17 september 2019

‘Dat waren nog eens tijden’ [ 16 ]

‘Wie van de heren? - II’

In de column ‘Dat waren nog eens tijden’ blikt verhalenverteller, organist en orgelliefhebber Bert Rebergen zo nu en dan terug op de orgelwereld van enkele decennia geleden. In deze aflevering van de column: ‘Wie van de heren? (II)’.

In navolging op mijn laatste twee columns kijk ik nog één keer terug op de tijd waarin je als jonge organist er, samen met gelijkgestemden, veel voor over had om op een bekend orgel te mogen spelen.

De meest logische stap om dit plan te verwezenlijken was het contact zoeken met de organist van de kerk en dan afwachten hoe deze zou reageren. Soms schakelden we predikanten in die vanuit onze woonplaats verhuisden naar een bekende orgelstad en een goed woordje voor ons wilden doen bij hun ‘nieuwe’ organist.

De ene organist sputterde tegen, de andere organist deed volstrekt niet moeilijk. Zo herinner ik me de gastvrije ontvangst van Bert Matter in Zutphen die er geen enkele moeite mee had om een stelletje jonge organisten achter te laten bij zijn orgel: ‘Ik woon daar en daar, bij het huis met die ‘olielampen’! Gooi de sleutel daar maar in de brievenbus!’

Menig organist reed in die jaren naar het Overijsselse Hasselt om, met de toenmalige organist Egbert Woelderink, het Rudolf Knol-orgel te bezoeken en te bespelen. De eerste keer dat we bij hem aanbelden sloeg hij de handen in het gezicht: ‘O, dat was ik helemaal vergeten, jongens! Er zijn plaatopnames vanavond – wanneer waren die daar niet? – we kunnen de kerk niet in.
Ik had jullie even moeten bellen! Maar, kom er in!’

Woelderink zette een waterig maar welgemeend kopje koffie en ging op de praatstoel zitten. We hadden dan wel een uur gereisd om even te kunnen spelen, al die verhalen uit de orgelwereld waren eveneens om te smullen.

Het liep al tegen half elf toen hij ineens opveerde. Vanuit zijn vlakbij de kerk gelegen huis zag hij dat de lichten in de kerk uitgingen. ‘We kunnen nog even!’ Tegen twaalven verlieten we de kerk: ‘We spreken gewoon nog een keer af, jongens!’ En inderdaad…een paar maanden later stonden we weer bij hem op de stoep en konden uren spelen.

Schrijver dezes miste een beetje de brutaliteit om Jan en alleman zomaar te bellen, maar op een dag waaide het geluk me toe.
Nog op het plein van de middelbare school stopte een van mijn orgelkameraden me een ansichtkaart in handen. Daarop was, in zwart wit, een enorme speeltafel te zien: ‘Bert, dit staat in Nederland!’ Ik geloofde mijn eigen ogen niet. ‘Hier moeten we een keer spelen, Bert!’ Dat wilde ik ook wel, maar waar stond dit orgel en bestond het überhaupt nog wel?

Het was mijn eerste kennismaking met het Walcker-orgel van Doesburg en diezelfde avond gebeurde iets wonderbaarlijks. Mijn ouders kregen visite van een oude vriendin uit Ede. Haar vader was hier ter plaatse meester van een zgn. jongelingsvereniging, waarop mijn vader jaren had gezeten.
Met deze man en zijn gezin bleven mijn ouders altijd bevriend.
Uit haar tas haalde mevrouw Meijer wat paperassen: ‘Dit zal jij wel leuk vinden, Bert! Dat heb ik van mijn broer gekregen, hij is er president kerkvoogd.’ Tot mijn ontsteltenis stopte ze mij ansichtkaarten – dit keer in kleur- in handen van de kerk en het orgel … in Doesburg.
‘Nico heeft al tegen me gezegd, dat je maar eens een keer moet langskomen om te spelen!’
Mijn mond viel open van verbazing. Dit gebeurde op één en dezelfde dag!

Uiteraard vertelde ik de volgende dag met een stalen gezicht op het schoolplein dat alles voor Doesburg geregeld was. Deze opmerking werd door compleet verraste gezichten beantwoord.

Meerdere malen werden we vriendelijk ontvangen in Doesburg. Nico Meijer – hij schreef een boek over de kerk en maakte verschillende foto’s van het orgel – nam ons mee in de enorme ‘Walcker- telefooncentrale’ en vertelde dat een oude man het onderhoud verzorgde van het voormalige orgel van de Zuiderkerk uit Rotterdam: ‘Als die man er niet meer is, is het orgel ten dode opgeschreven. Het orgel kent weinig bekendheid, is maar bij een beperkt publiek geliefd en professioneel onderhoud is onbetaalbaar voor Doesburg.’

Met die treurige toekomstverwachting reden we iedere keer weer naar huis.
Ooit zou er van dit unieke orgel niet veel meer overblijven …
Hoe anders zou het gaan! Jan Jongepier zou, samen met vele andere enthousiastelingen, het instrument opnieuw onder de aandacht brengen en die aandacht kwam er vanuit binnen- en buitenland.

Dit jaar viert Doesburg het honderdjarig bestaan van een exoot in het Nederlandse orgellandschap. Zelfs de puristen die zich in vroeger tijden meesmuilend over dit type orgels uitlieten zijn nu dankbaar dat dit instrument te Doesburg voor de tweede keer weet waar het de mosterd moet halen.

 


Bert Rebergen (*1969) is vooral onderwijsman en verhalenverteller, maar orgelmuziek mag zich in zijn grote belangstelling verheugen, niet alleen passief maar ook in de praktijk. In 1988 werd hij organist in Veenendaal. Daar en daarbuiten bespeelt hij, tot de dag van vandaag, menig instrument. Sinds 2009 treedt hij als verteller en presentator op in het gehele land.

1 Reactie op ‘Dat waren nog eens tijden’ [ 16 ]

  1. Het is hartverwarmend hoe de auteur van deze column enthousiast kan navertellen hoe gastvrij hij menigmaal is ontvangen door organisten. Gelukkig is mij dat ook menigmaal overkomen doch het lukt mij maar niet enkele totaal tegengestelde ervaringen uit mijn geheugen te wissen. Mij is het helaas ook nog wel eens overkomen dat organisten bij een bezoek na een kerkdienst (nadat ik eerst al mijn moed bij elkaar geraapt had) mijn verzoek of ik ‘even mocht spelen’ botweg weigerden. Meestal was de smoes dat ‘het niet zou mogen van de kerkvoogden’ of zoiets dergelijks. Ook maakte ik het nogal eens mee dat mij wél een paar momenten achter de toetsen gegund werd maar dat de speeltijd (vooral als aanwezigen aangaven mijn spel te waarderen) met behulp van rammelende sleutelbossen en ander non verbaal negatief gedrag tot een minimum beperkt werd. Het is daarom dat ik – als het me overkomt dat ik na een dienst door een jonge enthousiaste hond bezocht word- mijn vrouw samen met de koster altijd vast naar huis stuur om even lekker de tijd te hebben om zo’n aankomend talent rustig zijn gang te kunnen laten gaan. Het behoort óók tot de taak van de organisten om perspectief te bieden aan de komende generatie collega’s.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.

X