23 oktober 2019

RECENSIE J.S. Bach – L’Art de la Fugue à St-Benoît-sur-Loire

De ‘Kunst der Fuge’ met z’n canons en contrapunten: het is een werk dat vragen oproept. Welke stukken horen erbij? Hoe moet het worden uitgevoerd? En in welke volgorde? Bach liet zich er niet over uit. Bovendien voltooide hij de laatste fuga niet. Per ongeluk of expres?

Het leverde stof voor discussie en leidde tot verrassende uitvoeringen. Wat dacht u van deze, op harmonium, of deze, door rietblazers? Wat van dit vrolijke trio, en wat van dit bruisende barokorkest? En nu we toch bij Contrapunctus IX zijn: wie kent ze nog, de Swingle Singers?

Uiteraard is de Kunst der Fuge ook door organisten uitgevoerd. Power Biggs was waarschijnlijk de eerste het op de plaat zette: in 1941, op een neobarokke Aeolian Skinner (voorganger van de Flentrop) in Harvard. Hierna volgden Heitmann op een Schuke in de Berlijnse Dom (1950) en Walcha in Alkmaar (1956). Een indrukwekkende schare van spelers volgde hen na (zie onder).

Canons

Onlangs heeft Vincent Grappy zich bij dit gezelschap gevoegd. Hij is leerling van Houbart, Robilliard, M.C.Alain, en organist van de kathedraal in Blois. Grappy’s uitvoering lijkt op die van zijn voorgangers. Evenals Beekman (1995) en Kooiman (1997) speelt hij de fuga’s in de vermoedelijke volgorde, met verzorgde articulaties en afwisselende registraties. En net als Rübsam (1993), Berben (2010) en Gary (2015) laat hij de canons niet pas tegen het eind, maar ter afwisseling van de fugagroepen horen (1-4: enkele-, 5-7: dubbele-, 8-11: meerthematische-, 12-13: spiegelfuga’s en 14: slotfuga). Zo wordt het luisteren verlicht.

Aantekening aan het eind van Contrapunctus XIV. ‘NB ueber dieser Fuge, wo der Nahme BACH im Contrasubject angebracht worden, ist der Verfaßer gestorben.’
Slotfuga

In tegenstelling tot genoemde spelers, voert Grappy de slotfuga in een voltooide versie uit. Daar is wat voor te zeggen. Allereerst omdat Bach waarschijnlijk niet boven dit stuk gestorven is, zoals het manuscript vermeldt. Maar vooral omdat dit veertiende contrapunt afbreekt op de plek waar Bach zijn handtekening zet: in maat 239, als het 14-tonige BACH-thema met de vorige twee is gecombineerd, na een maat die precies 14 noten telt (2+3+9 = 14 = 2+1+3+8 = B+A+C+H). Het is daarom niet ondenkbaar dat Bach deze fuga heeft bedoeld als breinbreker voor vernuftige vakgenoten (Mizler c.s.), wier namen in de eerste contrapunten zijn verstopt. En het stuk hoeft daarom, hoe mooi ook, niet als een nachtkaars uit te gaan.

Breinbreker

Grappy speelt het veertiende contrapunt met het slot van Monroney (1985). Hierin wordt, naar Bachs bestek, de Fuga a tre soggetti met behulp van het hoofdthema netjes tot een Quadrupelfuga uitgebouwd. Ondanks de aangename lengte (30 maten) en fraaie momenten (onderdominant en chromatiek), overtuigt Monroney me niet helemaal. Maar dat doet ook Foccroulle (2010) niet, wiens slot welluidend, maar met 20 maten en één combi-inzet nogal mager is. En fantastisch klinkt Ferguson (1993), die met 34 inzetten in 12 verschillende samenstellingen en een Passacaglia-achtig slot Bach naar de kroon steekt. Maar met 100 maten overschrijdt hij ruimschoots de marges van de enkele pagina die Bach ter beschikking had. Daarom houd ik het maar op Van Houten (2011), wiens besluit van 33 maten en 14 inzetten keurig klinkt – en in elk geval qua opzet zeer plausibel is.

Abdij van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire (F)| © Christophe Finot
Gravtiteit

Grappy voert de fuga’s uit waar hij ertoe werd uitgedaagd: in de Abdij van Fleury. Het orgel daar is in 1984 gebouwd en in 2008 gereviseerd door de Zuidfranse firma Sals. Het bevat pijpwerk uit het vorige instrument van Grantin, Thierry en Isnard (1657/1704/1774): een krijgertje uit het naburige Orleans. In 1935 werd het door Gonzalez verclassiceerd. Het huidige instrument wil, volgens het cd-boekje, een reconstructie zijn van de Thierry – maar dat lijkt me teveel eer: Grand Orgue noch Positif bezit een ‘Jeu de Tierce’, en de oude Cornet is, met Spaanse chamades, op een Italiaans Récit gezet. Het instrument klinkt helder, zodat het lijnenspel der fuga’s prima te volgen is. Maar het mist Gravität, waardoor de canons en contrapunten minder indruk maken dan op een Schnitgeriaanse Brombaugh (Gary) of een oude Silbermann (Maierhofer).

Sals-orgel (1984/2008) in de Abdij van Fleury | © Bivouacker CC BY-SA 3.0
Vluchtigheid

Grappy compenseert dit echter door zijn verzorgde manier van spelen. Soms is er een neiging om noten te kort te maken, zodat weefsels scheef trekken. Maar zijn executie van een complexe constructie als elf is af. Imposant ontspint zich de vierde canon. In de tweede spiegelfuga tinkelen vrolijke triolen. En in het tiende contrapunt, gespeeld op een verstilde Gemshoorn, lijkt het wel alsof de muziek door oneindige ruimten zweeft.

Sterren

Wat dat betreft staat er een mooi plaatje op de cd: het mozaiek van een ster, één van de vele die in de vloer van Fleury te vinden zijn. Past prima bij Bachs kunstig fugawerk, dat als een ster aan de polyfone hemel staat. En bovendien bekoren kan. Ook bij Grappy is daar iets van te merken.

 


Johann Sebastian Bach

L’Art de la Fugue à St-Benoit-sur-Loire

Vincent Grappy | orgue Sals de l’Abbaye de Fleury (Saint-Benoît-sur-Loire) – Loiret

Editions Hortus – Hortus 165-166, 2cd TT 93’10, booklet 28 p . FR/EN, prijs € 15,00 | editionshortus.com

 


Discografie Kunst der Fuge (orgel)

Bekijk in volledig scherm

 

 

X