Nederlandse psalmbewerkingen door de eeuwen heen

Lezing in het Nationaal Orgelmuseum te Elburg, zaterdag 15 januari 2005 door Dick Sanderman.

Deze week verscheen in het familieblad Terdege een interview met dr. Jan Smelik, een interview dat ik met instemming heb gelezen. Zijn slotopmerking was me uit het hart gegrepen: ‘Predikanten hoeven geen verstand te hebben van muziek, maar ze moeten wel in de gaten hebben waar hun grenzen liggen – en dat ten aanzien van de kerkmuziek andere mensen verantwoordelijk zijn en deskundigheid hebben’. In dat interview legt Smelik ook uit dat de bezwaren tegen het zingen van gezangen tijdens de eredienst een typisch Nederlands fenomeen zijn: dat vind je verder nergens. In ons land hebben die bezwaren echter wél lange tijd gegolden, en nog steeds zijn er ettelijke kerkgenootschappen waar men om principiële redenen uitsluitend psalmen zingt. Die visie is uiteraard van grote invloed geweest op de totstandkoming van koraalgebonden orgelmuziek in protestants Nederland: omdat er in de kerken geen gezangen werden gezongen (behalve die paar ‘Enige’ gezangen), gaat het bij de Nederlandse koraalmuziek van vóór de 19e eeuw bijna altijd om psalmmelodieën. En met dat onderwerp, Nederlandse psalmbewerkingen, gaan we ons vanmiddag bezig houden.

Uit de eerste tijd na de Reformatie zijn vier belangrijke Nederlandse bronnen van koraalkunst bewaard gebleven:

• het anonieme Susanne van Soldt manuscript (vóór 1590)

• de Tabulatuur van Henderick Speuy (1610)

• de psalmbewerkingen van Jan Pzn Sweelinck

• het Tabulatuurboek van Anthonie van Noordt (1659)

Het Susanne van Soldt-manuscript was bestemd voor huiselijk gebruik. Naast wereldlijke liederen en dansen vinden we hier ook elf psalmen, steeds in de vorm van een akkoordmatige klavierzetting met een enkele omspeling.

Ons eerste klankvoorbeeld is Psalm 16 uit het Susanne van Sold-manuscript, gespeeld op dat oeroude orgel (1531) in Krewerd. Luister naar die unieke Prestant!

Susanne van Soldt manuscript – Psalm 16, Okke Dijkhuizen – Krewerd

Van Henderick Speuy (ca. 1575-1625), organist in Dordt, kennen we 24 tweestemmige bewerkingen over melodieën uit psalmen en Enige gezangen. Speuy noteert de melodie in hele en halve noten. De tegenstem begint meestal met een voorimitatie en bestaat verder vooral uit passagewerk in zestiende noten. Vier duo’s geven de melodie in de superius (bovenstem), drie hebben de melodie in bas. In de overige duo’s wisselt de melodie. tussen onder- en bovenstem.

Psalm 100: een duo van Speuy, gevolgd door –nogmaals– een koraalzetting uit het Susanne van Soldt manuscript. U hoort het orgel van de Nieuwe kerk in Haarlem.

Henderick Speuy – Psalm 100, Haite v.d. Schaaf – Nieuwe kerk Haarlem

Van Sweelinck (1562-1621) zijn variatiewerken bewaard gebleven over verschillende psalmen en gezangen. Ook onder de werken waarvan het auteurschap niet zeker is, maar die misschien wel van Sweelinck zijn (of van een leerling), bevinden zich psalmvariaties.

