20 september 2019

‘Als je het een beroep kunt noemen.’ Gesprekken met Bernard Haitink

bernard haitink

De van origine violist maar vooral als dirigent bekend geworden Bernard Haitink heeft inmiddels 85 levensjaren achter de rug, hetgeen aanleiding is geworden om een heel boek aan deze vaak geroemde en wereldberoemde kunstenaar, en voormalige chef maar thans (gebrouilleerd) eredirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, te wijden. Een soort vakbiografie.

 

Maar wacht eens even, een dirigent als kunstenaar beschouwen: Haitink is de eerste om dat te ontkennen. Dit deed hij dan ook eens tijdens een persgesprek medio 80-er jaren in Amsterdam. Haitink: ‘Het zijn de musici van orkesten die dit predicaat verdienen en de componisten wier orkestwerk ik mag dirigeren’. Waarmee deze oer-Hollandse Maestro zich, weer, meteen naar achteren in het beeld trachtte te manoeuvreren. Typisch Haitink? Zeker weten. Maar terecht? Nou nee.

 

Want wie als dirigent tijdens publieke optredens orkesten op zijn zachtst gesteld tot bovengemiddelde prestaties weet te dringen – wat menigeen in de concertzaal, aan de buis, radio of bij de geluidsboxen thuis diep raakt – die vráágt er natuurlijk om bewust of (in Haitinks geval juist helemaal) niet, in de schijnwerpers te staan. Immers, het willen weten wat iemand, mens van vlees en bloed, nou precies maakt tot een groot kunstenaar – sorry Maestro Bernard – intrigeert natuurlijk tot en met. Als het daarbij al niet om lichte, onderhuidse irritaties gaat: want wat maakt dat hij wel kan wat ik niet kan? Zoiets.

 

Uitgevers van biografieën van uitmuntende medemensen, levende en reeds gestorven, gedijen nu eenmaal op dit sentiment. En dit al vanaf de negentiende eeuw trouwens, toen de burgerij in getal en macht op stoom kwam en onder andere hun deel opeiste aan het kunstenvertoon. Gevolg: grote concertzalen, opera- en theatergebouwen in plaats van kleine hoftheaters en -concertzalen. En de hiermee samenhangende behoefte aan helden die het leven in een groeiende massacultuur nog ergens ankerplaatsen kunnen bezorgen: hierin excellente helden bij voorkeur. Nog steeds is dit het geval: Niek Nelissens Haitink-biografie staat in deze nieuwsgierigheidbevredigende boekenrij.

 

Als je het een beroep kunt noemen. Gesprekken met Bernard Haitink over zestig jaar dirigeren

 

 

De Duitse journalist Klaus Umbach, schrijver van het nog steeds hilarische ‘Geldschein-Sonate – das Millionenspiel mit der Klassik’, beschouwde de Nederlandse dirigent zo’n beetje als het beste wat een orkest, waar dan ook, maar kan overkomen. Wars van humbug, bloednuchter en volstrekt geconcentreerd op de uit te voeren muziek wist en weet Haitink – still going strong – orkesten tot prestaties te stuwen die vaak ver boven het normale ensembleniveau uitstijgen. Of dit nu Amsterdam betreft, Londen, Berlijn, Wenen, Boston, New York, voor vast of als gast: dat maakt niet uit.

 

In dit opzicht staat Haitink op een lijn met de charismatische Duitse dirigent Wilhelm Furtwängler (1886-1954) die ‘zijn’ Berliner Philharmoniker tot embleem maakte van de in de negentiende eeuw diepgewortelde symfonische orkestkunst en dit op het allerhoogste niveau qua ensemblesonoriteit, -brille en diepwoelende, monumentale expressiviteit.

 

Auteur Niek Nelissen wist dat Haitink er van zijn levensdagen niet toe te bewegen zou zijn om mee te werken aan een boek over hem waarin hij vooral, zoals dat zo mooi heet, als persoon in beeld zou komen. Hij voerde, in het geheim en met de wederzijdse mogelijkheid tot tussentijds afhaken, ‘slechts’ gesprekken met Haitink waarvan de weerslag-op-papier alleen met goedkeuring van Maestro in het beoogde boek terecht zou komen. Het moest en zou louter over hem als dirigent gaan. Deze ‘truc’ werkte, de eerste geautoriseerde Haitink-biografie ligt er en de Maestro was bereid om het eerste exemplaar recent officieel in ontvangst te nemen. Roma locuta, causa finita dus.

