Orgel St. Laurentius Voorschoten gerestaureerd

Op zondag 27 september werd het gerestaureerde Mitterreither/Van den Brink-orgel in de St. Laurentiuskerk te Voorschoten in gebruik genomen. De restauratie en reconstructie werd uitgevoerd door Verschueren Orgelbouw te Heythuysen.

Een exact bouwjaar is niet bekend, maar vermoedelijk tussen 1780 en 1792 bouwde Johannes Josephus Mitterreither een orgel voor de rooms-katholieke schuurkerk in Voorschoten. In een document uit 1792 maakt een kerkmeester melding dat er missen zullen worden opgedragen ter nagedachtenis aan pastoor Paulus van der Burger, schenker van het orgel. Mogelijk is dit bij de gelegenheid van de ingebruikname van het orgel. Voorlopig wordt 1792 als bouwjaar aangehouden. Het orgel had “9 stemmen, een handklavier van 4½ octaaf, een drukwerk, drie blaasblagen en geen pedaal”.

Er wordt nog gewerkt aan het orgel door orgelmaker Hagendoorn in 1833, en in 1841 door L. van den Brink & Zonen.

In 1866/68 wordt een nieuwe neogotische kerk gebouwd. Matthias van den Brink plaatst het orgel in 1871 over naar de nieuwe kerk. Het orgel wordt in gewijzigde vorm geplaatst in een nieuwe neogotische kas. De frontpijpen worden nieuw gemaakt bij Henri Zimmerman te Parijs. Voor de uitbreiding maakt Van den Brink gebruik van achttiende-eeuws pijpwerk van onbekende herkomst. Pas in 1875 of 1876 wordt het orgel opgeleverd.

Tussen 1904-1909 plaatst Maarschalkerweerd de mechanische speeltafel naar achteren onder het orgel om meer ruimte te maken voor koor en dirigent.

In 1931 verbouwt P. Bik te Leiden het orgel ingrijpend. Het het pijpwerk wordt wel integraal overgenomen. Bik levert nieuwe, pneumatisch bediende kegelladen en een nieuwe speeltafel. Het pijpwerk wordt integraal overgenomen. Het Bovenwerk komt in een zwelkast te staan. De dispositie wordt gewijzigd. Het Bovenwerk wordt uitgebreid met een Vox Céleste 8′ discant en de Roerquint 3 wordt opgeschoven naar een Roerfluit 4′, aanvullend pijpwerk wordt bijgemaakt. De Subbas 16 en Octaafbas 8 van het Pedaal zijn als transmissie van het Hoofdwerk uitgevoerd (Bourdon en Prestant)

De neogotische orgelkas wordt grondig verbouwd. Van de oorspronkelijk situatie zijn geen afbeeldingen meer voorhanden, maar op basis van onderzoek bleek dat de binnenste tussenvelden inclusief tootlijsten door Bik zijn verwijderd, vermoedelijk de centrale wimberg op het middenveld de wimbergen op de binnenste tussenvelden en de bekroningen van de twee zijtorens. Het dak van de kas wordt verwijderd ten behoeve van de bouw van de zwelkast.

Tijdens de restauratie van het kerkinterieur in 1954 wordt de orgelkas wit overgeschilderd. Vier jaar later volgt een complete schoonmaak van het orgel.

In 1965 blijkt dat de windladen van het orgel als gevolg van heteluchtverwarming zijn aangetast. Voorstellen om de laden te vervangen worden echter niet uitgevoerd. Inmiddels verhuisde het koor van de koorzolder naar het liturgisch centrum, begeleid op een koororgel. Daarmee kwam het hoofdorgel tot zwijgen.

Na een lange periode van voorbereiding krijgt de firma Verschueren Orgelbouw te Heythuysen de opdracht om het orgel te restaureren en te reconstrueren. Daarbij is de situatie na de ombouw door Matthias van den Brink het uitgangspunt.

Windladen, mechaniek en een vrijstaande speeltafel (naar voorbeeld van Van den Brink in Warmond) zijn geheel nieuw gemaakt. Het pedaal is geheel zelfstandig gemaakt, zowel met nieuw als met gebruikt pijpwerk. De Mixtuur is gereconstrueerd op basis van het aanwezige Mitterreither-materiaal, de Cornet is deels nieuw. Op het Bovenwerk is de Roerfluit 4 weer teruggeschoven naar Roerquint 3.

De orgelkas is aangevuld met gereconstrueerde delen die in 1932 waren verwijderd. De kas is naar de oorspronkelijke situatie geschilderd in eikenimitatie door Ruud Geers te Voorburg.

De restauratie werd begeleid door adviseur Dr. Ton van Eck namens de KKOR. Op 16 juli werd het orgel opgeleverd. Zondag 27 september werd het orgel opnieuw in de liturgie gebruikt.

Dispositie

Manuaal C-f3

Prestant 8

Bourdon 16

Fluit travers 8 disc.

Holpijp 8

Octaaf 4

Quint 3

Fluit 4

Octaaf 2

Cornet V disc.

Mixtuur II-III-IV

Trompet 8

Positief C-f3

Prestant 4

Viola di Gamba 8

Holpijp 8

Fluit 4

Roerquint 3

Blokfluit 2

Pedaal C-f1

Subbas 16 – Müller, 19e eeuw; vm Caroluskapel Roermond

Open fluit 8 – C-H Peereboom 1927; rest Vermeulen 1888 v/h Caroluskapel

Trombone 8 – nieuw in factuur Van den Brink

Werktuiglijke registers

Koppel bas

Koppel disc.

Ped. Koppel

Tremulant

Gegevens met dank aan Dr. Richard Bot

© 2009 www.orgelnieuws.nl