Vrijwel zeker hebben mensen als Speuy, Sweelinck en Van Noordt nooit gemeentezang begeleid! In hun tijd was orgelspel tijdens de kerkdienst nog uit den boze. Wel mocht er vóór en na de dienst op het orgel worden gespeeld. Vaak waren de organisten in dienst van de stad, zoals ook de orgels vaak eigendom waren van de burgerlijke overheid. Dat laatste is de redding geweest van menig orgel, want na de Reformatie zouden de protestanten die verfoeilijke overblijfsels van de Paapse mis gráág hebben opgeruimd. Als stadsmuzikant speelden die organisten vaak ook doordeweeks, de kerk was immers de hele dag open. Door hun orgelspel konden zij eraan meehelpen dat de mensen wat vertrouwd zouden raken met die nieuwe melodieën van de psalmen. Tja, voor ons is dat bijna niet voor te stellen, maar ooit zijn die psalmmelodieën gewoon splinternieuw geweest! In elk geval verklaart het feit dat de muziek van Sweelinck niet functioneerde binnen de eredienst wel waarom Sweelinck zich niet hoefde te beperken tot de psalmen. Bij Sweelinck komen we immers ook gezangen tegen als ‘Allein Gott in der Höh sei Ehr’, ‘Allein zu dir, Herr Jesu Christ’ en ‘Puer natus in Bethlehem’.

We luisteren naar Psalm 116 van Sweelinck, gespeeld op een huispijporgel van Klop.

Jan Pzn Sweelinck – Psalm 116, Pieter Jan Belder – Klop orgel (1997)

De zettingen uit het Susanne van Soldt manuscipt en de psalmbewerkingen van Speuy en Sweelinck laten zien dat men componeerde voor toetsinstrument, zonder onderscheid te maken tussen orgel en clavecimbel. Speuy noemt beide instrumenten als gelijkwaardige mogelijkheden op het titelblad van zijn tabulatuur. Obligate (verplichte) pedaalpartijen komen niet voor.

Een halve eeuw na de verschijning van de Speuy-duo’s publiceert Anthonie van Noordt zijn Tabulatuurboeck. Daar zien we wél zelfstandige pedaalpartijen. Ook zien we stemkruisingen tussen sopraan en alt, die alleen uitvoerbaar zijn op een orgel met méér dan één manuaal. Dan is er dus een specifieke, idiomatische schrijfwijze voor orgel ontstaan. Van Noordt biedt variaties over tien verschillende psalmmelodieën.

Ik laat u twee voorbeelden van Van Noordt horen: juist vanwege die orgelmatige schrijfwijze vind ik zijn psalmbewerkingen zeer waardevol. Het eerste voorbeeld, Psalm 15, koos ik echter om te laten horen hoe sommige harmonische wendingen een extra dimensie krijgen door de middentoonstemming. Deze zelfde bewerking hoop ik begin juni ook hier in Elburg te spelen als illustratie bij de lezing die ik dan hoop te houden tijdens de jaarvergadering van de VGK. Dan kunt u hetzelfde stuk dus horen in een gelijkzwevende stemming: da’s echt een wereld van verschil! Nu dus, in middentoonstemming, vanuit Oosthuizen.

Anthonie van Noordt – Psalm 15, Willem Poot – Oosthuizen

Hoewel de psalmen in die tijd vrijwel zeker nergens ritmisch werden gezongen, stonden ze wel ritmisch genoteerd in de psalmboekjes. Ook in die oud-Hollandse psalmvariaties wordt de melodie altijd ritmisch genoteerd. Bij Susanne van Soldt vinden we opvallend veel toegevoegde verhogingen in de melodie, veel meer dan bij Sweelinck en Van Noordt.

Het is interessant om te kijken wélke melodieën gekozen werden voor die psalmvariaties – maar we moeten wel voorzichtig zijn om daaruit geen voorbarige conclusies te trekken over de populariteit van bepaalde psalmen. Toch is opvallend dat bepaalde psalmen die nu vaak worden gezongen (ik denk aan 25, 43, 86, 105, 138) in geen enkele oud-Hollandse bron voorkomen – terwijl daar wel bewerkingen te vinden zijn van psalmen die we tegenwoordig zelden meer zingen: bijv. Ps. 5 (Speuy, Sweelinck), 50 (Susanne van Soldt, Van Noordt), 129 (Speuy).

