26 augustus 2019

Veelzijdige Ton Koopman met veelzijdig feestboek geëerd

Wie jarig is krijgt cadeaus, meestal althans. Klavecinist, organist, dirigent en muziekgeleerde Ton Koopman was recent jarig. Hij voltooide op 2 oktober jongstleden zijn zeventigste levensjaar wat voor vrienden van deze duizendpoot-in-de-muziek aanleiding werd om een ‘Festschrift’ samen te stellen dat door uitgeverij Butz in Bonn is uitgebracht. Daarin komen artikelen voor – vrijwel alle in het Engels – die te maken hebben met significante aspecten van Koopmans kunstenaarschap en kunstenaarsleven.

 

Ton Koopman belichaamt voor menig klassieke muziekliefhebber – die van de oude muziek in de eerste plaats – in het binnen- en in het buitenland de vreugde van het muziek máken, wat tot prestaties van formaat leidt. Of het nu als dirigent is van zijn eigen Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, wat hij vanachter een eigen kistorgel pleegt te doen voornamelijk voor het begeleiden van aria’s en recitatieven in werk van met name J.S. Bach en Buxtehude (wier overgeleverde werk, van beide, hij compleet op de plaat zette) dan wel als organist en als klavecinist.

 

Aan Koopman is het zonder meer te danken dat hij de klaviermuziek van Bach op overtuigende wijze ‘ontpeld’ heeft van een grote mate van metrische starheid. Daarmee evolueerde hij de ‘authentieke uitvoeringspraktijk’ waar omheen zo vaak de geur van zo-is-het-en-niet-anders hangt, tot wat het realiter slechts kan zijn: ‘historisch geïnformeerde’ uitvoeringen van klassieke muziek uit het verleden.

 

Kunstenaarschap

Inhoudelijke kennis van de wijzen (meervoud) waarop muziek van het voorgeslacht door dat voorgeslacht werd uitgevoerd – in zijn geval de muziek van zeg maar Monteverdi tot en met Haydn, de laatste uitloper van de barok die doorgaans gefixeerd pleegt te worden op de periode 1600-1750 (met ‘circa’ erbij) – weet hij te paren met een aanstekelijk en overtuigend kunstenaarschap. Zichtbaar in de concertzalen maar natuurlijk minder zichtbaar in kerkgebouwen, althans wanneer hij aldaar aanwezige historische orgel, hoog en droog boven de vloer, bespeelt. Valt Ton Koopman, bij wie virtuositeit en expressief vermogen in elkaars verlengde liggen, te rekenen tot de categorie ‘charismatische podiumkunstenaars’? Zeker weten en dit meer dan een halve eeuw lang.

 

Bijzonders

Met feestboeken is iets bijzonders aan de hand. Niet zelden plegen auteurs met hun bijdragen daaraan iets bijzonders te creëren. En wanneer het personen zijn die bijvoorbeeld in wetenschappelijke onderzoeken en discussies sleutelrollen spelen, dan worden in zo’n feestboek ook niet zelden gegevens gepresenteerd die nieuw licht werpen op het onderwerp van hun expertise(s).  Zo ook in dit geval. Aan de hand van twee bijdragen in het boek, over orgelaspecten betreffende J.S. Bach en zijn Thüringse en Saksische omgeving, belicht ik dit.

 

De een is van de hand van Dr. Peter Wollny, die inmiddels directeur van het prestigieuze Bach Archiv Leipzig is, de ander van Dr. Michael Maul, leider van een onderzoeksteam aan hetzelfde instituut. Beiden presenteren opvallende onderzoeksresultaten die later in afzonderlijk wetenschappelijke uitgaven integraal gepresenteerd zullen gaan worden. Deze onderzoeken vonden plaats in het kader van de ‘Expedition Bach’ waarin reeds bekende archieven nogmaals en, dan niet zelden toegerust met stofjas en beschermende stofkap om de mond, letterlijk onontsloten archieven in Thüringen, Saksen en Saksen-Anhalt met name voor het allereerst systematisch te lijf zijn en nog steeds worden gegaan.

 

Dit heeft tot nu toe al een schat aan nieuwe gegevens opgeleverd waardoor de beruchte ‘gatenkaas’ van Bachs levensgeschiedenis en output als componist voetje voor voetje wordt gedicht, hier móói en vooral hoopvol geformuleerd.

 

Holzey

Bachkenner Maul verkent de vondst van een ontdekt stapeltje documenten van de hand van een Thüringse organist genaamd Johann Matthias Holzey (1665-1727) – leerling van Bachs eerste schoonvader Johann Michael Bach – die tot op heden totaal onbekend was in de muziekgeschiedschrijving. Uit deze documenten springt het beeld naar voren over de orgelbouw, over het orgelspel en over het netwerken zo rond 1700 in Thuringen van een gepassioneerd en taai volhoudende organist.

 

Uit Holzey’s levensgeschiedenis blijkt dat ook hij, net als Bach, ter afronding van zijn orgelstudie naar Noord-Duitsland trok: jonge hooggekwalificeerde musici als Holzey en Bach moesten wel naar de centra van de nieuwe muziek in hun dagen trekken, naar Lüneburg, Hamburg en Lübeck zo blijkt. En dit is maar één pregnant voorbeeld van een leef- en werkcultuur van organisten in Thüringen, waardoor de weinige gegevens betreffende Bach hierover ineens, via parallelle associatie, context krijgen.

