Improvisatie is beste manier om liturgie te vernieuwen

Organist Gerard Sars is dinsdag 19 december in Mainz (D) cum laude gepromoveerd op proefschrift over de improvisaties van zijn Nederlandse collega Albert de Klerk (1917-1998). Hij wil ermee laten zien dat liturgische orgelimprovisaties kunnen bijdragen aan de vernieuwing van de liturgie.

,,Een organist die tijdens een kerkdienst muziek improviseert heeft een goede mogelijkheid te reageren op wat er in de dienst gebeurt. Daar zit ook een nadeel aan: als de muziek ophoudt, is het voorgoed weg’’, zegt Gerard Sars, tot voor kort organist van de rooms-katholieke kathedraal van Roermond. Niet voor niets heet zijn proefschrift ‘…für den flüchtigen Augenblick …’ (voor het vluchtige ogenblik). Zijn studie gaat over de improvisaties die organist Albert de Klerk (1917-1998) tussen 1934 en 1998 speelde tijdens de eucharistievieringen in de Sint Josephkerk in Haarlem. Dinsdag 19 december verdedigde hij zijn dissertatie aan de afdeling muziekwetenschappen van de Johannes Gutenberg-universiteit van het Duitse Mainz. Hij promoveerde cum laude.

Om het belang van improviseren in de kerk uit te leggen, gaat Sars terug naar het concilie van Trente (1545-1563). ,,Dat concilie probeerde na de reformatie orde op zaken te stellen in de rooms-katholieke kerk. Het was een interne restauratie, waarbij ook de kerkmuziek aan de orde kwam. Op het gebied van de muziek werd uitgesproken, dat muziek moest aansluiten bij de waardigheid van de mis en dat de gezongen teksten verstaanbaar moesten zijn. Vreemd genoeg gebeurde er daarna eeuwenlang niets, totdat paus Pius X er in 1903 het besluit van Trente nieuw leven inblies: liturgische muziek heeft dezelfde functie als de liturgie zelf, bepaalde hij.’’ Volgens Sars is dat een belangrijke uitspraak. ,,Het verwacht van de iedere aanwezig actieve deelname aan de liturgie. Dat is ook logisch, want het de kerk te komen zelf is al een liturgische handeling, want je komt samen.’’

In 1962 probeert het Tweede Vaticaans Concilie opnieuw de liturgie dichter bij de gewone kerkganger te brengen. Het staat het gebruik van de volkstaal in de eredienst toe. Muzikale vernieuwing is toegestaan, als die maar voortkomt uit de traditie. Op die manier gaan veranderingen geleidelijk en blijft de kwaliteit gehandhaafd, volgens het concilie, dat verder dat muzikale improvisatie tijdens de mis hartelijk aanbeveelt. Sars is daar blij mee. ,,Improvisatie biedt mogelijkheden de kerkmuziek te vernieuwen zonder breuk met de traditie. Stel: je begint een improvisatie in een bepaalde toonsoort en je doet vervolgens iets in de stijl van Messiaen (een moderne componist). Daarna doe je een paar clusters (klankophopingen) en je sluit weer af in de toonsoort waarin je begon. Je leidt op die manier mensen rond langs een aantal muziekstijlen. Als het geklonken heeft, is het weg. Maar de mensen in de kerk hebben het wel gehoord.’’

Albert de Klerk was 64 jaar lang organist van de Josephkerk. In die periode speelde hij volgens Sars meer dan tienduizend diensten op het Adema-orgel in de Haarlemse kerk. In totaal heeft dus vele duizenden improvisaties gemaakt. Hij improviseerde op drie momenten in de dienst: vooraf, onder de offerande en tijdens de communie. ,,Hij becommentarieerde al improviserend de preek of overwoog het gelezen evangelie. Goede kerkmuziek zet aan tot bekering en tot evangelisatie. Het sticht gemeenschap en het verheft de mens.’’ Overigens maakte De Klerk het zijn luisteraars niet gemakkelijk. Hij speelde in een gematigd modern idioom, waarin hij verder ging op de stijl van César Franck en zijn leermeester Hendrik Andriessen.

Gerard Sars haalt een gesprek aan van een van de pastoors met wie De Klerk werkte. ,,De man vierde zijn veertigjarig priesterjubileum in de Josephkerk en bedankte De Klerk. ‘De organist verkondigde een indringend evangelie. Terwijl hij bezig was, vergat ik soms dat ik verder moest met de liturgie’.’’

Zulke verhalen kan Sars niet kwijt in zijn proefschrift. ,,In Duitsland zijn ze streng. Anekdotes mogen er niet in. Het gaat daar om wetenschappelijke gegevens.’’ Het schrijven van een proefschrift in het Duits vond de promovendus erg moeilijk. ,,Gelukkig had ik contacten met iemand van een Duits koor. Die heeft me erg goed geholpen.’’

Albert de Klerk hield niet van muzikale experimenteren tijdens de kerkdienst. Hij probeerde niets uit. Volgens Sars is dat een juiste instelling. ,,De liturgie geen plek voor een experiment. Een chirurg gaat ook niet experimenteren als hij aan het opereren is.’’

In het proefschrift staat Sars stil bij het kerkelijk orgelspel van Albert de Klerk, zowel de composities als de improvisaties. Diens vocale composities laat hij buiten beschouwing. ,,Het vele materiaal dat ik niet gebruikt heb, heb ik ter beschikking gesteld aan de koninklijke bibliotheek in Den Haag, zodat het toegankelijk is voor iemand die verder op De Klerk wil studeren.’’ [PETER SNEEP]

[dit artikel verscheen eerder in het Nederlands Dagblad]

© 2006 www.orgelnieuws.nl