RECENSIE Iddo van der Giessen – Müller Organ – St Bavo Haarlem

Er zijn orgels waarbij van de bespeler, als het om de vaardigheid van het registreren gaat, meer wordt verwacht dan normaal. Er zijn orgels waar, als het ware, alles op klinkt en er zijn instrumenten waarbij de juiste registratie een ware zoektocht kan zijn. Als het om die laatste categorie gaat, denk ik in ons land in eerste instantie aan het orgel van de Rotterdamse Laurenskerk en het orgel van de oude Bavo in Haarlem.

Als in Haarlem onvoldoende is nagedacht over de keuze welke knoppen wel/niet worden uitgetrokken, dan lijkt het alsof je veel van hetzelfde hoort en kan het orgel richting de tutti-klank een gedegen, maar tevens kille indruk achterlaten. Dan ben je een twintiger, heet je Iddo van der Giessen en ga je de uitdaging aan om het Müller-orgel als een klok te laten klinken. 

Dan heb je als voordeel dat je les had van Jos van der Kooy en Anton Pauw, waarbij ik er dan vanuit ga dat je het orgel van de Baaf vaker bespeelde dan een gemiddelde organist. Al levert ook dat geenszins de garantie dat je over vaardigheden beschikt om de vele facetten van het instrument voor het voetlicht te brengen. Het zal niet de eerste keer zijn dat een organist jarenlang verbonden is geweest aan een instrument waarvan hij de ware klankrijkdom amper heeft laten horen. 

Dat is de eerste te nemen hobbel voor Van der Giessen.
De tweede is ook niet misselijk: een betrekkelijk romantisch programma vastleggen op een orgel dat toch vooral geschikt zou moeten zijn voor barokmuziek. 

In de jaren tachtig had ik een videoband met daarop een concert van professor Hans Haselböck met romantische orgelmuziek, o.a. vanuit de Bavo in Haarlem. Hij speelt de 2e Sonate van Mendelssohn en na afloop wordt hem gevraagd waarom hij voor die muziek geen orgel uit de tijd van Mendelssohn heeft gekozen. Als antwoord geeft hij dan: ‘Vergeet niet dat men, zeker in de Duitse romantiek, teruggrijpt op de oude vormen, zoals die uit de baroktijd.’, waarmee hij zijn keuze voor het Müller-orgel beargumenteert. Van der Giessen zit met zijn programma eveneens in een Duitse hoek, maar waagt zich toch ook aan Franck.

De derde hindernis die te overwinnen is, is de moeilijkheidsgraad van de muziek. Bij vrijwel alle gekozen werken wordt de nodige virtuositeit en dus technische kwaliteit gevraagd.

Een examen in drie delen. Slaagt Van der Giessen?

Laat ik met de laatste beginnen, waarbij we, ook al is de speelaard van dat gigantische instrument in Haarlem verbluffend goed, nooit uit het oog moeten verliezen dat er hier wordt gemusiceerd op een mechanisch orgel. En Van der Giessen koos geen gezellig voortkabbelende deuntjes, maar waagt zich toch maar aan de Ad nos van Liszt, gecomponeerd door een man die, zoals men toen zei, over een duivelse techniek beschikte. 
Dan valt me, met name bij die technisch lastige delen in Liszts Ad nos, op dat er her en der een slippertje de revue passeert. De perfectionist zal erover vallen, de meer op muzikaliteit gerichte toehoorder zal het voor lief nemen. 

Als we dan toch over Liszts megawerk praten, dan komt direct de eerste hobbel ter sprake. Als een organist zich aan dit bijzondere orgelwerk waagt, moet hij de luisteraar een half uur lang boeien, waarbij ik voorzichtig vaststel dat Liszt niet met dertig minuten pakkende muziek op de proppen komt. Zodra echter de organist met deze compositie omgaat, zoals hij met een orgel als dat van de Bavo zou moeten omgaan, dan kunnen er prachtige dingen gebeuren.  
Voor dat examen slaagt Van der Giessen absoluut! Het is lang geleden dat ik de klankrijkdom van dit orgel zo op en top hoorde, als in deze opname. Wat een vakwerk! Cum laude!

Daarbij mag direct het opnamewerk van Jan Quintus Zwart worden genoemd. Het is me al eerder bij zijn producties opgevallen dat hij een scherp oor heeft voor de microfoonopstelling in een kerk. Wie meent dat Zwart beter bezig kan blijven in de hoek van koor- en samenzang heeft het mis.