 

Aan Bach zelf refereert Holzey in een pleidooi bij de Saksische keurvorst om (eindelijk eens) voor een nieuw kerkorgel in ‘zijn’ kerk in de plaats Schleusingen. Onder andere aan de ‘Weÿmarischen Jüngern H[err] HoffOrganisten, und CammerMusici Bach’ legde hij, voor commentaar en advies, zijn concrete ontwerp voor dit instrument voor, waarop Bach prompt reageerde. Het rijtje musici dat Holzey voor zijn plannen consulteerde laat zich als een who-is-who in de Duitse barok van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw lezen.

 

Uiteindelijk werd dit nieuwe orgel na veel duwen en trekken (dertig lange jaren) gebouwd, dit was in 1726-27 en wel door de orgelmaker Nicolaus Streber (nooit van gehoord trouwens), maar veel, laat staan ook maar enige lol heeft Holzey daaraan niet beleefd: enkele maanden voor de feestelijk ingebruikname stierf de ambitieuze, blijkbaar veelgeplaagde musicus op 63-jarige leeftijd.

 

Orgeldocument

Bachkenner Wollny belicht in zijn bijdrage aan het feestboek de inhoud en het belang van een tot nu toe onbekend handgeschreven achttiende-eeuws orgeldocument van de hand van ene Johann Lorenz Albrecht dat een wat ‘gemoderniseerd’ afschrift behelst van een nog steeds ongepubliceerd traktaat van Michael Praetorius over het keuren en op orde houden van nieuwe orgels, mét twee vrij belangrijke toevoegingen van zowel Albrecht (lijst van orgels met hun disposities) als van J.S. Bachs leerling uit Leipzig Johann Friedrich Agricola.

 

Interieur van de voormalige hofkapel van het hertogelijke kasteel van Weimar (schilderij van Christian Richter, omstreeks 1660)
Interieur van de voormalige hofkapel van het hertogelijke kasteel van Weimar (schilderij van Christian Richter, omstreeks 1660)

In Agricola’s bijlage komt een vrij belangrijke aantekening voor, naast opmerkingen over het belang van het Franse orgel in die tijd: ‘Das Rückpositiv ist zwar in Oberdeutschland seit 60 und mehr Jahren ungefähr abgekommen. In Frankreich, auch in Holland aber, ist es noch in den neuesten grossen Orgeln Mode. Der seel. Alte Bach hielt davon’

 

Deze informatie verhardt de opvatting dat het onder Bachs supervisie omgebouwde orgel van de Weimarer hofkapel, waarvan geen gegevens zijn overgeleverd, wel een rugwerk moet hebben gehad. Wat trouwens ook spreekt uit de autografe (1 stuk) en apografe handschriften (meer exemplaren) met Bachs bewerkingen voor orgel van orkestwerk van Antonio Vivaldi en Johann Ernst von Sachsen-Weimar waarin speelaanwijzingen over het afwisselend gebruik van hoofdwerk en rugwerk helder staan aangegeven.

 

Het punt is echter dat de inmiddels iconische afbeelding van het interieur van die hofkapel, ‘Himmelsburg’ geheten, een orgel op de bovenste verdieping voorkomt zónder rugwerk. Dit heeft enige verwarring in de hand gewerkt over de relatie tussen dit repertoire en dat instrument.

 

Inhoud

Wat in het Festschrift Ton Koopman valt aan te treffen?  Na een voorwoord van eindredacteur Albert Clement bijdragen van

  • Masaaki Suzuki – My dear mentor, Ton Koopman: Congratulations
  • Frans de Ruiter – 50 Years Continuo
  • Willemien Otten – Bach’s Passions in a Secular World
  • Thea Vignal-Wilberg – Der Kupferstecher Jan Sadeler und die Musik um 1600: Ein Führer durch Ton Koopmans Graphiksammlung
  • Anna Bianco – From the artcollection of Ton Koopman
  • Jos Houtsma – The Amsterdam Minne-beekje (1636-1645)
  • Arndt Schnoor – Johann Sebastian Bach als Nutzer der Ratsbücherei Lüneburg
  • Albert Clement – An Ingenious Father Figure to Bach: Buxtehude and his Chorale Fantasia Nun freut euch lieben Christen gmein
  • Frits Broeyer – Bach’s Library as Starting Point for the Reception of his Music in the Netherlands
  • Marcel S. Zwitser – ‘Blute nur, du lieber Herz!’ The Motherly Love of God in Heinrich Müller’s Göttliche Lieber=Flamme
  • Christoph Wolff – Bach’s St. John Passion and it’s Gospel Tekst
  • Rokus de Groot – Shifting Cycles: Polymetrics in the Music of Johann Sebastian Bach
  • Ralph Henssen – Zwei zur See fahrende Mitglieder der Familie Bach
  • Nicola Schneider – Friedrich Melchior Grimm und die Musik am Darmstädter Hofe
  • Ernst Schlader – ‘Es deucht zu sein ein Orgelspiel’ Anton Stadlers Konzert in Kremsmünster am 9. August 1797
  • Peter Wollny – An Unknown Collection of Organ of Organ Dispositions from Bach’s Circle
  • Michael Maul – Johann Matthias Holzhey’s Fight for a New Instrument
  • Rémy Syrier – Maastricht Organ History
  • Johann Edwin Miltschitzky – Visionen und Grenzen einer Restaurierung der historischen Riepp-Orgeln in Ottobeuren

 

Een uitgebreide discografie en bibliografie betreffende Ton Koopman completeert de 391 pagina’s tellende uitgave.

 

 

Studies in Baroque – Festschrift Ton Koopman

Editor/Herausgeber Albert Clement

 

Uitgave:  Dr. J. Butz Musikverlag
Nummer: 9783928412162
Pagina’s: 391, hardcover
Prijs:  € 32,00

 

[button link=”http://www.orgelshop.nl/orgelnieuws” target=”_new” title=”BESTELSERVICE”][/button]

 

X