RECENSIE Bruckner vroege orkestwerken door Rudolf Innig in Hannover

cd bruckner orgel rudolf innig

Liefhebbers van orgelrepertoire uit de romantiek zullen het betreuren dat de grote Oostenrijkse componist Anton Bruckner (1824-1896) zo weinig voor orgel gecomponeerd heeft. Behoudens een aantal stukken die in zijn studietijd ontstonden is er maar één werkje voor harmonium overgeleverd waarin echt de hand van Bruckner herkenbaar is: het Präludium in C-Dur, bijgenaamd ‘Perger Präludium’. Het duurt twee minuten – Jean Guillou wist het met zijn interpretatie tot vier minuten te rekken – maar dat is het dan ook wel.

Terwijl Bruckner toch zeven jaar organist was van de Stiftskirche in St. Florian, dertien jaar van de Alte Dom in Linz en als organist verschillende tournees door Europa ondernam om op orgels in o.a. Parijs (Notre-Dame) en Londen (Royal Albert Hall) te improviseren. Het was echter zijn ideaal om symfonische werken te schrijven en daarom ging hij harmonieleer en contrapunt studeren bij de Weense muziektheoriedocent Simon Sechter.

Studieperiode

Nadat hij die studie succesvol had afgesloten in 1861 ging hij vervolgens freier Komposition studeren bij de tien jaar jongere kapelmeester Otto Kitzler. Bruckners ontwikkeling in het componeren van symfonische orkestwerken wordt zichtbaar in het pas in 2014 gepubliceerde Kitzler Studienbuch dat 326 bladzijden met oefeningen, schetsen en composities van Bruckner bevat.

Zijn tweejarige studieperiode bij Kitzler sloot Bruckner af met twee orkeststukken (WAB 96 en 97), de Ouverture in g-Moll (WAB 98) en de Symfonie in f-Moll (WAB 99), de zogenoemde Studiensinfonie. Het zijn deze eerste orkestwerken die de Duitse concertorganist Rudolf Innig voor orgel heeft gearrangeerd en voor MDG heeft opgenomen op het Goll-orgel in de Marktkirche van Hannover.

Transcripties

Het gebrek aan orgelwerken van Bruckner én het feit dat de Oostenrijkse meester zo thuis was op het koninklijk instrument heeft verschillende organisten aangezet tot het maken en uitvoeren van transcripties van zijn symfonieën. Een van de eersten die daarmee in de vorige eeuw begon was de Duitse organist Erwin Horn; hij bewerkte het Andante uit de ‘Nulde Symfonie’, de Adagio’s uit de Zesde en de Zevende, het Scherzo uit de Studiensinfonie en meer. Momenteel is hij doende alle Bruckner-symfonieën voor orgel te bewerken voor organist Hansjörg Albrecht, die ook bezig is ze op te nemen voor Oehms Classics.

Wie zich afvraagt of dat transcriberen van Bruckners symfonieën voor orgel nu zo zinvol is – ‘er is toch genoeg ander romantisch orgelrepertoire’ – wijs ik graag op een uitspraak van de dirigent Herbert Blomstedt, die in een documentaire op YouTube opmerkt dat Bruckners symfonieën bij uitstek geschikt zijn om in een kerk te worden uitgevoerd.

Symfonische etudes

Niettemin heb ik me bij het beluisteren van deze cd afgevraagd of juist Bruckners ‘symfonische etudes’ wel zo geschikt zijn om voor orgel te bewerken. Rudolf Innig schrijft in het booklet dat hij hierin ‘de sporen van de door orgelspel en orgelklank geïnspireerde componist’ wil laten zien. Maar juist in die vroege werken vind ik nog niet veel terug van de karakteristieke stijl van de latere Bruckner.

38 jaar was Bruckner toen hij aan de Ouverture in g begon. Het werk zit goed in elkaar en voldoet perfect aan de vormleer die hij in de voorliggende jaren heeft bestudeerd. De Mars in D en de drie orkeststukken (Moderato – Andante – Andante con moto) waren toen al gereed. Aan het idioom zou je niet zeggen dat hier de man van de grote symfonieën aan het woord is. Je denkt eerder aan Gustav Merkel, Niels Gade, soms even aan Rheinberger. Er komen geen beelden van landschappen bovendrijven zoals bij de symfonieën, hooguit enkele vredige dorpstafereeltjes.

‘Schularbeit’

Ook de Studiesymfonie in f ademt nog niet de geest van de ‘kekke’ Eerste Symfonie die slechts vier jaar later ontstond, of de Symfonie in D uit 1869, die de bijnaam ‘Die Nullte’ kreeg omdat Bruckner de partituur terzijde legde met een grote 0 op het schutblad, maar desondanks door de meeste dirigenten als volwaardig wordt beschouwd. Het bondige Scherzo komt nog het meest in de buurt van Bruckners latere stijl.

‘Nicht besonders inspiriert’ was het oordeel van leermeester Kitzler toen hij het resultaat van de Studiesymfonie onder ogen kreeg. Een uitvoering kwam dan ook niet tot stand, ondanks verwoede pogingen daartoe van de componist. Het zou niet de eerste keer zijn dat Bruckner teleurgesteld werd na de afwijzing van een door hem gecomponeerde symfonie. In later jaren schrapte hij het werk dan ook uit zijn lijst genummerde symfonieën en bij de laatste revisie van zijn werken in de vroege jaren 1890 deed hij de partituur dan ook af als ‘Schularbeit’.

Rond

Het orgel waarop Innig zijn bewerkingen uitvoert klinkt anders dan je zou verwachten bij het zien van de orgelkas. Het werd in 2009 gebouwd door Friedrich Goll Orgelbau AG in de door Dieter Oesterlen ontworpen orgelkas voor het oorspronkelijke Von Beckerath-orgel uit 1955. Die kas is beschermd en moest worden hergebruikt, met als gevolg dat je in de Hannover Marktkirche ‘niet hoort wat je ziet’. De orgelklank is tamelijk ‘rond’, passend bij Bruckner.

Het booklet bevat een duidelijke toelichting van de organist, zijn cv en alleen de dispositie van het orgel. De registraties zijn globaal uitgewerkt en de voorlaatste bladzijde bevat enkele notenvoorbeelden.

Meer

Persoonlijk ben ik meer benieuwd naar de intussen ook verschenen orgelbewerkingen van de ‘Nulde Symfonie’ door Hansjörg Albrecht op het Bruckner-orgel in Sankt Florian op Oehms en de Negende door Thilo Muster op het Stahlhuth-orgel in Dudelange op Organroxx. Meer daarover verschijnt in een vergelijkend artikel in De Orgelvriend.

Anton Buckner: Symphony F minor e.a.

Bruckner / arr. Innig: Symphony F minor (WAB 99); Ouverture G minor (WAB 98); Three Pieces for Orchestra (WAB 97); March in D minor (WAB 96)

Rudolf Innig, Goll-orgel, Marktkirche, Hannover (D)

MDG – 917 2174-6 TT 70’24, booklet 28 p. EN/FR/DE, prijs ca. € 20