Jacob Bijster – Organ Works [RECENSIE]

Deze dubbel-cd is een eerste van een serie die Okke Dijkhuizen van plan is het licht te doen zien. Als doelstelling ziet hij het ‘documenteren van onbekende componisten, onbekend repertoire en bijzondere opnamen. (….) De hoofdaccenten binnen de catalogus worden gevormd door orgelmuziek en kamermuziek, waaronder onbekend Nederlands repertoire.” Voorwaar een uitstekend initiatief!

Jacob Bijster (1902-1958) – Organ Works.

Piet van der Steen, orgel Oude Kerk Delft.

Passacaglia; Variaties op een Oud-Nederlandsch Lied; Triptyque; Toccata et Ricercare; Eerste Choral; Deuxième Choral; Partita over ‘Als ik het wond’re kruis aanschouw’; Zes harmonische variaties over ‘Nu daagt het in het oosten’; Partita sopra ‘Laudate Dominum’ (Psalm 146); Paraphrase over ‘Gelukkig is het land’; Koraal, trio, inleiding en fuga over ‘Meester men zoekt u wijd en zijd’; Toccata.

Label: Document

Bestelnummer: DOC0801 2CD

Prijs: € 33,95

Muzikale interpretatie: * * * * *

Programmakeuze: * * * * *

Keuze van het instrument: * * *

Kwaliteit van de opname: * * * *

Informatie in het booklet: * * * * *

Grafische vormgeving (cd en boekje): * * *

Als veertienjarig jochie bezocht ik eens een concert van Jan van Westenbrugge in de Bartholomeuskerk te Poeldijk, en enorme kerk met een foeilelijk maar groot drieklaviersorgel. Van Westenbrugge speelde Bijsters variaties over “Ik wil mij gaan vertroosten”. Dat hakte erin bij mij….. Ik moest en zou de partituur te pakken krijgen: wat daar gebeurde, vooral harmonisch, wekte mijn interesse in de figuur Jacob Bijster. Enkele jaartjes later hoorde ik in de Haarlemse Bavokathedraal Bijsters Deuxième Choral, onnavolgbaar vertolkt door Bijsters oud-leerling Nico Waasdorp en was er mij alles aan gelegen om ooit alle in druk verschenen werken van Bijster te bezitten, hetgeen uiteindelijk lukte. Bij mijn eindexamen aan het Haags conservatorium speelde ik hetzelfde Deuxième Choral, overigens tot ongenoegen van één der examinatoren, die Bijster maar ‘overspannen chromatiek” vond…

Dit verhaaltje schrijf ik maar even op om aan te geven dat uw recensent een absolute Bijster-fan is en veel van zijn werken ook zelf heeft gespeeld en nog speelt. We zijn dan ook erg in onze nopjes met de dubbel-cd die op het label Document van Okke Dijkhuizen is verschenen en die volledig is gewijd aan Bijsters orgeloeuvre. De opnamen zijn ten behoeve van radio-uitzendingen van de EO gemaakt in 1993 en 1994. Alles wordt gespeeld door één organist (Piet van der Steen), op één orgel (het Witte-orgel uit 1857 in de Oude Kerk te Delft).

Het programma loopt van het Eerste Choral (1924, onuitgegeven en nog onbekommerd Franckiaans) tot en met Bijsters laatste werk: Koraal, Trio, inleiding en fuga over “Meester men zoekt u wijd en zijt” (1958). Aldus is de ontwikkeling van Bijsters compositorische dialect goed door de tijd heen te volgen. Natuurlijk kon op die twee schijven niet alles geperst worden. We missen bijvoorbeeld Bijsters variaties over “Merck toch hoe sterck” en de pikante variaties over het kerstlied Komt, wilt u spoeden naar Bethlehem”. Uitgerekend in dit laatste werk geeft Bijster een fraai staaltje harmonisch inventie weg. Oscar Peterson zou zich er niet voor hebben geschaamd…..

Uit vrijwel alle op deze dubbelschijf gespeelde werken blijkt het compositorische vakmanschap en de kennis van het instrument. Bijsters oeuvre houdt stand naast dat van (min of meer) tijdgenoten als Hendrik Andriessen en Anton van der Horst. Wellicht is Bijster van dit trio het meest schatplichtig aan de romantiek, maar schrijft toch, ook in zijn koraalwerk, met veel meer verfijning en inventie dan bijvoorbeeld Jan Zwart. En toch is het op de één of andere manier allemaal zeer Nederlands: niet de soms wat drukke maar lege gestiek van de Fransen, niet de ploegende ernst van de Duitsers, maar misschien, onbedoeld en achteraf, wel wat raakvlakken met de Engelsen (Whitlock, Howells, Statham).

Piet van der Steen heeft aan dit repertoire een enorme kluif gehad. Bijsters concertante werken zijn bepaald niet kinderachtig qua speeltechniek (Triptique, Toccata, Ricercare), maar Van der Steen wekt de indruk alle moeilijkheden te hebben overwonnen. In zijn tempokeuze en fraseringen laat Van der Steen horen dat hij weet waar de ‘goede’ noten zitten.

Het gebruikte orgel laat me achter met een wat onbestemd gevoel. Bijster was een protestantse kerkmusicus, dienstbaar aan zijn gemeente (Doopsgezinden in Haarlem) waar hij een eenvoudig Flaes-orgel bespeelde. Hij speelde regelmatig concerten op het orgel van de Oude Bavo, maar gezien de klavieromvang en het ontbreken van een zwelkast en typisch romantische stemmen, zal dit ook niet zijn gedroomde orgel zijn geweest. Vanuit zijn muziek geredeneerd, word je bepaald bij een groot romantisch instrument, inderdaad met zwelkast, maar ook met heldere vulstemmen en aliquoten. Bijster schuwt noch de polyfonie noch het gebruik van volgrepige akkoorden. Een modern ‘universalorgel’ (type Klais of Rieger) hebben we niet in Nederland en zou voor dit soort werk ook gewoon te veel decibels produceren. Misschien was het Nicholson-orgel in Schagen een goede optie geweest of anders een orgel als dat in de Catherinakerk te Eindhoven (Verschueren, 1936). Het Witte-orgel in Delft klinkt met name in de forte passages wel erg grof en dik, zeker als er constant Cornetten in het plenum worden getrokken. Echt heel Hollands, maar daar is Bijsters muziek mijns inziens net iets te beschaafd voor. Veel details gaan op die manier toch verloren. Wellicht is de reformatorische signatuur van de EO destijds debet geweest aan de keuze van dit orgel, maar in dat geval was het veel doorzichtiger klinkende Witte-orgel van Gorinchem misschien een betere optie geweest.

Het zeer sobere tekstboekje is tweetalig, waarbij de Engelse tekst de Nederlandse vooraf gaat. Dat is prima met het oog op het feit dat deze cd een aardig exportproduct kan en moet zijn. Van der Steen beschrijft kort en bondig maar wel helder (met notenvoorbeelden) de gespeelde werken, terwijl Teus den Toom enkele opmerkingen over de historie van het orgel maakt. Gelukkig worden ook alle vier hardwerkende registranten vermeld. Deze dubbel-cd is een eerste van een serie die Okke Dijkhuizen van plan is het licht te doen zien. Als doelstelling ziet hij het ‘documenteren van onbekende componisten, onbekend repertoire en bijzondere opnamen. (….) De hoofdaccenten binnen de catalogus worden gevormd door orgelmuziek en kamermuziek, waaronder onbekend Nederlands repertoire.” Voorwaar een uitstekend initiatief!