TerugWerk VIII – Marius Monnikendam

marius monnikendam

In TerugWerk blikt Bert Rebergen terug in kranten en artikelen uit het verleden, op zoek naar orgelnieuws. Wat speelde destijds? Wat hield de orgelgemoederen bezig en hoe kijken we daar nu verrast, met een glimlach, hoofdschuddend, met instemming knikkend, of met enige weemoed op terug? Deel VIII: Marius Monnikendam.

De brug van César Franck in de vorige column ‘Terugwerk’ naar Marius Monnikendam is zo groot niet. De bekende Haarlemse componist Monnikendam schreef een biografie over Franck, was leerling van Vincent D’Indy en raakte bevriend met Charles Tournemire.

Voor een echt Monnikendam-jaar moeten we nog vijf jaar wachten, want dan is het vijftig jaar geleden dat hij overleed, juist terugkerend van een reis uit Duitsland waar zijn jongste compositie werd uitgevoerd. 

Monnikendam liet een aanzienlijk oeuvre achter, maar toen ik zijn naam intikte bij Spotify verschenen slechts drie ‘nummers’, waarvan twee dezelfde: zijn eerste Toccata voor orgel en de derde track is de aan Pierre Cochereau opgedragen Toccata Concertante. Op YouTube vind je wat meer materiaal, maar ook dat is slechts een schamel deel van een groter geheel.

U mag van Feike Asma vinden wat u wilt, maar hij was het toch die mij liet kennismaken met deze dynamische man en componist. De zwarte dubbelelpee uit de Bavo van Haarlem – Asma op z’n best! – met de aan Asma opgedragen Sonata da Chiesa uit 1961 draaide ik grijs. 

Na het heengaan van Asma, Wim van der Panne en Jan Schmitz werd het in de orgelwereld stiller rond Monnikendam. Niet helemaal, want er bleven organisten die zijn oeuvre aandacht gaven. Daarbij vooral denkend aan Jaap Kroonenburg, Aart de Kort en Ab Weegenaar. 

Dit keer brengt Tubantia me op het spoor van de persoon in kwestie. Het is de editie van vrijdag 24 maart 1972. Op de voorpagina lezen we dat er een groot gebrek is aan autobanden. De Gasunie stopt met maken van reclame voor gasgebruik – toen al! – en Londen neemt het bestuur over van Noord-Ierland.

Monnikendam krijgt aandacht vanwege de uitvoering van diens Via Sacra in Oldenzaal. Een Chemin de la Croix voor gemengd koor, jongenskoor, spreker, orgel en slagwerk. Monnikendam wilde in 1969 met dit werk de traditionele uitvoeringen van ‘standaard’ passionen doorbreken, door de lijdensgeschiedenis op eigentijdse wijze tot een muzikaal verhaal te maken. 

En dit alles werd opgeluisterd met dia’s waarop de niet alledaagse kruiswegstaties van de kort daarvoor overleden Aad de Haas te zien waren. De Haas wilde net zoals Monnikendam dat het passieverhaal niet bleef steken in de tijd van toen, maar hertaald werd naar het heden. Dieren spelen in die kruiswegstaties een belangrijke rol. Zodra Christus alleen is, verschijnt een hondje om te laten zien dat mensen ontrouw zijn, maar een hond je niet in de steek laat. De Haas was altijd begaan met de verschoppelingen in de maatschappij en wilde vooral de menselijkheid van de Verlosser uitbeelden. Deze bijzondere afbeeldingen zijn nog steeds te zien in de Cunibertuskerk te Wahlwiller in Zuid-Limburg. Volgens het krantenartikel zou de kruiswegstatie uit de min of meer traditionele veertien staties bestaan, maar die van De Haas heeft er zestien.

Ver voordat er werd geïmproviseerd op schilderijen van Rien Poortvliet en ‘stomme’ films, was er hier al een plaatje bij het muzikale verhaal.

In het krantenartikel zien we Monnikendam niet achter een orgel zitten, maar achter het klavier van het ‘elektrische Amerikaanse carillon van Wassenaar’. Over die klokken kon ik geen informatie vinden. Misschien dat Boudewijn Zwart het verhaal achter dat carillon kent …

Het koorwerk wordt in Tubantia vergeleken met de stijlen van Honegger, Orff, Bartok, maar ook met Franck. Hoe kon het ook anders. Het is zeer ritmisch, hetgeen niet verbazingwekkend is voor wie het oeuvre van Monnikendam een beetje kent.

Maar, nergens kom ik een opname van dit werk tegen. Sterker nog, je vindt dus bijna niets terug van een interessant componist die een indrukwekkende werkenlijst achterliet. 

Waarom raakte de man zo in de vergetelheid? Is zijn muziek, zoals een collega-organist me ooit zei, het … net niet? Is het niet licht en luchtig genoeg, of durfden te weinig muzikanten iets met zijn muziek te doen?

Dat wat wel bekend is maakt mij in ieder geval nieuwsgierig. We hebben nog vijf jaar om straks in 2027 deze opmerkelijke eend in de Nederlandse muzikale bijt opnieuw in het zonnetje te zetten. En dan niet alleen zijn orgelwerken, alstublieft!

Waar ik het las weet ik niet meer, maar het bleef me altijd bij, waarbij ik hoop dat mijn geheugen me niet bedriegt. Toen de vrouw van Monnikendam na zijn dood zijn agenda opende stond op de bladzijde van zijn sterfdag het woord ‘dood’ duidelijk geschreven, in zijn handschrift. De boom waar hij vanuit zijn studeerkamer graag naar keek lag mei 1977 omgekieperd in de tuin. En Monnikendam zou de wens hebben uitgesproken dat hij zou worden begraven in dezelfde houten kisten waarmee orgelpijpen dikwijls worden vervoerd.

Al heb ik het mis … moge het oeuvre van Monnikendam niet in een zorgvuldig afgesloten graftombe uiteindelijk in de vergetelheid geraken. De kruiswegstatie van De Haas eindigt met een geopend graf. Dat biedt perspectief!

Bert Rebergen (*1969) is ruim dertig jaar actief in het onderwijs en treedt op als spreker en verhalenverteller. Orgelmuziek mag zich in zijn belangstelling verheugen. Dit als luisteraar en als bespeler van menig instrument. Hij schrijft sinds 2006 voor ORGELNIEUWS als columnist en recensent.