We hebben dus geen oud-Hollandse bewerkingen van Psalm 25: wèl van Psalm 24, drie variaties van Van Noordt. Luistert u naar de eerste variatie, gespeeld op het orgel in Anloo.

Anthonie van Noordt – Psalm 24, vers 1, Wim van Beek – Anloo

Een interessante bron van psalmvariaties buiten de orgelliteratuur vormen de variaties voor blokfluit van Jhr. Jacob van Eijck (ca 1590-1657) over 14 verschillende psalmmelodieën. Van Eijck, een blinde stadsmuzikant, beiaardier in Utrecht. Ik stel ‘t me zo voor dat Van Eijck daar zit in het Pandhof, de prachtige kruidentuin die omsloten wordt door de kloostergang van de Dom, en op z’n fluit zomaar wat voor zich weg improviseert over een psalmmelodie.

Van Eyck – Psalm 33, Pieter Jan Belder – blokfluit

*******

De achttiende eeuw is een periode waarin verschillende koraalboeken verschenen voor het begeleiden van de psalmen in de kerk. Het gaat dan dus om begeleidingszettingen, niet om koraalbewerkingen. Veel van die vroege koraalboeken bevatten zelfs niet eens voorspelen. Voorzover ik weet was het koraalboek van Jacob Potholt uit 1777 de eerste waarin elke psalm wordt ingeleid met een kort voorspel, een paar accoorden. Zo was de praktijk in die dagen: in 1776 schrijven de burgemeesters van Haarlem dat de organist voordat de gemeente gaat zingen een voorspel moet maken ‘met volle accoorden uit den toon waaruit de psalm moet gespeeld worden; welk praeludium duuren zal ter lengte van twee of drie geheele noten’. Verder kreeg de organist opdracht om tussen de regels, gedurende de tijd van een hele noot, alleen met de rechterhand op een zacht geregistreerd klavier te spelen, als inleiding op de volgende zangregel. Dergelijke interludia werden altijd zonder pedaal gespeeld: de inzet van het pedaal was voor de gemeente dan een signaal dat er weer gezongen moest worden.

Afgezien van die koraalboeken werd er in de 18e eeuw nauwelijks orgelmuziek gepubliceerd – en al helemaal geen psalmbewerkingen: men improviseerde meestal. Koraalboeken werden gemaakt als handreiking, als voorbeeld voor organisten die niet (of niet zo goed) konden improviseren. Het waren dure boeken; ze werden waarschijnlijk ook niet aangeschaft door de organisten zelf, maar door de kerk.

Om een indruk te geven van die 18e-eeuwse koraalboeken laat ik een voorbeeld horen van gemeentezang zoals die in de 18e eeuw geklonken zou kunnen hebben, begeleid vanuit het koraalboek van de Dordtse organist Van Eem (ca. 1780). Er is geen voorspel; wel wordt elke regel ingeleid met een éénstemmig aanloopje. Ook schrijft Van Eem verbindende tierelantijntjes van de ene noot naar de andere: een aanwijzing dat het tempo érg laag moet hebben gelegen.

Voor een radio-opname in de serie ‘De orgelmaker Petrus van Oeckelen’ die door de EO werd uitgezonden in 1992 hebben we die 18e-eeuwse gemeentezang geprobeerd te reconstrueren tijdens een zangavond in Blijham. Luistert u naar Psalm 87.

E. van Eem – Psalm 87, gemeentezang vanuit Blijham

*******

Een belangrijke gebeurtenis in de vroege 19e eeuw was de verschijning van de Evangelische Gezangen. ‘t Gaf zelfs een impuls aan de orgelbouw. Veel kerken hadden nog geen orgel, maar kregen er nu wel een. Een provincie als Friesland bijvoorbeeld kent opvallend veel orgels die dateren uit de eerste helft van de 19e eeuw: dat hangt ongetwijfeld samen met het feit dat men gezangen ging zingen en dat er dus behoefte bestond aan goed ‘gereedschap’ om die gemeentezang in goede banen te leiden.

