Een Franse slag naar Bach [RECENSIE]

Jean Paul Imbert – J.S. Bach. Orgue Dargassies de Notre-Dame du Perpétuel Secours à Paris.

Toccata, Adagio und Fuge in C-dur BWV 564; Schmücke dich, o liebe Seele BWV 759; Praeludium und Fuge in c-moll BWV 549; Largo – Concerto en f-moll (bearb. J.P. Imbert) BWV 1069; Fantasie und Fuge in g-moll BWV 542; Nun komm, der Heiden Heiland BWV 659; Valet will ich dir geben BWV 736; Praeludium und Fuge in e-moll BWV 533; Erbarm’ dich mein, o Herre Gott BWV 721; Praeludium und Fuge in h-moll BWV 544; Komm süsser Tod (bearb. V. Fox) BWV 478. CD AAVV2006002 € 14,95

Muzikale interpretatie: * *

Programmakeuze: * *

Keuze van het instrument: *

Kwaliteit van de opname: * * * * *

Informatie in het booklet: * *

Grafische vormgeving (cd en boekje): * *

Klik hier om dit artikel te bestellen

U hebt ze ook vast wel eens gehoord of gelezen, de uitspraken zoals: ‘Als Mozart de moderne concertvleugel had gekend, zou hij daar zeker voor gecomponeerd hebben.’

Zulke uitspraken getuigen van een soort evolutiedenken als het om de ontwikkeling van muziekinstrumenten gaat. Ieder tijdperk kwam niet alleen met (ver)nieuw(d)e, maar ook met betere instrumenten.

Sinds de opkomst van de historiserende uitvoeringspraktijk verstomt dat geluid steeds meer; in onze oren klinkt de Matthäus-passion door het Concertgebouworkest en het Groot Omroepkoor alsof je een groot Bachwerk op een elektropneumatisch orgel uit het begin van de twintigste eeuw speelt. Zeker onder organisten is het gemeengoed geworden om muziek uit verschillende tijdperken op passende instrumenten te spelen. Buxtehude op een Schnitger en Franck op een Cavaillé-Coll, als het even kan.

Bij restauraties van orgels zien we zelfs een tendens om alles wat ouder dan vijftig jaar is met voorzichtigheid te behandelen, zelfs als het om materiaal in een veel ouder orgel gaat.

Toch komt het ook voor onder organisten: de gedachte dat we nu in staat zijn om veel betere orgels te bouwen dan de instrumenten waar men het in de tijd van de componist mee moest doen. Zo speelde de Franse organist Jean-Paul Imbert een cd vol met Bachwerken op ‘zijn’ orgel in de Notre Dame du Perpétuel Secours te Parijs. In het booklet doet hij enkele opmerkelijke uitspraken: ‘…wellicht is het veel interessanter de alom bekende interesse van Bach te bekijken die hij had in de ontwikkeling van de vervaardiging van instrumenten….’ of ‘…en het is die frasering waaraan hij (Bach) de voorkeur geeft en niet aan het feit dat men op zo’n oud voetklavier zo’n noot met de tenen zou moeten spelen, en dat legato in dat geval onmogelijk zou zijn.’ De Franse maître windt er bepaald geen doekjes om: ‘..de antimuzikale opvatting van tegenwoordig die een geheel eentonige visie van de grootste werken inhoudt.’ Nu heeft Imbert wel degelijk een punt: doordat er veel slaafse navolging is van de meest recente ontdekkingen door musicologen en organisten, is de eigen inbreng en durf bij sommige muzikanten tot een minimum beperkt. Daarbij komt dat de muzikaliteit van Jean-Paul Imbert buiten kijf staat als het om de vertolking van muziek uit de 19e en 20ste eeuw gaat. Daarom ging ik er eens goed voor zitten om de waarschijnlijk eigenwijze maar zeer muzikale verrichtingen van de Fransman te beluisteren.

Allereerst viel me op dat het vooroordeel ‘alle Fransen spelen Bach te snel’ zeker niet waar is in dit geval. Imbert speelt alle werken beheerst en muzikaal. Tot mijn spijt moet ik bekennen dat mijn waardering voor het schijfje daarmee wel ophoudt. Het orgel is wat mij betreft het bewijs dat veel zogenaamd ‘eigentijdse’ orgels geen evolutie maar een totale devaluatie van de orgelklank inhouden. Het 62 stemmen tellende Parijse orgel van orgelmaker Dargassies werd in 2004 voltooid en is voorzien van een elektrische toets- en registertractuur. De klank past helemaal bij het smakeloze uiterlijk: schraperige prestanten, spuckende fluiten, schrille mixturen en tongwerken die met niets willen mengen. Het booklet wil ons laten geloven dat ‘dit instrument in al zijn grootsheid geschikt is om alle muziek die door de eeuwen heen geschreven is, zeer adequaat te vertolken.’ Om dit aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog steeds te durven beweren is wat mij betreft op z’n minst een teken van totale zelfoverschatting. Gelukkig staat het orgel in een goed klinkende ruimte en is de opname uit 2006 van de in datzelfde jaar overleden Willem van Beek zonder meer voortreffelijk.

Wat het spel betreft: Jean-Paul Imbert kent in principe twee fraseringmogelijkheden: legato en staccato, die steeds tegen elkaar uitgespeeld worden. Daarbij komen nog de typische registercombinaties met veel gaten (8’ + 1’ etc.), de in bijna alle Bachwerken dreunende 32’ klank in het pedaal en de voortdurende klavier- en klankwisselingen, die sterk doen denken aan de ideeën van Imberts vroegere docent Jean Gouilou. Nu kan ik me ook levendig voorstellen dat het hier bespeelde instrument absoluut niet toelaat dat je erg lang naar dezelfde klank luistert. Maar hier horen we een volbloed romantische benadering in het soort klanken die regelmatig doen denken aan ‘neobarokke’ Bachvertolkingen uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw.

Het booklet is zeer beknopt en bevat alleen een zeer matige Nederlandse vertaling van de originele Franse tekst. Bij het koraal ‘Komm süsser Tod’ is de begeleidende tekst per ongeluk tweemaal afgedrukt.

Een (oude) opname met daarop de visie van een musicus die de tijd representeert is altijd zeer waardevol. We hebben immers ook anno nu de wijsheid niet in pacht. Maar om gedateerde romantische idealen op een foeilelijk modern orgel te verkopen als vernieuwende of zelfs verbeterde Bachinterpretatie is voor mij een brug te ver. Snel een schijfje met de Matthäus-passion op historiserende instrumenten in de cd-speler! [SIETZE DE VRIES]

Klik hier om dit artikel te bestellen

© 2008 www.orgelnieuws.nl