18 november 2018

Orgelkunst 02|2011

Op de cover van de zomereditie 2011 van het Vlaams tijdschrift Orgelkunst prijkt ditmaal geen Belgisch orgelfront, maar wel het eerste instrument dat Aristide Cavaillé-Coll voor de Koninklijke basiliek Saint-Denis bij Parijs bouwde. Dit orgel uit 1841, betekende immers de start van een schitterende en invloedrijke orgelbouwcarrière.

De tweede editie van deze 34e jaargang bevat drie hoofdartikels: René Verwer(NL) brengt een boeiende inleiding in de orgelkastarchitectuur bij Cavaillé-Coll. Hans Brink(NL) brengt de huidige toestand van het Gentse Cavaillé-orgel uit de Sint-Niklaaskerk en Annelies Focquaert vertelt ons het relaas hoe de speeltafel van César Franck uit de Sint-Clotildekerk van Parijs in het museum Vleeshuis in Antwerpen terechtgekomen is. Orgelkunst brengt hulde aan Jo Van Eetvelde die in mei jl. 75 jaar geworden is. Deze organist, beiaardier, directeur, pedagoog en componist leidde een schare orgelleerlingen op aan de Academie voor Muziek en Woord te Lokeren waarvan er heel wat later professioneel organist werden. Daarnaast zijn er de gebruikelijke actualia en een uitgebreide zomerorgelconcertenagenda voorhanden.

De vormgeving van de Franse orgelkas in de 17de en 18de eeuw wijkt af van stijlen in de omringende landen. Veel meubels waren samengesteld uit een grand buffet met drie tot vijf torens en een petit buffet (= rugpositief), de tussenliggende velden voorzien van pijpen met overlengte (zoals in de St.-Gervais en Notre-Dame te Parijs). Een bovenfaçade ontbrak, het Récit was een discantklavier met slechts enkele stemmen. De pijpen in de torens bevatten geen pedaalregisters zoals in de Noordelijke Nederlanden en Duitsland. Aan het eind van de 18de eeuw ontstond in Frankrijk het zg. architectenfront, waarbij de vormgeving eerder door architectonische principes werd bepaald dan door zorg voor een goede klankontplooiing. De Chalgrin-kas (1781) in de St.-Sulpice is daar een voorbeeld van. Nadat Cavaillé-Coll met enkele architecten had samengewerkt, verscheen in 1856 zijn brochure De l’orgue et de son architecture. Hij gaat in op de voor- en nadelen van enkele kassen, vooral met betrekking tot de hoogte van het instrument in de kerk. In de jaren ’20-‘50 van de 19de eeuw werden sobere, blokvormige meubels ontworpen (Sorbonne, Notre-Dame-de-Lorette, Madeleine), soms van zijtorens voorzien (St.-Jean-St.-François). De orgels in de Ste.-Elisabeth-du-Temple (1853) en St.-Eustache (1854) waren de laatste in de 19de eeuw met een rugpositief. Vanaf de jaren ’40 verschenen de eerste bovenfaçades (Chateau Verberie, Madeleine, St.-Louis-d’Antin). De neoclassicistische vormgeving maakte geleidelijk aan plaats voor de neogotiek (Saint-Denis, Ste.-Clotilde, St.-Bernard-de-la-Chapelle) en later de neorenaissance (Trinité, St.-Louis-en-l’Ile e.a.).

Hoewel er voorbeelden zijn van een goede samenwerking tussen orgelmaker en architect (St.-Vincent-de-Paul, St.-Eustache) verliep deze niet altijd vlekkeloos. Zowel in de Ste.-Clotilde als de Notre-Dame heeft Cavaillé-Coll zijn plannen ingrijpend moeten wijzigen. De uitspraak van de beroemde architect Viollet-le-Duc Mon cher, parlez-moi de tuyaux, l’architecture me regarde was in dit opzicht veelzeggend.

Vanaf de jaren ’50 werkte Cavaillé-Coll samen met enkele ‘huisarchitecten’ waarvan Alphonse Simil grote bekendheid heeft gekregen. Deze liet zich in zijn vormschema’s inspireren door enkele instrumenten in Lotharingen, waar de hoofdtorens centraal waren opgesteld. Simil vertaalde dit naar een stijl die als een combinatie van neorenaissance en Premier Empire kan worden beschouwd, zoals in Saint-Malo, Le Havre en Notre-Dame-des-Champs in Parijs. Een schema waarbij de hoofdtorens zijdelings zijn opgesteld zien we in de Albert Hall te Sheffield, het Brusselse conservatorium en Lyon, St.-François-des-Sales. Overhoekse zijtorens, die al in de 18de eeuw voorkwamen, verwerkte Simil in onder andere het middenfront van het Trocadéro-orgel, het Paleis voor Volsvlijt te Amsterdam en Notre-Dame-des-Champs. De kas (en voorstudie) van het Amsterdamse Paleis-orgel komt als voorbeeld van de Simil-stijl uitgebreid aan de orde.

Tenslotte is er aandacht voor het hergebruik van oudere kassen. In een aantal gevallen plaatste Cavaillé-Coll de zwelkast zodanig, dat deze vanuit de kerk zichtbaar was (kathedralen in Nancy, Amiens en Sées, St.-Merry en St.-Sulpice te Parijs). Ook werden orgelkassen verbreed (Fécamp, Trinité) of zelfs verdubbeld (Marle).