Intussen bleven er koraalboeken verschijnen, boeken uitsluitend voor de psalmen, maar nu dus ook begeleidingsboeken voor de Evangelische Gezangen. En daarnaast verschenen in de 19e eeuw ook koraalbewerkingen, misschien bedoeld om voor de dienst te worden gespeeld: de functie van die bewerkingen is echter lang niet altijd duidelijk.

Verschillende Nederlandse organisten gingen in Duitsland studeren, bij mensen als Mendelssohn en Richter. Een bekend voorbeeld is Bastiaans, die in Leipzig bij Mendelssohn studeerde. Bastiaans was organist van de Bavo in Haarlem. Voor de Evangelische Gezangen maakte hij verschillende nieuwe melodieën. Sommige van die Bastiaans-melodieën werden zeer geliefd en hebben ook volkomen terecht een plaats gekregen in het Liedboek voor de kerken: denk aan ‘De Heer is mijn herder’, ‘Ontwaakt, gij die slaapt’, Beveel gerust uw wegen’ en ‘Daar is uit ‘s werelds duist’re wolken’.

Van deze Bastiaans hoort u nu een heel klassiek klinkende fughetta over Psalm 24.

Johannes Gijsbertus Bastiaans – Fughetta over Psalm 24, Jan Jongepier – Leeuwarden Noorderkerk

Samuel de Lange sr. schreef onder meer enkele Fantasie-Sonates, waaronder één over de melodie die wij kennen als Psalm 22. De Lange bedoelde echter een Evangelisch Gezang, ‘Ja Jezus heerst, het ongeloof verstomm’, dus ‘t is geen échte psalmbewerking.

Psalmen spelen – dat leerde je vroeger uit Worp! Het boek is vele malen herdrukt. In 1953 heeft George Stam de koralen zelfs nog helemaal ‘omgebouwd’ zodat ze een ritmische notatie kregen: het ritmisch zingen raakte in die tijd immers steeds breder geaccepteerd. De niet-ritmische is echter ook nog steeds verkrijgbaar, zelfs in een reprint van de eerste druk, compleet met klein gedrukte tussenspelletjes tussen de regels! En nog steeds geldt Worp voor velen als hét ultieme koraalboek. Het gebeurt zelfs wel dat organisten door kerkenraden worden vermaand over hun orgelspel en dan de wijze raad krijgen om voortaan maar gewoon uit Worp te spelen. Men schijnt te denken dat in Worp allemaal ingetogen en gedragen voorspelen staan. In zo’n geval zou ik zeker vragen of de dominee dan de eerstvolgende zondag Psalm 33 wil laten zingen…

Psalm 33 uit Worp: een feestelijk stukje muziek, waarin de psalmmelodie in geen velden of wegen te bekennen is. Aansluitend het koraal, met tussenspelen tussen de regels. Het is opnieuw een opname vanuit Blijham.

Johannes Worp – Psalm 33, gemeentezang vanuit Blijham

Cornelis de Wolf was de eerste Nederlandse organist aan wie de Prix d’Excellence werd toegekend. Hij was organist van de Eusebius in Arnhem en docent aan het conservatorium in A’dam. Bekend is zijn Fantasie over Psalm 33 (met de melodie niet-ritmisch als uitgangspunt). Gedegen vakmanschap blijkt ook uit zijn fugatische bewerking over Psalm 72, hier gespeeld op het Bätz-orgel van de Dom in Utrecht.

Cornelis de Wolf (1880-1935) – Psalm 72, Gerrit Chr. de Gier – Dom Utrecht

Niet iedereen was zo Duits georiënteerd. Sommige organisten en componisten richtten zich meer op de Franse kleuren. Zo ook C.F. Hendriks (1861-1923). Ik weet nog dat ik zijn Deuxième Sonate voor ‘t eerst hoorde en daar diep van onder de indruk was: een geweldig stuk! Ter illustratie enkele variaties over Psalm 107.