 

Nelissens werkformule was de reactie op een Haitink-biografie uit 2006 waarin de auteurs in kwestie aspecten van Haitinks privéleven (een rare uitdrukking ergens) in beeld brachten die de dirigent, in de voorbereidende fase ervan, in niets uitstaande vond hebben met zijn werk als dirigent. Bescheidenheid van Haitink? Kan zijn. Maar ook kwam er ongetwijfeld te veel emotionele rimram uit het verleden door naar boven. Haitink ondervond als jongen de grauwheid en vooral de spanningen van de Duitse bezetting aan den lijve, tot in het ouderlijke huis: niet-onbelangrijk qua invloeden op de ontwikkeling van een jong mens. Waardoor er door Haitinks afhaken in het wordingsproces geen controle op feitengegevens, namelijk door hemzelf, mogelijk was. Volgens de dirigent wemelt dat boek dan ook van de feitelijke onjuistheden. Tsja, hoe zou dát nou komen?

 

In het nieuwe boek komen dan ook slechts af en toe gegevens naar voren die iets van Haitinks persoonlijk leven uitdrukken, namen van verwanten met name, maar meer ook niet. Dat is jammer en ook ergens, vanuit zuiver biografisch standpunt bekeken, heel raar. Want dat het persoonlijke (de mens) en het institutionele (de dirigent) elkaar raken, beïnvloeden, zo niet overlappen, is natuurlijk evident. En juist dit komt in het boek nauwelijks aan de orde, terwijl er wel alle aanleiding van de wereld toe is.

 

Wanneer Haitink namelijk rept over grote spanningen die in den 80-er jaren optraden tussen hem en de orkestleiding en op een gegeven moment zelfs met de musici van het Concertgebouworkest, dan wordt de oorzaak ervan voornamelijk geduid met metaalmoeheid, gevolg van een erg lange tijd van samenwerken tussen hem en het orkest. Kan kloppen. Maar wat buiten beeld blijft is dat de persoonlijke verhoudingen tussen Haitink en orkestleden sterk verslechterden omdat op enig moment een intieme betrekking van hem met een orkestlid, waaruit zelfs een kind geboren werd, werd afgebroken. De persoon in kwestie bleef natuurlijk om den brode in het ensemble werken waar ook haar vader elders op de bühne te vinden was. Nogal netelig al met al. En sfeerverpestend, want zo’n heel orkest is natuurlijk als een dorp, waar iedereen iedereen kent en de factor sociale controle vrij intens is (roddelen waarin feiten, halve feiten en hele leugens om en over elkaar heen cirkelen incluis). Haitinks gezag ging dan ook down-the-drain.

 

Nu interesseert het Nederlanders in de regel weinig wat mensen in hun privéleven uitspoken – vraag door enthousiast innamegedrag losgaande parlementaire journalisten maar eens naar het menselijke en al te menselijke gedrag van de heren- en dames-volksvertegenwoordigers: juicy stories! – maar wanneer dit het werk raakt, komen de kaarten toch anders te liggen. Kaarten die in Nelissens Haitink-boek dus geheel niet open op tafel komen te liggen, hetgeen wel verklaarbaar is gelet op het autorisatiebeding dat Haitink vooraf aan het boek stelde, maar meer niet.

 

In deze vakbiografie van Bernard Haitink komt het gemodelleerde beeld naar voren van een musicus – want dat is Haitink in de allereerste plaats – die meer naar de eredivisie van het internationale dirigentendom is gestuwd, dus door derden, dan dat daar nou een eigen gecalculeerd plan aan ten grondslag heeft gelegen. Het gaat om een persoon die niet alles meer precies blijkt te weten wat er is voorgevallen in een zestigjarige loopbaan als dirigent – begrijpelijk voor een 85-jarige – maar die ook en meer dan eens ‘vergeet’ wat hem zelfs nu nog steeds als onplezierig voorkomt.

 

Aan ophelderende, galant gestelde vragen van de auteur, die wél hom of kuit wil hebben, weet hij in zijn antwoorden naast ‘weet ik niet meer’ altijd wel iets te formuleren maar dan in de trant van Bismarck’s beruchte uitspraak ‘Diplomatie heisst an die Wahrheit vorbei lügen’. Is dit jammer? Nee, want de inside-informatie die hij, gemodelleerd en wel, over alle fases van zijn carrière geeft, belichten ook een belangrijk tijdvak van de klassieke muziekcultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw. Geen klein bier dus.

 

Zelf gefascineerd zijnde door Haitinks werkelijk grootse prestaties als dirigent – leve zijn concertoptredens en de vele cd- en dvd-opnamen met hem – heb ik het boek in een ruk uitgelezen. Doe evenzo.

 

 

Niek Nelissen

‘Als je het een beroep kunt noemen.’

Gesprekken met Bernard Haitink over zestig jaar dirigeren

 

 

Uitgave: Uitgeverij THOTH, Bussum
ISBN: 978 90 6868 647 0
Pagina’s: 256, gebonden (15 x 23 cm)
Prijs: € 22,50

X