20 september 2019

De tien geboden van de organist COLUMN

Ik moet een jaar of zestien zijn geweest. Ik was het type organist dat zich thuis op een gammel orgeltje met acht pedaalstokken het idioom van de psalmzettingen had eigen gemaakt, waarna ik verwachtingsvol mijn opwachting maakte aan het klavier van het orgel in de dorpskerk. Op kousenvoeten, omdat ik veronderstelde daarmee over een grotere pedaalvaardigheid te beschikken, nam ik die zondag plaats op de orgelbank.

Toen de parade der mannenbroeders aanving met de plechtige stappen der oudsten, legde ik het orgel abrupt het zwijgen op. De dienst begon.

Ook op deze zondagmorgen werden de tien woorden van de Allerhoogste door de dominee gereciteerd. Waarschijnlijk kwam het doordat ik deze woorden al zo vaak had gehoord, dat ik niet goed oplette. In de verte hoorde ik vaag een stem die zei: “dan zult gij geen werk doen, gij noch …, noch de (…), noch de vreemdeling die in uw steden woont”.

Toen haalde de dominee net iets te lang adem. Ik meende de opsomming van het tiende gebod net te hebben gehoord en zette onvervaard Psalm 116 in. Hoewel ik me erover verwonderde dat de gemeente deze bekende psalm zo aarzelend meezong, werden de verzen allemaal uitgezongen, waarna ik orgel uitzette en mijn zitplaats in de kerk opzocht. Het was muisstil, stiller dan anders als de tien geboden net waren voorgelezen. Toen, nog immer staande in het middenpad, hoorde ik achter mij vanaf de kansel een stem als een bazuin die verkondigde: “Het is de gewoonte dat de tien geboden allemaal voorgelezen worden, dus ik vervolg: ‘Gij zult niet…’. ”

Er werd gegrinnikt. Iemand trok mij een bank in. Ik was de kluts helemaal kwijt. Hoe de tien geboden die zondag afliepen, is niet meer tot mij doorgedrongen. Het zou me niet verbazen als de dominee ze had besloten met de woorden: Gij zult niet orgelspelen, gij niet, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw rund, en jij dus ook niet, ezel! [GRIETINUS MOLLEMA, GRONINGEN]

© 2007 www.orgelnieuws.nl

X