnfresco werd toegevoegd op het plafond boven het orgel en de achtermuur. Het verguldwerk van het lofwerk bleef zoals bestaand, waarbij waarschijnlijk een aantal goudbanen op de profielen van de frontlijsten en borstweringsnijwerk werden toegevoegd. Deze situatie is vastgelegd op enkele foto’s uit ca. 1900. Evenals de kleuruitmonstering van 1833 was deze kleurstelling bijzonder fraai en gaf deze het in 1863 vernieuwde orgel nu ook uiterlijk nog meer het stempel van Van Dam mee. Het herstel zelf viel mee en kostte ƒ 94,50.

Vanaf 1903 voert de firma Bakker & Timmenga het reguliere onderhoud uit. In 1909 wordt het orgel in het kader van een grote vernieuwing van het kerkinterieur opnieuw geschilderd, nu in een midden-eikenimitatie met een op afstand bescheiden zichtbare nerftekening. Het verguldwerk bleef bestaan of werd deels dan wel geheel vernieuwd. Het frescobaldakijn werd wit overgeschilderd; de situatie zoals die tot de recente restauratie heeft bestaan. In 1919 wordt de Vox Humana 8 vt van het Rugpositief vervangen door een Horn (‘Sanfthoorn 8 vt’) van zink en orgelmetaal. Behoudens enkele reparaties en het plaatsen van een elektrische windvoorziening, blijft het orgel in de verdere twintigste eeuw ongewijzigd.

Restauratie 2011-2012

In 2005 werd een voorlopig orgelrapport gemaakt door Jan Jongepier te Leeuwarden. In verband met diens aanstaande pensionering werd in 2008 Stef Tuinstra tot adviseur benoemd. Het instrument werd door hem aanvullend onderzocht. Het voorlopige restauratierapport van Jongepier werd aangevuld met een gedetailleerde beschrijving van de staat waarin het orgel was komen te verkeren, alsmede een gedetailleerd restauratieplan.

In 2009 kwam een mogelijkheid tot subsidiëring van de restauratie van kerk en orgel door middel van de Brim-achterstands-regeling (Rrwr) van het Rijk, waaraan een extra fonds middels de politiek (het CDA) werd toegevoegd. Een offerte werd uitgebracht door de Orgelmakerij Gebroeders Reil te Heerde. Toen in 2009 de financiering vanuit diverse fondsen rond was, kon het contract worden getekend. In 2011 werd met het werk gestart. Consulent namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed was Wim Diepenhorst. Een uitgebreid kleuronderzoek werd verricht door Helmer Hut en de algehele kleurrestauratie werd verricht door Art Decor te Heerenveen (Randolph en Mieke Algera). De elektra werd geheel vernieuwd door Installatiebureau Reekers te Easterlittens. Totale kosten bedroegen circa € 315.000.

Bij de nu voltooide restauratie is het volgende werk uitgevoerd. De windvoorziening werd geheel uit elkaar genomen en opnieuw verlijmd en beleerd. Een nieuwe windmotor kreeg in een nieuwe dempkist een plaats bij de balgkast. Veel zorg is besteed aan het zo geruisloos mogelijk en rustig maken van het motorsysteem. De fraai en klassiek gemaakte windladen van Van Dam werden geheel ontleed, schoongemaakt, opnieuw verlijmd en op authentieke wijze beleerd. Extra viltringen zijn aangebracht voor een bestendige sleepafregeling. Er zijn geen trekvrije platen aangebracht. De register- en speelmechaniek is geheel hersteld, de draadgaten gepropt en nieuw messing draadwerk en nieuwe leermoeren zijn aangebracht. Kapotte onderdelen werden hier en daar vernieuwd met in eigen bedrijf precies nagemaakte onderdelen. Het geheel werd opnieuw ingeregeld. De klaviatuur en de orgelbank van Van Dam en het pedaalklavier van 1816 werden zorgvuldig gerestaureerd. Het oude ivoren klavierbeleg (ondertoetsen) was nog goed bewaard. Er is gepoogd het oude aanzien van de antieke materialen zoveel mogelijk te bewaren. De orgelkast werd gerepareerd en de krimpnaden hersteld, alvorens er werd geschilderd. Het snijwerk is gerepareerd. De totaal verweerde kleurstelling van 1909 is niet opnieuw aangebracht. Na veel onderzoek en discussie is er voor gekozen om de witte kleurstelling van 1870 te herstellen, inclusief het fresco boven en achter het orgel zoals op de foto’s van rond 1900 te zien was. De oude vergulding van het lofwerk is waar dat mogelijk bleek behouden, schoongemaakt en iets bijgewerkt. Voor het overige is nieuwe vergulding aangebracht. De omgeving van het orgel met balgkast, trapopgang en losse banken zijn in de nog aanwezige bijpassende oude kleuren kleuren geschilderd. Het pijpwerk werd voorzichtig schoongemaakt, het front licht gepolijst en de labia opnieuw verguld. Het houten pijpwerk werd opnieuw verlijmd. De vele beschadigingen van het metalen pijpwerk werden hersteld: ingescheurde randen en afgescheurde baarden gesoldeerd, deuken op leesten rechtgeklopt en hoedafdichtingen winddicht en stemmingsstabiel hersteld. De intonatie was in de loop der tijd slechts een beetje aangepast op de steeds lekker wordende windlade. De winddruk zoals Van Dam die had aangebracht bleek ook nauwelijks te zijn verhoogd. Er is afgezien van vergaande egalisatie. Het pijpwerk is sinds 1863 door de tijd heen nauwelijks ingekort zodat de huidige toonhoogte ook die van 1863 geweest moet zijn. Het resultaat is een uitbundig en krachtig, maar ook verfijnd klinkend instrument met een aanmerkelijk oudere klank dan de bouwjaren 1816 en 1863 doen vermoeden en met een fraaie licht ademende wind. Zo is dit bijzondere en uitzonderlijk fraai gedecoreerde dorpsorgel met haar unieke trofeeën met ettelijke orkestinstrumenten herboren en geeft het met haar zingende en extatische klank opnieuw acte de présence van het grote vakmanschap en de artisticiteit van de oorspronkelijke makers en niet in de laatste plaats van de vergelijkbare kundigheden van de restaurateurs.

