Miskend, verguisd & afgedankt 2 [SCHERP]

Naar aanleiding van de recensie door Bert Wisgerhof over het boek van Hans Fidom, geplaatst op orgelnieuws wil ik graag een paar opmerkingen maken.

Zelf stelt Wisgerhof dat om een goed oordeel te geven kennis en inzicht nodig is. Om kennis te vergaren:

• Waar was Wisgerhof organist op het door A.C. Vlot gebouwde orgel?

• Wat is de werklijst van deze orgelbouwer? (hij bouwde “veel”?)

• Waaruit blijkt de sympathie en aanbeveling door Feike Asma?

• Waaruit blijkt dat ook Koppejan en Verweijs “beschermelingen” van Asma waren?

• Welk Dekker-orgel uit 1922 bespeelde Wisgerhof nog enige jaren?

• Tot hoe lang heeft dit orgel dienst gedaan en wat was de kostprijs van dit apparaat.

In algemene zin: moeten we de periode van de eerste helft van de 20ste eeuw van de orgelbouw niet veel meer plaatsen in de tijd? Lees bijvoorbeeld “Parade der Mannenbroeders” van Ben van Kaam en “De Gereformeerden” van Agnes Amelink. Ook het beroemde boek “De eeuw van mijn vader” van Geert Mak geeft inzicht. Daarnaast is ook de periode 1945–1960 is een heel bijzondere. Nederland in wederopbouw na veel oorlogsleed. Lees hiervoor ondermeer Joshua Livestro “De adem van grootheid”. Lezende over deze periodes krijg ik vaak “bewondering” over het doorzettingsvermogen van deze “kleine luyden” om steeds van het kleine beetje inkomen te komen tot toch de bouw van orgels in hun meestal kleine nieuwe kerken ten dienste van de zondagse eredienst. Dit in een tijd van schaarste en relatieve armoede. Daarnaast werd binnen de christelijke verzuiling ook nog veel gegeven aan ondermeer de VU, het blindeninstituut Barthimeus, de NCRV, de vakbond enz., enz.

Dat we vanaf (ongeveer) 1960 een nieuwe periode van inzichten, maar veel meer van mogelijkheden, ingingen is samenhangend aan de mogelijkheden die de welvaart en dus de financiële armslag met zich meebracht. Terugkijkend is er veel bereikt met weinig mogelijkheden. Dat er na 1960 andere inzichten kwamen, weten we inmiddels ook. Maar ook deze periode heeft zo zijn eigen doordraverij gekend. Eén der grootste miskleunen is misschien wel het verdwijnen van het orgel in de Grote Kerk te Den Haag waarbij organisten als Adiaan Engels, Gerard Akkerhuis, Adriaan C. Schuurman en Nico van der Hooven betrokken waren.

Dat er geen “wereldorgels” werden gebouwd in de eerste helft van de 20ste eeuw, daar zijn we het over eens. Maar de poging van Hans Fidom om deze periode in een ander, beter daglicht te plaatsen vind ik moediger dan het “huilerige” inleiding van Bert Wisgerhof aan het begin van zijn recensie. Wat heeft het nu voor zin om aan het eind van deze reactie op de recensie van Wisgerhof te noemen dat ook b.v. de orgelbouwer Reil uit Heerde in het begin van zijn carrière geen hoogstaande instrumenten fabriceerde!

Jan van Ens, Emmeloord