21 juli 2017

Tien plus vijf vragen aan Léon Berben

Léon Berben | © fotografie Lutz Voigtländer

Eerder dit jaar werd Léon Berben benoemd tot titulair organist van de St. Andreaskirche in Ostönnen bij de Duitse stad Soest. De 46-jarige Berben gaat zich daarmee ontfermen over één van de oudste orgels ter wereld. Als artistiek adviseur zal hij de concertserie medevormgeven en het orgel meer bekendheid geven door het organiseren van activiteiten en het maken van cd-opnamen. Op 5 augustus wordt tijdens een concert in Ostönnen officieel aandacht aan zijn benoeming besteed. ORGELNIEUWS stelde hem tien plus vijf vragen.

U bent titularis geworden van de St. Andreaskirche te Ostönnen. Een monumentaal orgel. Hoe blij bent u?
Erg blij … ik ken het orgel al langer en heb er vaak gespeeld. Het is een enorm inspirerend instrument in een mooie ruimte. En natuurlijk is het wel heel bijzonder dat vele delen van het orgel en een groot gedeelte van het pijpwerk zo oud zijn en dan nog ook van een meesterlijk vakmanschap getuigen.

Uw instrument legt u wel beperkingen op …
Dat vind ik niet. Alhoewel het instrument klein is, kan men er veel op spelen. Tot aan de muziek van J. S. Bach is enorm veel mogelijk. De stemming is naar Schlick, en is dan ook ietwat toleranter dan een pure middentoonstemming. (Het Reil-orgel in het Amsterdamse Orgelpark zou deze stemming eigenlijk ook moeten hebben …). Het is boeiend Nederlandse, Spaanse, Italiaanse, Engelse, Franse, Duitse ‘oude’ muziek op het het instrument te spelen. Het is wonderbaarlijk hoe goed de verschillende stijlen erop klinken. Ik denk, dat een Cavaillé-Coll-orgel mij meer beperkingen zou opleggen dan het orgel in Ostönnen …

Tachtig procent van zes van de acht registers is vijftiende-eeuws. Welke tabulatuurboeken komen er op de lessenaar?
Voor de werken van Schlick, Buchner etc. heb je eigenlijk een groter orgel nodig, ook een pedaal met een grotere omvang. Natuurlijk zijn er werken van deze componisten die goed klinken, ook bijvoorbeeld werken uit het Buxheimer Orgelbuch. Maar enkel programma’s met deze muziek zijn te beperkt. Het is interessant om uit te vinden waar de grenzen van het instrument liggen, en ook muziek tegen die grenzen aan te programmeren. Bijvoorbeeld Cabezon, Frescobaldi, Bull, Byrd … Dat alles klinkt er toch wel erg fraai, ook al zijn zeker de laatste twee voor heel andere orgeltypen.

Het is interessant om uit te vinden waar de grenzen van het instrument liggen

Mogen we cd’s verwachten van dit bijzondere orgel, of hoe gaat u de zeldzame klank van dit orgel ‘wereldkundig maken’?
Ja, er is al een plan voor een opname met het orgel. Er zijn wel al enkele opnames, maar het is nodig dat er een goede opname van het instrument gaat komen. Verder willen we de concertserie naar een hoger niveau gaan tillen door mensen uit te nodigen die een bijzondere affiniteit met oude muziek hebben en met zo’n orgel goed kunnen omgaan. Verder wil ik graag in 2019 een klein festival rond het orgel gaan organiseren. Met bijvoorbeeld een lezing door Koos van der Linde, die het orgel als geen ander kent, en met workshops en concerten.

(Hoe) klinkt Sweelinck, één van uw specialiteiten, in Ostönnen?
Geweldig mooi. Alhoewel Sweelinks orgel natuurlijk heel anders was, klinkt zijn muziek er goed.

Wat omvat het werk van de titularis van Ostönnen?
Zorgdragen voor de concertserie, zorgdragen voor het instrument in het algemeen en inderdaad een grotere bekendheid proberen te geven aan het orgel. Iedereen spreekt altijd over Sion als hét oudste orgel. Ja, zo ziet het er uit … Maar de klank? Ostönnen is in delen veel ouder. Goed, het gaat niet om een wedstrijd wie het oudste orgel bezit, maar dat bijna alle aandacht qua orgel, naar Sion gaat is niet helemaal terecht.