Dispositie en technische gegevens

De genoemde registervolgorde is volgens de opstelling van de pijpen op de windlade vanaf het front. Het metalen pijpwerk van Hillebrand is van een dikwandig hoog loodgehalte, dat van Van Dam is dunner en heeft een legering van twee derde deel lood en een derde deel tin. Het pijpwerk van 1816 is vrij grof gemaakt, dat van 1863 uiterst precies en verfijnd. Een deel van het pijpwerk van 1816 is in 1863 iets vermaakt. Alleen de fluitregisters hebben zijbaarden, de metalen pijpen zijn niet van expressions voorzien; het grotere pijpwerk heeft een of twee stemkrullen. Het meeste pijpwerk van 1816 is in 1863 een halve toon opgeschoven, soms een tot anderhalve toon. De jaartallen geven globaal de datering weer. De op- en aanvullingen zijn van 1863. [STEF TUINSTRA]

Hoofdwerk C-f3

Prestant 8 – C-b1 in het front, Engels tin, 1863, h1-f3 binnen, 1816.

Bourdon 16 – C-b eiken, 1816, afgevoerd, h0-f3 metaal op de lade, 1816/1863.

Roerfluit 8 – 1863. C-F# gecombineerd met Holpijp.

Holpijp 8 – 1816. C-A eiken, afgevoerd. Rest metaal, op de lade. Wijde mensuur.

Octaaf 4 – 1816, metaal.

Quint 3 – 1816. Prestantmensuur.

Octaaf 2 – 1816. Uit RP (sinds 1863).

Fluit 4 – Metaal. Bas gedekt, discant cilindrisch open. [1]

Cornet III – Merendeel 1816, rest 1863. Discant; c1: 3 – 2 – 1 3/5.

Trompet 8 – 1816/1863. Bas/discant. [2]

Rugpositief C-f3

Prestant 4 – C-b1 in het front, Engels tin, 1863, h1-f3 binnen, 1816.

Salicionaal 8 – 1863, discant, metaal

Fluit dolce 8 – 1816. C-H eiken. Overige metaal, gedekt.

Viool di Gambe 8 – 1863. C-H i.c.m. Fluit Dolce 8 vt, c0-g0 afgevoerd. Tin.

Roerfluit 4 – 1863, g#2-f3 cilindrisch open.

Speelfluit 2 – 1816. Metaal, conisch open. Vóór 1863 Speelfluit 4 vt.

Dulciaan 8 – 2012. Kopie van Marrum. [3]

Pedaal C-d1

Aangehangen

Werktuiglijke registers

Klavierkoppel

Tremulant Rugwerk (inliggend)

Afsluitingen voor Manuaal en Rugpositief

De oude knop Zwijgt 32 vt is benut voor de Bourdon 16 vt bas. De oude knop Bourdon 16 vt is nu de discant.

Toonhoogte : a1 = 433,8 Herz bij 18° C

Stemming : Stef Tuinstra; vrijwel gelijkzwevend

Winddruk: 64 mm waterkolom

Windvoorziening: Grote magazijnbalg met 2 schepbalgen en handpomp in een balgkast rechts naast het orgel

[1] Pijpwerk samengesteld in 1863 uit materiaal van 1816 (Bourdon 16 vt en Cornet 4 vt).

[2] Bekers in 1863 kleine terts opgeschoven. Stevels en koppen eiken (1816), messing kelen en tongen (overwegend 1863). Groot octaaf beleerd.

[3]Van 1816-1919 stond hier een Vox Humana 8 vt van onbekende factuur; van 1919-2011 een Horn (Sanfthoorn) 8 vt van Bakker & Timmenga, 1919.

© 2012 www.orgelnieuws.nl

© 2012 fotografie: Stef Tuinstra