Cornelis Frederik Hendriks jr. – Variaties over Psalm 107, daaruit var. 5, 6 en 7, Henk Gijzen – Steenwijk

*******

Jan Zwart heeft het orgel geliefd gemaakt bij veel mensen. Hij heeft ook veel navolgers gekregen op het gebied van toegankelijke, gemakkelijk in het gehoor liggende koraalbewerkingen. Veel minder navolging kreeg Zwart op een ander punt, namelijk in zijn belangstelling voor de oud-Hollandse koraalkunst van Sweelinck, Van Noordt en Speuy.

Verschillende psalmbewerkingen van Jan Zwart zijn pas na zijn dood postuum uitgegeven. Leerlingen en zonen verzorgden die uitgaven van stukken die Zwart wel speelde, maar nooit op papier had gezet, of alleen schetsmatig.

Voorbeelden van die postume uitgaven zijn o.a. de Fantasie over Psalm 24, de Fantasie-Toccatine over Psalm 33, de Toccata over Psalm 146. Soms waren de zonen en leerlingen het zelfs niet eens over de juiste versie: daarom zijn er van het canonisch voorspel over Psalm 84 twee verschillende versies in omloop. Ook van de Fantasie en Fuga over Psalm 72 bestaan twee versies.

Tot de werken die Jan Zwart zelf publiceerde, behoren o.a. de Sombere muziek over Psalm 103:8, het Trio over het Gebed des Heeren, de 20 Korte koraalvoorspelen.

Een voorbeeld van een koraalvoorspel waarin Zwart duidelijk de klassieke componisten navolgt, zelfs in het gebruik van de kerktoonsoorten, is dit streng dorische voorspel voor Psalm 33, gespeeld op het Witte orgel in Jaarsveld.

Jan Zwart (1877-1937) – Psalm 33, Gerrit Chr. de Gier – Jaarsveld

In de generatie na Jan Zwart nemen de zonen en leerlingen van Zwart natuurlijk een prominente plaats in. Feike Asma heeft door zijn spel veel mensen voor het orgel ‘gewonnen’. Hoewel er heel wat muziek van hem is gepubliceerd, zag hij zichzelf niet als componist. In een interview zei hij: ‘Ik weet best wat ik kan en wat ik niet kan. Componeren kan ik dus niet. Ja, koraalbewerkingen, maar dat zijn geen composities’. Hij gebruikte liever de term ‘liedbewerkingen’. Naast ‘Komt als kind’ren van het licht’ is de Fantasie over Psalm 42: 3 en 5 een van zijn meest geliefde ‘liedbewerkingen’.

U hoort die Fantasie nu in een live-opname, dus met wat kuchjes en ander rumoer, vanuit de Westerkerk in Amsterdam.

Feike Asma (1912-1984) – Fantasie over Psalm 42: 3 en 5, Jaap Zwart jr,- Westerkerk A’dam (live)

Cor Kee (1900-1997) was ook een leerling van Jan Zwart. Aanvankelijk componeerde hij dan ook gewoon in de Zwart-stijl. Vroege werken van Cor Kee, waarin je de invloeden van Zwart nog hoort, zijn bijvoorbeeld de Fantasie in Toccata-stijl over Psalm 24 en de Toccata over Psalm 33. Onder het pseudoniem Orgelius publiceerde de jonge Cor Kee een serie koraalbewerkingen voor orgel of harmonium, die veel werd gespeeld door -zeg maar- eenvoudige harmoniumspelers. ‘Inleidingen tot de psalmen’ is een serie waarin hij al duidelijk meer zoekt naar een persoonlijke stijl. Boeiend om te zien hoe hij zich dan verder ontwikkelt. Dat gaat via een streng aan de kerktoonsoorten gebonden, meer moderne stijl (Psalmen voor orgel, vanaf 1936) naar echte avant-garde: de bundel Credo, waarin zelfs clusters worden voorgeschreven.

Een voorbeeld uit de Psalmen voor orgel, gespeeld op het Müller-orgel in de Jacobijnerkerk in Leeuwarden.

