Orgelkunst – juni 2007

Het juninummer van Orgelkunst 2007 bevat in 56 pagina’s vier bijdragen.

Toen Buxtehude op 11 april 1668 in de Marienkirche van de hanzestad Lübeck als opvolger van de in 1667 gestorven Franz Tunder zijn ambt als organist und “Werkmeister“aanvatte, kwamen twee belangrijke instrumenten onder zijn handen, die zelf een deel van één van de belangrijkste ensembles van de Noord-Duitse orgelbouwgeschiedenis vormden. Dat geheel bestond in de kern uit instrumenten die in de 15de en 16de eeuw waren ontstaan, maar na de nodige aanpassingen ook aan de eisen van de 17de eeuw voldeden. Dr.Ibo Ortgies uit Göteborg (SE) beschrijft beide orgels ten tijde van Dieterich Buxtehude in de Marienkirche te Lübeck naast de twee andere instrumenten die Buxtehude te zijner beschikking had: een regaal voor de uitvoering van ensemblemuziek alsook een positief.

In de Duitse muziekgeschiedenis is Dieterich Buxtehude (ca.1637-1707) de belangrijkste componist van zijn generatie,die zich situeert tussen Heinrich Schütz (1585-1672) en Johann Sebastian Bach (1685-1750). De vooruitstrevende praeludia van de organist van Lübeck werden zeer gewaardeerd door opeenvolgende generaties van musici en behoren vandaag de dag tot het standaardrepertoire van de organist. Bovendien vormen deze werken Buxtehudes belangrijkste bijdrage op het gebied van muziekcompositie. Naar aanleiding van het tricentinarium van zijn overlijden focussen we op het enige historische muziekhandschrift met werk van Buxtehude dat België rijk is, beter bekend als het Agricolahandschrift. Dit handschrift behoort al meer dan honderd jaar tot de verzameling van het Koninklijk Conservatorium Brussel en wordt beschreven door Dr. Johan Eeckeloo, bibliothecaris van het Koninklijk Conservatorium Brussel.

Historicus Wenceslaus Mertens en orgelmaker Joris Potvlieghe beschrijven respectievelijk de geschiedenis en de technische aspecten van het zopas gerestaureerde historische Davit-orgel uit 1710/1742 te Houtem bij Vilvoorde.

Tenslotte reflecteert Stef Tuinstra (NL) over het pedaalspel van Johann Sebastian Bach: Tuinstra probeert aan te tonen dat de tot nu toe gedane studies met betrekking tot het pedaalspel in de 17de- en 18de eeuw zijn uitgegaan van een te eenzijdig onderzoekskader. Wil men te weten komen of en zo ja hoe er door de eeuwen heen al dan niet allen met de punten of met punt-hak is gespeeld, dan dienen daarbij ook aspecten als fysiologie, de grote (ergonomische) verschillen tussen barokke claviaturen onderling, de psyche en de kunde van de schrijvers van de geciteerde bronnen, de toenmalige schoeiselmode en de toenmalige lichaamslengte in verhouding tot die van de westerse mens van tegenwoordig betrokken te worden. Alleen dan kan een completer en dus betrouwbaarder beeld van de speelesthetiek in vroegere tijden verkregen worden.

De nu reeds enkele decennia als historisch vaststaand feit geaccepteerde stelling dat Bach alleen met de voetspitsen gespeeld zou hebben, en dat logischerwijs dan ook de 16de– en 17de eeuwse literatuur dezelfde aanpak moet hebben, wordt onder de loep genomen. Dit n.a.v. de nuancering die de laatste jaren hierin is ontstaan dat er tóch wél een beetje met de hak gespeeld zou zijn. Ook het door velen gebruikte argument dat het op barokke pedaalklavieren niet mogelijk is om met punt-hak te spelen wordt bij deze analyse betrokken.

In de rubriek “besprekingen” wordt aandacht besteed aan de nieuwe opname van Bernard Foccroulle met orgelwerk van Buxtehude, de CD-opnames van Geert Bierling met orgelbewerkingen, de orgelsymfonieën van Vierne en Mozart op Italiaanse orgels.

Daarnaast zijn er de vaste items als “nieuw verschenen,”berichten”, “agenda” en “overzicht van internationale orgeltijdschriften”.

De column voor dit juninummer is geschreven door Laurens De Keyzer, redacteur bij de krant De Standaard en kreeg als titel “muziek van lucht”.

© 2007 www.orgelnieuws.nl