Harald Vogel in Anloo [RECENSIE]

Historische Orgels, Volume II: Harald Vogel bespeelt het Radeker/Garrels-orgel in de Magnuskerk te Anloo.

Label: Organeum, AS-280406-CD/DED9603.

Booklet: 24 pagina’s, N, D.

Prijs: € 15,00

muzikale interpretatie: * * * *

programmakeuze: * * * * *

keuze van het instrument: * * * * *

kwaliteit van de opname: * * * * *

informatie in het booklet: * * * * *

grafische vormgeving: * * *

De muziek op deze cd geeft een indruk van de Nederlandse orgelkunst van de 17de en 18de eeuw. Aan het begin van de 17de eeuw beleefde deze kunst een bloeitijd, waarin Jan Pieterszoon Sweelinck de centrale figuur was. Tot ver in Europa en naar alle windstreken strekte zijn invloed uit. Vanaf het eind van de 17de eeuw manifesteert zich een sterke Noord-Duitse invloed op de orgelbouw in ons land, die zijn oorsprong had in de instrumenten van de familie Schnitger. Dit orgeltype leende zich goed voor de praktijk van het orgelspel bij de gemeentezang, zoals die tijdens Sweelinck nog niet gangbaar was geweest. In de vroege 18de eeuw ontwikkelt zich hieruit het expressieve koraalspel, dat al improviserend werd uitgevoerd, en een – vergeleken bij de stijl van Bach – eenvoudig gestructureerd repertoire, dat vooral op besnaarde toetsinstrumenten werd gespeeld.

Het Radeker/Garrels-orgel in de Magnuskerk van Anloo staat op het kruispunt in de ontwikkeling van de polyfone, complexe Oud-Nederlandse orgelkunst naar de expressieve stijl van de latere tijd. Het werd weliswaar in 1719 door de Schnitger-leerlingen Rudolf Garrels en Johannes Radeker uit Norden gebouwd, maar de factuur van het meeste pijpwerk doet, met het hoge loodgehalte en de brede labiëring, eerder aan de 17de dan aan de 18de eeuw denken. Daarom leent dit fraaie orgel zich uitstekend voor muziek die aanzienlijk ouder is dan het bouwjaar 1719. De sterk loodhoudende pijpen produceren een donkere klank, die meer lijkt op die van de loden prestanten uit de 17de eeuw dan op de verfijnde elegantie van de tinnen pijpen van de Schnitgers. Wat in het orgel van Anloo verder opvalt, is het zingende karakter van de prestantenklank. Dat vocale karakter (je hoort het bijvoorbeeld ook in het orgel van Krewerd) is een erfenis van de Renaissance, die tot het einde van de 17de eeuw een belangrijk kenmerk van de orgelklank in Noord-Nederland bleef. Ook de tongwerken in Anloo zijn zeer grondtonig van karakter, waardoor ze uitstekend aansluiten bij en vermengen met de labialen en de mixturen.

De “rode lijn” in het programma dat Harald Vogel samenstelde, wordt gevormd door koraalbewerkingen op melodieën van het Geneefse psalter: Psalm 116 van Sweelinck, Psalm 42 in een Goudimel-zetting, als duo van Speuy en als zetting uit het Suzanne-van-Soldt manuscript, Psalm 24 opnieuw van Goudimel en de drie variaties van Anthoni van Noordt, tenslotte de partita op “Freu dich sehr, o meine Seele” van Georg Böhm. Die keuze illustreert de hierboven geschetste ontwikkelingslijn helder en fraai. Begonnen wordt het programma met een toccata van Sweelinck, beëindigd met het Praeludium in d van Georg Böhm. In dit laatste werk komt ook de fraaie klank van het bij de restauratie toegevoegde zelfstandige pedaal ruimschoots aan bod. Een echte verrassing is op deze cd de Ouverture octava van Gerhardus Havingha, die in 1719 met zijn vader de eindkeuring van het orgel in Anloo verrichtte. Het is een fris en afwissend stuk barokmuziek, waarin in de afsluitende Air de prachtige Vox humana excelleert. De jongste muziek in het programma zijn twee Capricettes van Jacob Wilhelm Lustig, die hier voor de eerste maal op cd zijn opgenomen. Ze maken deel uit van bundel met 24 Capricetten, die, naar het voorbeeld van Bachs Wohltemperierte Clavier in alle majeur- en mineurtoonsoorten geschreven zijn. Deze bundel verscheen onlangs in druk, onder redactie van Harald Vogel.

De oudste geluidsopnamen van Harald Vogel in mijn discotheek zijn 25 jaar oud. Zijn speelwijze lijkt zich in die jaren nauwelijks gewijzigd te hebben. Wat daaraan opvalt is de nadrukkelijke en soms ook wat zwaarwichtige agogiek en articulatie. Soms is dat heel mooi, maar het stoort ook wel eens op momenten dat je als luisteraar verlangt naar een meer ontspannen en lichtvoetiger uitvoering. Goudimels zetting van Psalm 42 (met de cantus firmus op de Cornet 4’ van het pedaal) lijdt onder het gebrek aan adem tussen de regels en is ritmisch ook niet geheel zuiver op de graad. Het is daarentegen wel een uitermate verzorgde en gecultiveerde speelwijze. Daarom blijft er genoeg te genieten over, en niet alleen van die heerlijke orgelklank in gemodificeerde middentoon.

De informatie in het boekje is uitvoerig en heeft een hoge informatiewaarde. Een drietal foto’s illustreert de situatie ter plaatse, de gebruikte registraties zijn alle vermeld.

Als klankillustratie van de ontwikkeling in de Nederlandse orgelkunst gedurende twee eeuwen en als geluidsdocument van het – deels uit de as herrezen – orgel van Anloo is dit een geslaagde productie.

[BERT WISGERHOF]

© 2007 www.orgelnieuws.nl