50 jaar Marcussen-orgel Nicolaïkerk [RECENSIE]

Wie de orgelbladen leest en ook de internetmedia in de gaten houdt, is er niet aan ontkomen: de neo-barok in het algemeen en het Utrechtse Nicolaïorgel in het bijzonder zijn ‘hot’. In 1956 zorgde de toenmalige Nicolaïorganist Lambert Erné voor een kleine revolutie door het naar zijn plannen gebouwde Marcussenorgel ten doop te houden.

Karakter en bouwwijze van dit instrument zouden de volgende decennia de toon zetten in de (protestantse) vaderlandse orgelbouw, vooral ook door Erné’s invloed binnen de Hervormde Orgelcommissie. Zeker nadat enkele jaren geleden ook het kleine Marcussenorgel van de NCRV (het Sweelinck-orgel) in de Nicolaïkerk werd geplaatst was de kerk de afgelopen tijd het toneel van diverse ‘neo-barokke herdenkingen’ en verscheen ook een uitgebreide monografie van dit orgel.

Nu moeten we uitkijken dat we de betekenis van Erné en dit orgel ook weer niet eenzijdig overdrijven. We zouden daarmee zeker enkele vaderlandse orgelmakers en adviseurs schromelijk tekort doen. Zo bouwde Flentrop vóór 1956 al enkele karakteristieke en minstens zo monumentale orgels in o.a. Bussum (1949), Doetinchem (1953) en Wageningen (1955) en vond het Nederlands (gereformeerd) protestantisme in een adviseur als Dirk Jansz. Zwart al eerder een warm pleitbezorger van degelijke en boventoonrijke mechanische orgels. Dat het geraffineerde uiterlijk van het Nicolaïorgel in Nederland een unicum is gebleken, zal niemand betwisten.

De beide huisorganisten van de Nicolaïkerk, Stephen Taylor en Ko Zwanenburg, presenteren hun instrument nu met een origineel programma. Maar al te vaak worden bij dit soort orgels al gauw de namen genoemd van de Duitsers Distler, Rheda en Pepping, maar waarom precies is mij nooit overtuigend duidelijk geworden. Dat hun muziek in het neo-barokke orgel een goed medium vindt, is niet onomstreden, maar evenzo geldt dit m.i. voor de muziek van Hans Micheelsen, Harald Genzmer of, om in eigen land te blijven, Anthon van der Horst, Jaap Dragt of het latere werk van Jacob Bijster en Louis Toebosch. Taylor en Zwanenburg betreden gelukkig niet die al te veel betreden paden.

Zeker, Distler is met zijn partita over Wachet Auf (keurig gespeeld door Taylor) vertegenwoordigd, maar daarnaast horen we overrompelende vertolkingen van Bruhns’ kleine Preludium in e en de Tanztoccata van Heiller. Gebruiksmuziek die meer de registerdemonstratie dient dan de muziekliefhebber is er ook te vinden in korte koraalbewerkingen van Helmut Walcha, Cor Kee, Willem Petri en een postludium van de Utrechtse componist Jeroen Snijders.

Het Nederlandse repertoire is verder ruim vertegenwoordigd in een originele partita van oud-Nicolaïorganist Johan Spelde, een Fantasie over Psalm 90 van Bert Matter en het aanstekelijke en trefzeker uitgevoerde 1e deel uit het Concerto voor orgel en koperblazers van Marius Monnikendam.

De prima spelende Rotterdamse blazers horen we ook nog in samenspraak met het orgel in een Canzone van Gabrieli, waarbij opvalt hoe boventoonrijk (en grondtoonarm) het Marcussenorgel kan klinken in vergelijking met het sonore koper. Voor ons is deze cd een aangename luisterervaring geweest, wellicht meer door de kennismaking met het muzikanteske spel van met name Ko Zwanenburg (dat Taylor goed speelt, wisten we al) en het geboden repertoire dan de bergkristallen klanken van het Marcussenorgel.

 


50 jaar Marcussen-orgel Nicolaïkerk  Utrecht

Ko Zwanenburg – Stephen Taylor

m.m.v. Rotterdam Philharmonic Brass Soloists

muzikale interpretatie: * * * * *
programmakeuze: * * * *
keuze van het instrument: * * * * *
kwaliteit van de opname: * * * *
informatie in het booklet: * * * * *
grafische vormgeving: * *

De cd kan worden besteld door het overmaken van € 18,50 (incl. € 3,50 verzendkosten) op bankrekeningnummer 69.97.98.183 ten name van PGU Wijk Nicolaïkerk, Tolsteegsingel 10, 3582 AD Utrecht . De CD wordt u dan toegestuurd. Bij betalingskenmerk graag vermelden ‘cd’ en uw adres.

 

© 2007 www.orgelnieuws.nl