Orgel Royal Albert Hall Londen klinkt als nooit tevoren

Afgelopen zomer kwam de mega-restauratie gereed van het grote orgel in de Royal Albert Hall in Londen.

Over het ingebruiknameconcert op 26 juni, dat zowel door de BBC als door de NPS werd uitgezonden, waren de meningen nogal verdeeld. Die betroffen niet zozeer het orgel als wel de programmering. Buiten het Orgelconcert van Poulenc en Liszts B-A-C-H vielen de werken van Samuel Barber (Toccata festiva) en Aaron Copland (Organ Symphony) niet erg in de smaak. Er waren waarachtig wel interessantere composities geweest waarmee de terugkeer van ‘The voice of Jupiter’ opgeluisterd had kunnen worden.

Gedetailleerde informatie over de orgelrestauratie was in juni niet beschikbaar. Adviseur Ian Bell komt volgend jaar met een uitgebreid boekwerk over het RAH-orgel. Wél vond er op zaterdag 20 november jongstleden in de Albert Hall een symposium over de restauratie van het orgel plaats. Meer dan 500 belangstellenden vulden die ochtend de arena van Londens oudste concertzaal om naar referaten van curator John Birch, adviseur Ian Bell en orgelbouwer John Pike Mander te luisteren, én natuurlijk naar het instrument zelf.

John Birch, niet van humor gespeend, vertelde dat iedere keer wanneer hij de afgelopen jaren het RAH-orgel bezocht, hij met angst en beven het aantal rode stickertjes op de registerknoppen tegemoet zag, die aangaven welke registers inmiddels buiten werking waren. Op een gegeven moment had hij zich zelfs afgevraagd of de rode stickers stonden voor stemmen die niet meer werkten, of juist voor registers die het nog wél deden…

Ian Bell gaf ons enig inzicht in de overwegingen die vóór de restauratie waren gemaakt: het orgel terugbrengen naar de oorspronkelijke toestand van Henry Willis (1871-1872), het optimaliseren van de toestand waarin de firma Harrison & Harrison het in 1924 en 1933 bracht, of totale nieuwbouw met gebruikmaking van oud pijpwerk. De eerst gesuggereerde mogelijkheid bleek al snel geen optie. Al na de ingebruikneming in 1872 waren er klachten dat het orgel niet toereikend voor de zaal was. Bovendien is het symfonieorkest sinds die tijd uitgebreid en was het orgel daarin ‘meegegroeid’. Ook voor nieuwbouw wilde men niet kiezen; waarom het wiel opnieuw uitvinden en geen gebruik maken van de kennis en kunde waarover Harrison & Harrison in de jaren dertig van de 20ste eeuw beschikte? Het werd dus: optimalisering van de toestand van 1933, maar met belangrijke verbeteringen aan de windvoorziening. Dit laatste was namelijk een probleem waarmee het orgel zijn leven lang te kampen heeft gehad (en waarvan elke plaat- en cd-opname getuigt).

We kregen een uitgebreide registerdemonstratie in de vorm van een veelkleurige improvisatie door Martin Baker, organist van Westminster Cathedral, waarin af en toe het thema ‘Land of hope and glory’ opdook. Baker liet vele facetten van het orgel horen, waarbij meteen duidelijk werd hoeveel het orgel aan presentie heeft gewonnen. Het is duidelijk dat de geheel opnieuw aangelegde windvoorziening zijn vruchten afwerpt. Overviel de luisteraar vroeger wel eens een gevoel van medelijden wanneer het orgel ‘alles moest geven’, nu triomfeerde het instrument zonder een spoor van ‘weakness’. Om te beginnen behoort het indringende windgeruis definitief tot het verleden, waardoor je ook de zachtste geluiden diep in het orgel kunt horen. De strakke prestantklank is weer duidelijk aanwezig (voorheen zweefde alles) en het Swell biedt een keur aan heerlijke geluiden. De tongwerken ‘hangen er niet meer bij’ maar staan stevig in hun stevels. Mét het goed functioneren van dit reuzenorgel heeft het naar mijn smaak ook iets van zijn charme verloren, iets wat ik ook ervaar bij bijvoorbeeld de orgels in de Saint-Sulpice in Parijs en de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, nu die gerestaureerd zijn en waarbij alles het weer ‘doet’. Ian Bell constateerde dat we het orgel nu weer kunnen horen zoals het publiek dat bij de ingebruikneming in 1933 moet hebben gehoord, maar ik denk zelfs dat het orgel – met deze, opnieuw aangelegde, windvoorziening – nog nooit zo heeft geklonken als nu.

De aanwezigen kregen ook de zelden gebruikte ‘snare drum’ en het fijnzinnige klokkenspel te horen.

John Pike Mander verhaalde hoe zijn vader en stichter van het bedrijf – Noel Mander – zich bezorgd toonde toen zijn zoon hem het nieuws vertelde dat hij de restauratie van het RAH-orgel in de wacht had gesleept. Nog verbaasder was hij toen hij van zijn ‘concurrent’ Harrison & Harrison vernam dat zij direct bereid waren alle benodigde informatie voor deze reuzenklus beschikbaar te stellen. Het tekent de goede sfeer die onder de leden van de IBO (Institute of British Organbuilding) heerst. Mander refereerde daarbij aan een geslaagde, onlangs gehouden barbecue met de leden van de IBO. Kom daar in Nederland eens om!

Zoals Arthur Harrison tijdens de ingebruikneming in 1933 ín het orgel had gezeten, zo had ook John Pike Mander op 26 juni ín het orgel doorgebracht om er in elk geval te zíjn in het geval er iets mis zou gaan, ook al wist hij ‘pretty sure’ dat er weinig mis kón gaan. De kortstondige uitval van de elektriciteit tijdens één van de Proms-concerten, breed uitgemeten in de media, was zijn firma in elk geval niet aan te rekenen.

Ten slotte speelde Clive Driskill-Smith (een naam om in de gaten te houden!) een spectaculair arrangement van Rossini’s Overture to William Tell en het eerste deel uit de zesde orgelsymfonie van Widor, waarmee een interessante en boeiende ochtend ten einde kwam. Helaas hing er een metalen monstrum met ontelbare spots voor het orgel, waardoor het maken van foto’s weinig zinvol bleek. De bij dit artikel getoonde foto’s zijn alle gemaakt door Mander Organs.

In maandblad ‘de Orgelvriend’ zal in de loop van volgend voorjaar een uitgebreider artikel over de restauratie van het Royal Albert Hall-orgel worden gepubliceerd.

[Gerco Schaap]

De foto’s bij dit artikel zijn geleverd door Mander Organs

Met dank aan John-Pike Mander

http://www.mander-organs.com/