Het orgel in de St. Andreaskerk te Ostönnen. Bij de overplaatsing vanuit Soest (D) werd een nieuw front boven de gotische onderkas aangebracht.

U hebt klavecimbel gestudeerd bij Gustav Leonhardt en bij Ton Koopman. Grote verschillen … ?
Ja, maar ook veel overeenkomsten. Bijvoorbeeld het dynamisch bespelen van het klavecimbel. Nog steeds denken velen dat een klavecimbel helemaal geen dynamiek heeft, en dat is onzin. Er zijn veel slechte klavecimbels waarop dynamisch spel niet goed mogelijk is, dat is iets anders. Ik moet wel zeggen dat ik nu erg blij ben ook bij Rienk Jiskoot les gehad te hebben. Nog steeds ga ik graag naar hem toe om zijn mening te vragen over uiteenlopende muzikale zaken.

Jacques van Oortmerssen noemde in een interview met ORGELNIEUWS ‘authentiek’ een ‘totaal uitgehold en vercommercialiseerd begrip’. Hij zei: ‘Authentiek is tegenwoordig een synoniem voor goed en verantwoord; wat een onzin. Het zou wel eens de grootste leugen uit de muziekgeschiedenis kunnen zijn.’ Hoe staat u tegenover de ‘authentieke beweging’?
Aan de ene kant heeft hij gelijk. Het is een soort keurmerk, en dan weet de klant dat het wel goed zit. Terwijl vele zaken helemaal niet goed zitten. De beweging zou men beter ‘historisch geïnformeerd’ kunnen noemen. Is immers ‘authentiek’ niet iets, wat op een bepaald moment ontroert en overtuigt? Terwijl het misschien ‘historisch’ helemaal ‘verkeerd’ zit?

U bent oudemuziekspecialist. Hoe belangrijk vindt u bronnenonderzoek?
Erg belangrijk. Gewoon om een beeld te vormen om erachter te proberen te komen, hoe men in de zeventiende of achttiende eeuw over bepaalde zaken dacht. Ook toen was er verschil van mening, maar ook veel duidelijkheid over bijvoorbeeld tempo. Natuurlijk kan iedereen spelen hoe hij wil, maar ik persoonlijk vind het spannend om deze oude bronnen te lezen, te vergelijken en een beeld te vormen. Het heeft aan de andere kant geen zin alleen maar een Quantz en C.Ph.E. Bach te lezen, en daarmee te proberen de hele achttiende eeuw en bijvoorbeeld de muziek van J.S. Bach te begrijpen en te verklaren. Dat is te kort door de bocht.

Ook denk ik dat het beter is om bronnen zelf te lezen en niet enkel secundaire literatuur. Als ik, om maar een voorbeeld te noemen, lees dat Ewald Kooiman (Zur Interpretation der Orgelmusik Joh. Seb. Bachs) ‘Es gibt gute Gründe, für die Bestimmung des Tempos von einem Mittelwert Viertelnote = 60 auszugehen.’, dan is dat toch echt erg problematisch. Hij schrijft eigenlijk niet waarom dat zo is, de bron die hij dan vermeldt heeft niets met Bach te doen, en leidt de lezer op een verkeerd spoor. Dat vind ik niet goed, eigenlijk erg slecht.

Met gebruikmaking van soms identieke bronnen komen uitvoerenden nu en dan tot heel verschillende keuze, bijvoorbeeld qua tempi, articulaties, enz. Hoe kan dat?
Dat de mening over tempi vaak zo uit elkaar liggen, begrijp ik niet. Daar zijn vele bronnen toch erg duidelijk over. De halveringstheorie van Talsma/Van Biezen is achterhaald, en er is eigenlijk toch veel duidelijkheid, misschien met minimale verschillen. Articulatie is een ander thema. Daar is een grotere marge, dat ziet men ook bij afschriften. Ook bij versieringen zou men het meer eens kunnen zijn: grote delen van bronnen gaan over versieringen, het toevoegen daarvan etc. Dat heeft toch een grote rol gespeeld, groter dan we vandaag wel eens denken. Ook daar kunnen er kleinere verschillen zijn, maar zo fundamenteel?