En als je dan al verrast bent na Liszt, dan gaat er bij Bachs Chaconne een kleurdoos open die je helemaal versteld doet staan. Ik heb mijn mening over het Bavo-orgel nogal kunnen bijstellen na het beluisteren van deze cd en dat door een jongen die de orgel-luier nog maar net terzijde heeft gelegd.

Kom ik bij onderdeel drie: romantiek op dit orgel. Bach mag dan niet onder de orgelromantiek vallen, maar in dit arrangement lijkt het soms alsof je naar Karg-Elerts Homage to Handel luistert, met dit verschil dat ik het bij Karg-Elert halverwege moeilijk krijg om te blijven luisteren en je bij Bach denkt: ‘Ga nog maar een poosje zo door!’ Een juweel op deze cd!

Nu ik wat onaardigs over Karg-Elert heb gezegd, wil ik dat direct en terecht goedmaken door mijn vreugde uit te spreken over het feit dat iets uit diens werk, dankzij deze cd, opnieuw is opgenomen. Een componist die (meer) aandacht verdient en wiens werk, mede dankzij puik werk van de registranten, goed klinkt op het orgel van de Bavo.

Bij Franck wordt het lastiger. Natuurlijk kun je ook in de Bavo een Vox Humana met tremulant inzetten, maar de vlag ‘Vox Humana’ dekt niet automatisch de te verwachten Franse lading. En toch: Van der Giessen durft het!

Je had in vroeger tijden meer organisten die het waagden je te verrassen met Franck en Widor in de Michaëlskerk van Zwolle en je trakteerden op Vierne en Guilmant in de Oude Kerk van Amsterdam. Nee, die orgels zijn verre van ideaal voor deze muziek, maar waarom wel Bach opnemen in de Notre-Dame van Parijs en je vingers niet durven branden aan een grote Reger op de Schnitger van Zwolle? 
Zeker, ik hoor Franck graag ergens anders, maar deze courage mag niet onvermeld blijven. En het blijft niet bij lef alleen, want Van der Giessen verantwoordt zijn keuze zelf helder in het puik vormgegeven booklet. 

Nochtans sloeg enige twijfel bij mij toe, toen ik al luisterend me bleef afvragen: ‘Deze muziek daar?‘ Dat zijn de momenten waarop een fors beroep wordt gedaan op de tutti-klank van de Haarlemse gigant, waarover een Fransman, wiens blikveld zich nogal beperkte tot zijn eigen land, ooit aan mij vroeg: ‘Staat dat orgel niet in Finland?’.

Met name bij de afsluiting van Liszt en de Chaconne van Bach hoorde ik iets, wat ik nimmer hoorde in de Bavo: het orgel kan de gevraagde volle klank en grote akkoorden niet aan en zakt in elkaar als een plumpudding. Dat hoorde ik in de Dom van Köln en die van Altenberg. Dat hoorde je vroeger in de Royal Albert Hall van London en in Gloucester heeft het orgel amper een been om op te staan, bij het gebruik van de meeste registers. 

Als er echter, in mijn beleving, één orgel altijd stond als een huis, was dat o.a. het Müller-orgel van de Bavo. Nu lijkt het bij die forse akkoorden naar adem te happen en vraag je je af: ‘Wat gebeurt hier?’ Te veel registers open? Te forse akkoorden? Tremulant open laten staan? Een windvoorziening die om herstel begint te vragen? 
Ik durf het niet te zeggen, maar het ontsiert deze opname wel. Juist waar de klankrijkdom van dit instrument zo uitmuntend gepresenteerd wordt, daar wordt blijkbaar een zwakke plek blootgelegd en dat verdienen het orgel en de opname niet.

Drie hobbels. De wijze waarop ruiter Van der Giessen deze hindernissen neemt vraagt om meer. Al struikelt het paard soms een beetje – ik zal Iddo niet over het paard heen tillen – we kunnen concluderen dat de Nederlandse orgelstal er een best paard bij kreeg. Laten we derhalve het dier niet te zeer in de bek kijken en dankbaar zijn met dit geschenk in de vorm van een aantrekkelijke orgel-cd vanuit de oude Baaf.

Waardering: 4 uit 5.

Iddo van der Giessen – Müller Organ – St Bavo Haarlem 

Liszt: Fantasie Ad Nos, ad salutarem undam; Karg-Elert: Aus tiefer Not op. 65; Prologus tragicus op. 86; Franck: Fantaisie in A; Bach: Chaconne in d BWV 1004 (bew. Van der Giessen)

TulipRecords – TURE 202030, TT 76’00, booklet 20 p. (NE/DU/EN), € 18,50 | bestellen jqz@jqz.nl