Cor Kee – Psalm 19 uit Psalmen voor orgel, Jan Jongepier – Leeuwarden

Uit 1949 dateert de Partite diverse sopra Pseaume 8 van Anton van der Horst (1899-1965), een van de meest hoogwaardige Nederlandse orgelcomposities van de 20e eeuw. Het stuk verscheen bij Ars Nova in Goes, een uitgeverij die gedreven werd door organist Adriaan Kousemaker. Ongeveer dertig jaar lang stond de naam Ars Nova voor eigentijdse koraalmuziek waarin gestreefd werd naar kwaliteit. De bloeiperiode van uitgeverij Ars Nova valt samen met het tijdperk waarin het Scandinavische orgeltype ingang vond in ons land. Dat waren instrumenten met een strakke vormgeving, een starre windvoorziening, een schematische dispositie en een rechtlijnige klank: duidelijk een reactie op de pneumatische orgels uit de vooroorlogse tijd. De muziek die bij Ars Nova verscheen, ontstond vaak in samenhang met dit nieuwe orgeltype. Een nieuw geluid: nuchter en sober, eigentijds, wars van sentiment en effectbejag.

Deze opname is wél gemaakt op een Flentrop-orgel, maar dan uit 1989, toen het Scandinavische orgeltype bij Flentrop allang passé was.

Anthon van der Horst – Partite diverse sopra Pseaume 8, Jan Jongepier – Cathedral of the Holy Name, Chicago

Adriaan C. Schuurman is naar mijn overtuiging wel een van de belangrijkste Nederlandse orgelcomponisten van de 20e eeuw. In ‘Muziek & Liturgie’, het blad van de GOV, werd onlangs de 20e eeuw zelfs ‘de eeuw van Adriaan Schuurman’ genoemd. Een echte kermusicus, niet een organist die zondags ook nog diensten speelde. Ik vind het nogal wat om een organistenpositie in die prachtige Joriskerk in Amersfoort met z’n grote Naber-orgel ter verruilen voor een nieuwbouwkerk in Den Haag. Dan ga je er toch niet op vooruit, zou je zeggen. Maar Schuurman zag dat anders: in Den Haag kon hij als kerkmusicus, als cantor-organist, z’n ei beter kwijt – en dus ging hij naar Den Haag! Zijn muziek heeft een heel eigen ‘kleur’. Schuurman verkent de grenzen van de tonaliteit, hij past graag de oude kerktoonsoorten toe – en op z’n eigen manier laat hij ook het contrapunt een behoorlijke rol spelen. Dat levert muziek op die zeker eigentijds is, maar toch dichter bij de doorsnee kerkganger blijft, toegankelijker is dan de muziek van Van der Horst die we net hoorden. Psalm 150 van Schuurman dateert uit 1953: dat verschilt maar 4 jaar met het stuk van Van der Horst.

Adriaan C. Schuurman (1904-1998) – Toccata, trio en fuga over Psalm 150, Kees van Eersel – Vlissingen

Zeg je Schuurman, dan zeg je Van den Berg. Leerling en vurig pleitbezorger van de muziek van Adriaan Schuurman is inderdaad Jan J. van den Berg, de vroegere organist van de Nieuwe kerk in Delft. Vijfenzeventig inmiddels, maar nog steeds vitaal en vurig! En ook nog immer actief als componist. Onlangs hoorde ik een recent werk van hem over Psalm 46, dat me bijzonder aansprak. Luistert u mee!

Jan J. v.d. Berg (1929) – Psalm 46, Gerben Mourik – Oude kerk Meppel

Sommige eigentijdse organisten en componisten hebben in hun composities en improvisaties elementen overgenomen uit de ‘minimal music’, een uit Amerika afkomstige stijl waarin inderdaad met minimale middelen muziek wordt gemaakt. Kleine bouwsteentjes, kleine motieven worden herhaald en herhaald, en juist door dat repeteren ontstaat een bijzonder soort atmosfeer, stilstaande beweging zou je kunnen zeggen. Het heeft ook iets medidatiefs in zich – en het kan bijna hypnotiserend werken. Het gedijt volgens mij alleen maar in kerken met een zeer goede akoestiek. Hoor je Bert Matter met zo’n improvisatie in minimal style in de Walburg in Zutphen, dan klinkt dat adembenemend. In een droog gereformeerd wijkkerkje lijkt het me minder aangenaam.