Uw top vijf orgelwerken …

Willekeurige volgorde …

  • M. Weckmann, Es ist das Heil uns kommen her
  • J. S. Bach, Passacaglia in c klein, BWV 582
  • J. S. Bach, Praeludium und Fuge in e klein, BWV 548
  • J. P. Sweelinck, Erbarm dich mein, o Herre Gott
  • C. Franck, Choral I in E

Hoe staat het met de toekomst van het spelen van oude klaviermuziek?
Ik ben daar een beetje pessimistisch … technisch gezien kunnen velen best wel wat. Maar wat ik mis is een zoektocht naar een gefundeerde, nieuwsgierige, historisch geïnformeerde speelwijze. Het mag (moet?) best afwijken van de alledaagse norm, niet om het afwijken per sé, maar uit overtuiging. Maar vele leraren of professoren ondersteunen en moedigen dat bepaald niet aan.

De jongere Bach spelen we op instrumenten van Arp Schnitger, de latere Bach op Silbermann-orgels of op orgels van Midden-Duitse makelij. Eens?
De jonge Bach kende Noord-Duitse orgels, maar of die dan ideaal zijn? We moeten ook niet vergeten dat Bach zelf op de orgels die hij bespeelde (vooral) geïmproviseerd heeft en zich dus aangepast heeft aan de instrumenten en niet met het probleem zat dat de stemming niet paste of een pedaaltoets d’ ontbrak of zo voor een bepaald werk.

Silbermann is verre van ideaal voor Bach, alleen al vanwege de stemming. Hoe mooi zijn instrumenten dan ook zijn. Orgels van Wagner, Treutmann of Trost komen denk ik veel dichter bij de klank die we ons bij Bach kunnen voorstellen. Veel 8’ registers, strijkers en fluiten (welhaast ‘romantisch’) en een gravitätische klank, niet zo snijdend als bij Schnitger (hoe mooi dan ook …), een pedaalbezetting met 32′ en meerdere 16′ en 8′-registers.

Silbermann is verre van ideaal voor Bach

Wat vindt u van de opvatting van Jean Guillou dat elke keer als een partituur wordt vertolkt er als het ware een nieuw kunstwerk ontstaat – en dat de interpreet de vrijheid en zelfs de plicht heeft het werk te herscheppen?
Ik denk, dat als men een goed werk speelt, men als speler een soort ‘noodzakelijkheid’ moet scheppen om het stuk zo, en niet anders te spelen. Dat zou men als een soort herschepping kunnen betitelen, omdat er iets ontstaat dat ‘dwingend’ is, of men/de luisteraar het met het resultaat eens is of niet is een andere vraag. Maar het uitvoeren moet tot iets leiden, tot een uitgesproken mening, en mag de mensen niet koud laten. Dan immers was iets saai en dus overbodig, en geen kunst …

Wilt u reageren op de volgende namen:

Wolfgang Amadeus Mozart
Prachtig natuurlijk, maar mijn voorkeur gaat dan toch eerder naar Haydn.

Olivier Messiaen
Luister ik graag naar. Ik heb meerdere opnames van zijn orgelwerken, en bewonder de stukken en de mensen die zoiets goed kunnen spelen. Maar ik moet dan ook altijd aan mijn eindexamen UM denken. Daar speelde ik een werk van hem. Maar het tempo beviel een deel van de jury niet. Hun argument was dan ook, dat de opnames van Messiaen zelf geen leidraad mogen/kunnen zijn, omdat Messiaen zelf een niet zo’n goede organist was. Een uitspraak en mening die ik tot op de dag van vandaag niet begrijp.

