Jaap Niewenhuijse – Orgelboek / 150 Psalmen en Enige Gezangen

Jaap Niewenhuijse, Orgelboek, 150 Psalmen & Enige Gezangen (2 delen). Uitgave: Den Hertog, Houten, 2005. ISBN 90 331 1959 5. Prijs tot 1 april 2006: € 84,50, daarna € 99,50 (inclusief verzendkosten!).

Klik hier om dit artikel te bestellen

In ons wekelijkse huis-aan-huisblad las ik onlangs een interview met de nieuwe predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de plaats mijner inwoning. Bij het artikel stond een foto van de van het Friese platteland afkomstige geestelijke, in stemmig zwart gekleed, in een soort gebedshouding staande voor de kerk.

De man vertelde dat de ontwikkelingen in zijn kerk bepaald niet stil stonden. Zo stond zijn gemeente aan de vooravond van een ingrijpende kerkmuzikale verandering: met ingang van nieuwjaar zou in de eredienst één van de te zingen psalmen ritmisch worden gezongen!

Vanzelfsprekend is dit besluit door de kerkenraad op gemeenteavonden goed voorbereid om er draagvlak voor te krijgen. Want altijd zijn er gemeenteleden die zo’n ontwikkeling zien als het betreden van een hellend vlak. Er wordt een psalm ritmisch gezongen en voor je het weet gaan er in jouw kerk kinderen aan het avondmaal en worden er ook andere dan huwelijkse relaties tussen man en vrouw gezegend, bedoel ik maar.

Waarschijnlijk is het besluit ook genomen in een poging om jongeren binnenboord te houden, die verlokt worden door evangelische groeperingen of zogenaamde jeugdkerken, waar, zoals bekend, de psalmen allemaal wel heel erg ritmisch gezongen worden.

Bij mijn kennismaking met het Orgelboek bij de (Geneefse) psalmen en de “enige gezangen” van Jaap Niewenhuijse moest ik weer aan dat interview denken. Want ik ben van mening dat de organisten van de kerk waar het hierom gaat, veel aan deze uitgave kunnen hebben. Het Orgelboek heeft namelijk veel te bieden.

Om te beginnen de uiterlijke verschijning: twee fraai gebonden, kloeke banden (overigens alleen tezamen verkrijgbaar) op A4-formaat met ieder twee goudkleurige boeklinten en een foto van het Haarlemse Bavo-orgel voorop.

Niewenhuijse maakte bij elke psalm een voorspel met een substantiële lengte, geschikt om bijvoorbeeld tijdens de inzameling der gaven te spelen. In dit voorspel komt de gehele psalmmelodie aan bod. Daarnaast zijn er steevast twee kortere intonaties, verschillend van karakter en stijl. Deze kunnen doorgaans manualiter uitgevoerd worden.

Dan zijn er tenminste twee zettingen: één niet-ritmische en één ritmische. In de niet-ritmische zettingen overheerst het majeur en mineur, inclusief de harmonische schrijfwijze van de 18de en 19de eeuw met verminderde akkoorden en septiemakkoorden, tussendominanten en chromatische stemvoering.

In de ritmische zettingen spelen de kerktoonsoorten weliswaar een rol, maar ook hierin veroorlooft Niewenhuijse zich harmonische vrijheden, de ene keer wat meer dan de andere.

Verder is er dan nog een naspel van enkele maten, voldoende om gekuch en gestommel in de kerk tengevolge van bijvoorbeeld het doorgeven van pepermuntrollen muzikaal te maskeren. Verrassend genoeg zijn in die korte naspelen vaak de uitbundigste harmonische uitstapjes van de componist te vinden.

Het hier genoemde is al meer dan andere begeleidingsbundels te bieden hebben, maar ik ben nog niet klaar. Bij sommige bekende psalmmelodieën (zoals 42, 68 en 98) levert Niewenhuijse een extra zetting met een tegenstem, hetzij een niet-ritmische dan wel een ritmische zetting. Psalmen met dezelfde melodie staan niet altijd in dezelfde toonsoort. Zo is Psalm 17 in fis genoteerd, Psalm 70 daarentegen in g. Psalm 24 staat in e, Psalm 95 in f. Bij die psalmen maakte Niewenhuijse een modulerend tussenspel, dat tussen twee strofen gespeeld kan worden.

Niewenhuijse blijkt in dit Orgelboek niet alleen een degelijk vakman, die de regels van de harmonie goed kent, maar hanteert bovendien een heel scala compositietechnieken in zijn voorspelen. Daarin is hij bepaald afwisselend. Een eenmaal gekozen idee of vormschema wordt vervolgens ook consequent èn niet zelden creatief uitgewerkt. Zo ontstonden aantrekkelijke voorspelen als de canonische bewerking bij Psalm 6, een trio met de cantus firmus met een viervoets register in het pedaal bij Psalm 10 of het basso ostinato in het voorspel van Psalm 4. Regelmatig laat Niewenhuijse zich bij de keuze voor een bepaalde textuur inspireren door de psalmberijming van 1773. In het voorwoord wordt dat toegelicht. Zo wordt in het voorspel van Psalm 39 het eindige van het leven verbeeld door een uitkomende stem met een “ijle” fluit 4-voet. Dit is tevens een van de weinige plaatsen in de bundel waar de componist een registratievoorschrift geeft.

