Trois Chorales & l’Organiste [RECENSIE]

César Franck – Trois Chorales & l’Organiste

Ton Reijnaerdts bespeelt het Schyven-Van Beverorgel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brussel-Laken

TRA 2005-03

Speelduur 77:39

Booklet 8 pagina’s (alleen Nederlands)

Om maar eens een open deur in te trappen: de Trois Chorales van César Franck horen tot de absolute hoogtepunten van de orgelliteratuur. Nog eentje: Het monumentale Schyven/Van Bever-orgel in de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk van Brussel-Laken is een van de mooiste symfonische orgels in Franse stijl. Deze twee open deuren vormen het uitgangspunt voor de recent verschenen cd waarop de in Maastricht woonachtige organist, fotograaf en cd-producent Ton Reijnaerdts de Trois Chorales van Franck speelt op het orgel van de O.L.V.-kerk in Laken. De rest van de cd wordt gevuld met delen uit L’Organiste, eveneens van Franck. Niet vermeld op de voorkant van het cd-boekje is, dat dit tweede deel opgenomen is in de Sint-Augustinuskerk in Elsoo, waar een mooi romantisch getint orgel van Pereboom & Leijser staat (1874-76).

Van de Trois Choral(e)s van Franck bestaan inmiddels vele cd-opnames. Wie van de grote organisten die de Franse symfonische orgelmuziek in het algemeen en de muziek van César Franck in het bijzonder een warm hart toedragen hebben de Trois Chorals niet op een zilveren schijfje vereeuwigd? Een voorbeeld van een recente opname is die van Olivier Latry uit de Notre Dame in Parijs (cd ‘In spiritum’, Deutsche Grammophon DG 4775418), die in vele opzichten als standaard kan gelden. Het getuigt van lef en ambitie om, zoals Ton Reijnaerdts, een dergelijk project te realiseren. Want je moet de prachtige muzikale monumenten van Franck wel heel mooi kunnen presenteren om een plek te veroveren in de galerij der grote Franck-vertolkers.

Met de keuze van de muziek en het orgel zit het wel goed. Over de uitvoering en de opname kan ik helaas niet onverdeeld enthousiast zijn. Voor alledrie de Choral(e)s geldt dat Reijnaerdts goed begint en de juiste sfeer weet te creëren. Jammer genoeg weet Reijnaerdts de spanning niet goed vast te houden en wordt zijn spel allengs onrustiger. Deze muziek, deze ruimte, dit orgel vragen om meer rust, vooral om meer adem. Het bedienen van de zwelkasten, essentieel in deze muziek, gaat niet altijd even soepel, waardoor sommige (de)crescendi nogal onverwacht uit de hoek komen. Toch zijn er ook mooie momenten te beleven. Vooral de openingsmaten van het Premier Choral en het Deuxième Choral worden fraai ingezet. Wat zijn die grondstemmen van het Schyven/Van Bever-orgel toch schitterend! Ook het verstilde slot van het Deuxième Choral komt goed uit de verf. Maar over de gehele linie is Reijnaerdts vertolking te onrustig en te vlak. Hoe sympathiek zijn opzet ook is – in alle nuchterheid kan ik niet anders concluderen dan dat er betere opnames van de Trois Choral(e)s bestaan.

De opname van het orgel in Laken is tamelijk direct, hetgeen vooral stoort in de fortissimo delen. De krachtige tongwerken knallen werkelijk uit de luidsprekers, om het maar eens populair te zeggen. Nu is het moeilijk om een goede opname van dit orgel te maken: het dynamische bereik is extreem groot en er zijn al gauw hinderlijke bijgeluiden te horen. Daar komt nog bij dat het orgel er niet op z’n allerbest bij staat en dat de tongwerken op deze opname niet perfect op stemming zijn. De balans vind ik niet altijd even gelukkig. Bij de tongwerken valt op dat de hoge tonen worden weggedrukt door de bastonen. Vooral aan het slot van het Troisième Choral is dit hinderlijk.

De overgang naar het veel kleinere orgel in Elsloo en de veel intiemere muziek is groot. Het fraaie Pereboom & Leijser-orgel is nogal direct opgenomen, waardoor er veel van de aanwezige symfonische allure verloren gaat. Voor deze muziek is dat echter niet zo’n groot probleem. Reijnaerdts speelt de sfeervolle werkjes uit diverse suites van L’Organiste met veel gevoel. Hoewel deze stukken doorgaans op harmonium worden gespeeld, is een uitvoering op een orgel met veel kleurrijke grondstemmen heel plausibel. Dat bewees Reijnaerdts overigens al bij eerdere producties. Hij maakt dankbaar gebruik van de vele klankkleuren die het typisch Limburgse orgel te bieden heeft – het is haast een orgelportret.

Om na drie monumentale werken van ieder zo’n kwartier lengte de spanning erin te houden bij zeventien werkjes van gemiddeld twee minuten is een lastige opgave. Ik vind dat een zwak punt van deze productie: het contrast is eenvoudigweg te groot. Het is daarmee geen cd om in één stuk te beluisteren. Beter had Reijnaerdts de cd kunnen aanvullen met opnames uit Laken, bijvoorbeeld met symfonische werken van tijdgenoten en/of leerlingen van Franck (Saint-Saëns, Vierne).

Het eenvoudig vormgegeven boekje geeft in een klein lettertype veel informatie over het leven en werk van César Franck. Het verhaal van de hand van Ton Reijnaerdts zelf is echter niet erg gestructureerd en bevat veel informatie die bij de meeste orgelliefhebbers bekend zal zijn. Graag had ik wat meer willen lezen over de ontwikkeling van het Frans-symfonische orgeltype in relatie tot César Franck. De rol van Pierre Schyven in de Frans-Belgische orgelbouw had wel wat meer aandacht verdiend dan de constatering dat hij door Cavaillé-Coll ten zeerste werd geprezen vanwege zijn werk. De ombouw van Van Bever in 1912 betekende weliswaar de ondergang van de indrukwekkende neogotische kas, maar gaf het orgel de symfonische allure die vandaag de dag nog zoveel muziekliefhebbers boeit. Helaas geeft Reijnaerdts geen nadere informatie over de werkzaamheden van Van Bever. Van het Pereboom & Leijser-orgel in Elsloo wordt enkel de dispositie vermeld. Een levensbeschrijving van de organist ontbreekt.

Ton Reijnaerdts heeft met deze productie zijn nek uitgestoken. Gezien zijn eerdere producties denk ik echter dat zijn kracht ligt in het opnemen van de doorgaans kleinere orgels in de Euregio Maas-Rijn. [ERIK VAN DER HEIJDEN]

© 2006 orgelnieuws.nl