Diezelfde repeterende motieven horen we nu ook in een psalmbewerking van Jacques van Oortmerssen. Psalm 77, gespeeld op het Van Vulpen-orgel dat vroeger in Amstelveen stond maar nu in het Brabantse Berghem.

Jacques van Oortmerssen (1950) – Psalm 77, Dick Koomans – Berghem

De grenzen tussen componeren en improviseren vervagen steeds meer in ons technologische tijdperk. Een improvisatie zou een momentopname moeten zijn – en zou eigenlijk ook iets eenmaligs moeten zijn. Maar tegenwoordig kan iedereen cd’s opnemen en kunnen die eenmalige improvisaties dus ook worden vastgelegd en eindeloos worden herhaald. De betekenis van het woord improvisatie lijkt te vervagen: ik heb weleens advertenties gezien waarin een improvisatieconcert werd aangekondigd, met daarbij de toevoeging ‘met nieuwe improvisaties!’ Blijkbaar speelde die organist daarvóór altijd nog oude improvisaties – wat dat dan ook moge zijn…

Tegelijkertijd is onze tijd een tijd waarin alles maar ‘moet kunnen’, ook op muzikaal gebied. Allerlei muzikale stijlen bestaan naast elkaar. De een maakt stijlkopieën in een barokke trant, de ander blijft de muzikale taal van Jan Zwart spreken, een volgende hanteert eigentijdse middelen met veel dissonanten – en er zijn er ook die op de populaire toer gaan, gemakkelijk in gehoor liggende wijsjes met een luchtige begeleiding. Sommigen noemen zichzelf romantisch – maar ik vind het wel opvallend dat je zelden of nooit nieuwe koraalmuziek hoort die aansluit bij datgene wat we in de orgelliteratuur onder ‘romantiek’ verstaan, bij Mendelssohn, Franck, Guilmant, Reger. Rond het begrip ‘romantisch’ lijkt een behoorlijke spraakverwarring te bestaan.

Zonder te vertellen wat het is, en zonder er een oordeel aan te verbinden, wil ik u toch even twee fragmenten laten horen van improvisaties, afkomstig van recente cd’s, gewoon om te illustreren hoe ver de stijlen tegenwoordig uiteen liggen.

Henco de Berg – improvisatie Psalm 100, Henco de Berg – Laurenskerk Rotterdam

Martin Mans – improvisatie Psalm 42, Martin Mans – St. Eustache Parijs

Dat waren behoorlijke tegenstellingen! We eindigen met wat meer traditionele klanken. Klaas Bolt heeft vanmiddag het laatste woord. Bolt baande de weg voor het improviseren in een stijl die aansluit bij het klankkarakter van het orgel. Dat was voor velen een belachelijk iets: dat doe je toch niet, improviseren in een stijl van 200 of 300 jaar geleden? Maar Bolt deed het wél, omdat hij van mening was dat je een historisch orgel het best kunt presenteren, het meest overtuigend tot z’n recht kunt laten komen, als je een muzikale taal hanteert die overeenkomt met de muzikale taal die gebruikelijk was in de tijd toen dat orgel werd gebouwd.

In de tijd toen ik studeerde, jaren ’70, werd daar echt nog wat lacherig over gedaan, maar tegenwoordig krijgen orgelstudenten zelfs les in het improviseren in historische stijlen.

We eindigen dus met Klaas Bolt. Psalm 88 uit de beroemde samenzangopname in Rotterdam-Charlois. Geweldig, aangrijpend hoe daar de sfeer van de psalmtekst in tonen wordt geschilderd!

Klaas Bolt – improvisatie Psalm 88, Klaas Bolt – R’dam Charlois