Buxtehudejaar 2007: feest met Foccroulle! [RECENSIE]

Bernard Foccroulle – Dieterich Buxtehude, Das Orgelwerk

Text Example

advertentie



5 CD’s

Booklet: 123 pagina’s (F, D ,E)

Ricercar RIC 250

Prijs € 49,95

Klik hier om dit artikel te bestellen

Muzikale interpretatie * * * * *

Programmakeuze * * * * *

Keuze van de instrumenten * * * * *

Kwaliteit van de opname * * * *

Informatie in het boeklet * * * *

Grafische vormgeving (cd en boekje) * * *

Nadat Bernard Foccroulle een complete Bach-opname voltooide, begon hij in 1998 met een serie ‘Norddeutsche Orgelmeister vor Bach’. Inmiddels zijn in deze serie cd’s verschenen met werk van Scheidemann, Tunder, Reincken en Bruhns. Tekenend is, dat het aanvankelijk niet eens de bedoeling was om Buxtehude integraal op te nemen maar dat het idee van een complete opname gaandeweg ‘onvermijdelijk’ werd.

Het was niet alleen te moeilijk om uit alle meesterwerken een selectie te maken, schrijft Foccroulle in het cd-boekje, maar bovendien vormt het orgeloeuvre van Buxtehude een veelzijdig en coherent geheel. Verderop in de zeer uitvoerige toelichting op de gespeelde muziek vermeldt hij interessante aspecten betreffende de onderliggende samenhang in Buxtehudes muziek. De doos met vijf cd’s verscheen vorig jaar, ruim op tijd om een feestelijke bijdrage te leveren aan het Buxtehudejaar 2007.

Naast de nog immer onvolprezen orgels van de Martinikerk in Groningen en de Ludgerikirche in Norden zijn recent gebouwde / gereconstrueerde orgels opgenomen. Een van die orgels is het in 1998 door Marcussen gereconstrueerde orgel in de Sct. Mariae Kirke te Helsingør waar Buxtehude zelf organist is geweest. In de hogere registers klinkt dit orgel wat zakelijk. Is het toeval dat juist bij dit orgel het spel van Foccroulle minder geïnspireerd klinkt? Bijzonder sympathiek is dat de Belg Foccroulle een instrument van een landgenoot bij zijn Buxtehude-integrale betrekt, het Thomas-orgel uit 2005 in de Sint-Katharinakerk in Hoogstraten. Dit instrument in Noordduitse stijl laat op de CD een jeugdige indruk achter door de tamelijk geprononceerde intonatie en de onrustige wind. Grote verrassing in de doos is de opname van het Grönlund-orgel uit 2004 in de St.Getruds Kirke in Stockholm, een kopie van een orgel uit 1684. Dit instrument klinkt zeer geslaagd en doet in kleinere registraties denken aan de renaissanceklanken van het beroemde Compeniusorgel in Hillerød. Zo biedt deze box een interessant beeld van de laat 20-eeuwse, vroeg 21-eeuwse noordelijke restauratie- en reconstructiepraktijk, waarbij de focus nu eens niet eenzijdig op de Schnitgerstijl ligt.

Met de keuze van deze instrumenten had Foccroulle de beschikking over een breed palet aan historische stemmingen: van Neidhardt in Groningen tot pure middentoon (met subsemitoetsen) in Stockholm, met een aantal middentoonvarianten in de andere bespeelde orgels. Er hoefden daarom geen transpositietheorieën op de muziek van Buxtehude toegepast te worden: door de keuze van de stukken op de instrumenten af te stemmen kon alle muziek gespeeld worden in de toonsoorten waarin ze overgeleverd zijn. Foccroulle etaleert alle instrumenten met smaakvol, creatief en fantasierijk registergebruik.

Het boekje bevat, behalve de al genoemde toelichtingen van Foccroulle een boeiend artikel van Gilles Cantagrel over het leven en werk van Buxtehude, foto’s en disposities van de orgels en de gebruikte registraties.

In zijn dankwoord prijst Foccroulle uitbundig de beslissende rol die Harald Vogel gespeeld heeft in de interpretatie van Noordduitse orgelmuziek. En inderdaad: wie ‘Buxtehude’ zegt, kan niet om de ‘Stylus Vogeliensis’ heen. Vogels interpretaties zijn het resultaat van musicologische studie (bijvoorbeeld op het gebied van registraties en pedaalgebruik), maar zijn tegelijk ook heel persoonlijk. Het nadrukkelijke en stoere spel van Vogel is bovendien niet zelden excentriek en gemaniëreerd, met name op het gebied van agogiek en tempo. Hierin verschilt Foccroulles aanpak wezenlijk.

Wat bij de nieuwe opname direct opvalt, is de grote natuurlijkheid. Foccroulle zoekt nauwelijks uiterlijk effect en spektakel, maar laat de noten voor zichzelf spreken. Als vanzelf komt daardoor een belangrijk wezenskenmerk van Buxtehudes muziek bovendrijven: een grote innigheid, een eenvoud die recht tot het hart spreekt. Waar Foccroulle in het verleden bij vlagen soms last had van een zekere afstandelijkheid is bij deze Buxtehude-opnamen vrijwel continu sprake van zeer doorleefd spel. Met liefdevolle penseelstreken wordt het fijne coloriet van Buxtehudes muziek geschilderd. Bij deze poëtische benadering blijken, paradoxaal genoeg, ook de grillige, virtuoze, contrastrijke aspecten van de muziek voldoende tot zijn recht te komen. Foccroulle heeft daarbij geen overdrijving nodig – zijn kracht zit in de verfijning. Zo is het verbazingwekkend hoeveel intense speelvreugde er bijvoorbeeld van de dansante fuga’s afspat, puur door exacte en geraffineerde ritmiek. Articulatie en frasering zijn doorgaans prachtig gedetailleerd, evenwichtig en ademend. Hooguit is soms iets meer differentiatie in het toucher voorstelbaar, maar dit is niet meer dan detailkritiek.

Met deze opnamen schaart Foccroulle zich onder de zeldzame kunstenaars die erin slagen om zichzelf als interpreet transparant te maken, waardoor de muziek tijdloos en met veel autoriteit klinkt. Is deze opname van Bernard Foccroulle de nieuwe standaard?

De prijs van het doosje is een cadeautje: kopen dus! [THEO VISSER]

Klik hier om dit artikel te bestellen

© 2007 www.orgelnieuws.nl