Alfred Brendel
Saai, als ik eerlijk moet zijn … blijkbaar beroemd om zijn Mozart-interpretaties. Maar die zeggen me niets, als jonge jongen al niet. En dan zijn gedichten …

Willem Mengelberg
Zeer spannend! Ik ken vele opnames met hem, met muziek van Mahler, Beethoven … O, wat mooi! Hoe retorisch dat alles is. Daar wordt dan echt een verhaal verteld. Interessant is dat als men dan opnames van Harnoncourt vergelijkt, hij vaak dingen doet die weliswaar niet zo extreem als bij Mengelberg, maar wel in die richting gaan.

André Rieu
Niet mijn muziek en manier van spelen. Maar ik bewonder dat iemand al zo lang zo’n carrière maakt/heeft, blijkbaar goed voor zijn musici zorgt en ze ook nog redelijk betaalt. Dus waarom niet, als mensen het mooi vinden … Mijn interesse heeft het niet.

 

Het ‘inauguratieconcert’ van Léon Berben als titulair organist van de St. Andreaskerk in Ostönnen vindt plaats op 5 augustus 2017 om 17.00 uur. De kerk ligt aan de Kirchplatz 12, D-59494 Soest-Ostönnnen (achter Dortmund, zo’n twee uur rijden vanuit Oost-Nederland).

 


CV Léon Berben

Léon Berben (Heerlen, 1970) studeerde studeerde orgel en klavecimbel in Amsterdam en Den Haag bij onder andere Rienk Jiskoot, Gustav Leonhardt, Ton Koopman en Tini Mathot. Hij behaalde het diploma Uitvoerend Musicus voor zowel orgel als klavecimbel. Berben geldt als specialist in oude muziek, waarbij hij zich in zijn repertoire vooral richt op klaviermuziek gecomponeerd tussen 1550 en 1790. Vanaf 2000 was hij klavecinist van Musica Antiqua Köln. Na de opheffing van dit ensemble in 2006 richt hij zich volledig op zijn solocarrière, die hem voert naar vele internationaal gerenommeerde muziekfestivals. In 2017 werd hij benoemd tot titulair-organist van het historische orgel van de St. Andreaskerk in Ostönnen. Als klavecinist is hij lid van Concerto Melante, een ensemble (op historische instrumenten) van de Berliner Philharmoniker. Léon Berben woont in Keulen.

www.leonberben.org

 


Het orgel in de St. Andreaskirche te Ostönnen

Het orgel in de St. Andreas in Ostönnen is in oorsprong het oudst bespeelbare instrument ter wereld. Delen van het orgel zijn ouder dan de instrument in Sion (1435) en Rysum (1457). Bij de laatste restauratie door Rowan West (2003), onder advies van Koos van de Linde, werd duidelijk dat het hout van de nog steeds in gebruik zijnde windlade uit 1406 en 1410 is, van de blaasbalg uit 1416. Onderzoek aan delen van de orgelkast tonen dat verdere delen uit 1435, 1447, 1461 en 1480 zijn.

 

De klaviatuur van het orgel in de St. Andreas te Ostönnen

Oorspronkelijk had het orgel een blokwerk met een omvang van HH tot f2. In 1586 voegt een zekere Meister Bartholdus een Trompet 8 en een Gedackt 8 toe. Bij de bouw van de Gedackt werden gotische prestantpijpen gebruikt.

1721 komt het Instrument naar Ostönnen – oorspronkelijk stond het orgel in Hanzestad Soest – en krijgt het een nieuw front (bovenbouw). Dat de kerk in Ostönnen nooit rijk is geweest heeft er voor gezorgd dat er weinig aan het instrument werd veranderd. Bij de restauratie in 2003 werd het instrument grotendeels naar de toestand 1722 teruggebracht, zonder de gegroeide toestand aan te tasten.

Dispositie

Manuaal CD-c3
Praestant 8 – ca. 1425
Gedackt 8 – ca. 1425 en Bartholdus 1586
Octave 4 – ca. 1425
Quinta 3 – ca. 1425
Sup octav 2 – ca. 1425 en Möller 1722
Mixtur IV – ca. 1425, Möller 1722 en Dreymann 1820
Sexquial(tera) II – ca. 1425
Trompette 8 – Bartholdus 1586 en R. West 2003

Pedaal CD-g
Aangehangen

Toonhoogte: a1 = 479 Hz
Stemming: naar Schlick (1512)

 

X