Natuurlijk is er in die veelheid ook wel eens een minder geslaagd voorspel te vinden. De constante beweging in achtsten bij het voorspel Psalm 56 duurt me veel te lang. Een maatwisseling voor de tweede vershelft of een nieuw ritmisch gegeven was daar welkom geweest.

Tempoaanduidingen ontbreken geheel. Niewenhuijse is van mening dat het karakter van de melodie, het bespeelde instrument en de akoestiek van de ruimte daarin bepalend zijn. Ook met articulatietekens is Niewenhuijse zuinig. Toch denk ik, dat hij velen een dienst had bewezen wanneer hij – bij wijze van voorbeeld – bij het voorspel van Psalm 45 had aangeduid dat dit het beste in een niet al te langzaam tempo en met een dansachtige articulatie (gedachtig aan de tekst “Men ziet u blij, in statelijke reien”) gespeeld kan worden.

Ten aanzien van de toevallige verhogingen kiest Niewenhuijse geen partij en laat hij de keuze aan de gebruiker over.

De moeilijkheidsgraad is van dien aard dat gevorderde amateur-organisten doorgaans over de vaardigheid zullen beschikken om, na de nodige voorbereiding, voorspelen en zettingen te beheersen.

Wat componeerstijl betreft mag deze bundel traditioneel genoemd worden. Wat de componist biedt, is afwisselend en getuigt van goede smaak, maar vindt zonder uitzondering zijn oorsprong in de muziek van de 18de dan wel de 19de eeuw. Soms doet een voorspel aan iets van Bach of Krebs denken, soms aan Mendelssohn of Rinck. Wat opzet en bedoeling (“goede muziek in de eredienst” te bieden) betreft, zie ik deze bundel in het verlengde liggen van Jan Zwarts “Musijck over de voijsen van de psalmen Davids”. Dat mag als compliment uitgelegd worden, maar het geeft tevens de beperking en eenzijdigheid van deze uitgave aan.

Muzikale ontwikkelingen van de twintigste eeuw zijn aan deze bundel voorbijgegaan. Evenmin heeft de componist een boodschap aan de schrijfwijze van de 16de eeuw, en dat terwijl de psalmmelodieën wel renaissanceliederen zijn.

Niewenhuijses voorspelen hebben soms wel eens een heel dierbare (Psalm 38) of een zeer heftige toonzetting (Psalm 66), die makkelijk kunnen verleiden tot emoties die niet in elk type eredienst op prijs gesteld worden. Dit zijn de voorspelen met, laat ik maar zeggen, een hoog “Nederland Zingt”-gehalte. Het welslagen van het gebruik van deze bundel is mede afhankelijk van organisten met goede smaak en een ontwikkeld stijlbesef.

Goede gebruiksmogelijkheden zie ik voor deze bundel in de eredienst in de kring van het behoudende deel van de gereformeerde gezindte, waar de cultuur, de stijl, de theologie en de gebruikte taal ook hun wortels in de 18de en 19de eeuw hebben. Ik meen oprecht dat Niewenhuijses bundel in die kring een bijdrage aan de verbetering van de muziek in de eredienst kan bieden. Ad majorem Dei gloriam.

In kerken waar het Liedboek voor de Kerken al jaren gebruikt wordt, waar uit de bundel “Tussentijds” wordt gezongen, waar ook andere dan strofische liederen klinken, kan dit Orgelboek beter niet gebruikt worden. Daar sticht het maar verwarring en in die kringen hebben organisten al helemaal niets aan niet-ritmische zettingen.

Ik ga nog even terug naar die Christelijke Gereformeerde Kerk waarmee ik begon. Voor het schrijven van deze recensie beluisterde ik nog even on line de gemeentezang in hun diensten van zondag 15 januari 2006. Ik hoorde hoe onthutsend onritmisch die ene psalm ritmisch werd gezongen. Verbijsterd stelde ik vast dat er, zeker in de middagdienst, niet dankzij maar ondanks de organist werd gezongen. Elke nieuwe versregel werd te vroeg ingezet, rusten compleet genegeerd. Je zou er motorisch gestoord van raken. Maar dat niet alleen: het is mijn overtuiging dat je met slecht uitgevoerde muziek mensen de kerk uitjaagt. Daarom geef ik een ongevraagd advies aan die kerkenraad: zorg dat je organisten zich scholen en gekwalificeerd worden en schaf op kosten van de commissie van beheer Niewenhuijses bundel aan. [BERT WISGERHOF]

Uw reactie graag naar [email]info@orgelnieuws.nl[/email]

© 2006 orgelnieuws.nl

Klik hier om dit artikel te bestellen