Hoewel veel Cavaillé-Coll-orgels in de 20ste eeuw zijn gewijzigd, liet men de kassen meestal ongemoeid. Tot de weinige kassen van Cavaillé-Coll-orgels die zijn verdwenen, behoorde het prachtige Simil-front in de Salle de fêtes van het Parijse Trocadéro.

De Gentse Sint-Niklaaskerk kende reeds een bloeiende orgeltraditie lang voor Aristide Cavaillé-Coll in maart 1853 een eerste offerte voor de bouw van een nieuw instrument indiende. Cavaillé-Colls project voorzag een tweeklaviersorgel waarbij het in de kerk aanwezige Van Peteghemmateriaal werd herbruikt. Ook een tweede voorstel beoogde een tweeklaviersinstrument met een aan het eerste plan bijna gelijklopende dispositie. Het uiteindelijk gerealiseerde orgel wordt beschreven in een derde offerte op datum van 3 september 1853: 3 volwaardige klavieren en een nieuwe kast met 16-voets frontpijpen. Gezien de datum kan meteen de link gelegd worden met het orgel in de kathedraal van St. Omer. De start van de werkzaamheden in deze Noord Franse stad bleven wegens problemen met het gebouw lang aanslepen. Het is niet ondenkbaar dat Cavaillé-Coll om deze reden bepaalde voor St. Omer voorziene onderdelen in het orgel van Gent integreerde. Het doksaal werd met de bouw van het nieuwe grotere instrument weliswaar uitgebreid maar niet wezenlijk verstevigd waardoor de hele constructie in de loop der tijden is gaan verzakken. Enkel en alleen al door dit euvel en de hiermee gepaard gaande technische mankementen is het orgel vandaag onbespeelbaar. Bij de bouw van de windvoorziening kreeg Cavaillé-Coll af te rekenen met plaatsgebrek waardoor hij creatief diende om te springen met zijn tot dan toe gebruikelijke bouwtechnieken. Dit belette hem echter niet er voor te zorgen dat door een ingenieus uitgevoerd balgensysteem en een wel overwogen kanalisatie het orgel toch steeds over voldoende wind kon beschikken. Om de speelaard te verlichten voorzag men het Grand Orgue van een barkermachine. Net als het orgel heeft het kerkgebouw de tand des tijds niet vlekkeloos doorstaan: het vloerniveau werd verlaagd, stucwerk werd verwijderd, koor en schip van de kerk werden van elkaar gescheiden door een muur, lambriseringen werden weggehaald, … . Daarbij komt dat het gewelf danig is verzakt zodat de hoogste pinakel van de orgelkast te weinig plaats dreigt te krijgen mocht de doksaalvloer ooit worden rechtgetrokken. Het Cavaillé-Coll-orgel van Gent behoort tot één van de laatste en tevens het enige ons nog resterende orgels met op toon gesneden pijpwerk dat het atelier van de Franse orgelbouwer heeft verlaten. Hierdoor zal het klankbeeld van het orgel, wanneer het uit zijn slaap zal ontwaken, allicht slanker uitvallen dan bij andere instrumenten van dezelfde bouwer.

De geschiedenis van de speeltafel van César Franck lijkt op het eerste zicht heel duidelijk te zijn. Tournemire kreeg de oude speeltafel van

de pastoor van Sainte-Clotilde – Tournemire schonk ze bij testament aan Flor Peeters ‘parce que de tous ses amis, il a été le plus fidèle’ – Flor Peeters schonk ze bij testament aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen – het Conservatorium schonk ze aan het Vleeshuismuseum, waar ze nu nog steeds staat. Toen Annelies Focquaert op vraag van Orgelkunst en ter gelegenheid van het Cavaillé-Colljaar 2011 dieper

ging graven in dit (vooral mondeling overgeleverde) verhaal, kwamen

heel wat tot dan toe ongekende bronnen naar boven. Wie het eigendomsrecht had in 1933 blijft vaag, maar waarschijnlijk is het dankzij de pastoor en Tournemire dat de oude speeltafel vandaag nog bestaat. Het testament van Charles Tournemire (+ 1939) bevat helemaal geen informatie over de speeltafel, wat, samen met enkele brieven, het vermoeden bevestigt dat het weduwe Alice Tournemire was die, vlak voor het uitbreken van WO II, de speeltafel aan Flor Peeters schonk. Hoewel een brief van Flor Peeters aan Alice Tournemire erop wijst dat Tournemire wilde dat de speeltafel na Alice’s en Flor Peeters’ respectievelijke overlijdens naar de stad Luik zou gaan, heeft Alice zich hier niet aan gehouden en de speeltafel nog tijdens haar leven aan Peeters aangeboden ‘omdat ze niet op haar eigen dood wilde wachten’. De speeltafel stond vanaf 1946 of 1947 bij Flor Peeters thuis in Mechelen.

In zijn testament schreef Flor Peeters inderdaad dat hij de speeltafel aan het Conservatorium van Antwerpen schonk. Na zijn overlijden in 1986

stond de speeltafel in het directeursbureau van het Koninklijk Vlaams Conservatorium. In 1991 werd ze door het Conservatorium in permanent bruikleen gegeven aan het Vleeshuismuseum. De puzzelstukken passen nu, na een hele zoektocht naar voordien onbekende bronnen, via verloren gewaande en teruggevonden dossiers en teksten, dan toch grotendeels in elkaar.

© 2011 www.orgelnieuws.nl

X