16 november 2018

Orgel Grote Kerk Monnickendam weer in gebruik

 

Op zaterdag 28 mei wordt het door Orgelmakerij Reil gerestaureerde Gerstenhauer-orgel van de Grote Kerk te Monnickendam opnieuw in gebruik genomen. Het karakteristieke instrument werd in de periode 2008/2011 geheel gerestaureerd door de Heerdese orgelmakers.

Johan Michaël Gerstenhauer en Jan Godfried Richter ontvingen van het stadsbestuur van Monnickendam de opdracht om het orgel van de Grote- of Nicolaaskerk grondig te herstellen en een nieuwe orgelkas te laten maken. De beide in Duitsland geboren en zich in Amsterdam gevestigde orgelmakers begonnen in 1778 met de werkzaamheden. Uiteindelijk ontstond een vrijwel geheel nieuw orgel met gebruikmaking van een deel van het pijpwerk van het vorige instrument uit de zestiende en zeventiende eeuw. De orgelkas werd ontworpen door Daniël Stoopendaal te Amsterdam en vertoont veel overeenkomsten met het huidige orgel in de St. Nicolaaskerk te Jutphaas. In 1780 werd het orgel opgeleverd.

Vrij snel na de oplevering werden door Gerstenhauer ingrijpende reparaties uitgevoerd: in 1783, 1787 en 1788. In 1790 verricht Hendrik Meyer te Amsterdam een omvangrijke reparatie waarna het orgel in 1793 weer bij de zich dan in Monnickendam gevestigde Gerstenhauer in onderhoud komt. Het orgel bleef echter gevoelig voor reparatie. Na het overlijden van Gerstenhauer in 1818 kwam het orgel in onderhoud bij Peter Joseph Teves te Amsterdam en later bij Jean Henri Overdeik.

Na het vertrek van Overdeik uit Monnickendam in 1857 werden Flaes & Brünjes te Amsterdam benaderd omdat het orgel opnieuw in slechte staat verkeerde. Nog datzelfde jaar werd begonnen met restauratie van de zeven balgen. Een jaar later werden werkzaamheden aan de Octaaf 4’ en Prestant 8’ van het Bovenwerk uitgevoerd.

In 1859 kwamen geldelijke middelen ter beschikking waardoor Flaes & Brünjes uitvoeriger herstelwerk konden uitvoeren. Zo werden de klavieren en de klavierkoppeling vernieuwd, windladen en mechaniek hersteld en de twee hoogste koren van de Cornet IV vernieuwd evenals een aantal pijpen van de Quint 6’ D en de Octaaf 8’ van het Pedaal. Het orgel werd gestemd ‘op orgest toon naar de gelijkzwevende stemming’.

J. de Koff & Zoon te Utrecht voerde in 1926 herstelwerk uit. De pedaalkoppel en de horizontale pedaaltractuur en het knieschot werden vernieuwd, evenals de walshouders en de houten walsarmen. De frontpijpen werden geverfd en gealluminiumd. De Koff voerde tevens een dispositiewijzing uit: De Viola di Gamba 8’ (Manuaal) werd vervangen door een Violon 8’, De Roerfluit 8’ werd in de discant vernieuwd en de Salicionaal 4’ en Woudfluit 2’ van het Bovenwerk werden vervangen door een Gamba 8’ en een Vox Coelestis 8’.

In 1961 werd het orgel vanwege de kerkrestauratie gedemonteerd door De Koff, die in 1969 begon met de restauratie van het instrument. Vanwege het faillissement van De Koff in 1971 werd de restauratie in 1972/74 afgerond door Flentrop te Zaandam. Bij deze restauratie zijn de ingrepen uit 1926 ongedaan gemaakt. Het pijpwerk werd gerestaureerd en waar nodig verlengd om de oorspronkelijke toonhoogte te kunnen herstellen. De windladen werden geheel gerestaureerd. Vanwege de reconstructie van het torengewelf en de plaatsing van een nieuwe muur achter het orgel kwam ook de oorspronkelijke balgenkamer met de zeven spaanbalgen te vervallen. In plaats daarvan werden vier van de zeven balgen geplaatst in een hoger gelegen torenruimte en voorzien van nieuw kanalisatie. De frontpijpen werden ontdaan van aluminiumverf en gefoelied.

Al direct na de oplevering in 1974 bleek de windvoorziening niet probleemloos te functioneren en werden twee schokbalgen aangebracht. Ook in de decennia daarna zou het orgel met diverse ad hoc ingrepen speelbaar worden gehouden.

Restauratie 2008-2011
Begin deze eeuw was opnieuw een omvangrijke restauratie nodig. Gerard Verloop, die in 1996 al eens uitgebreid historisch onderzoek naar het orgel startte, en Dirk Bakker werden als adviseurs aangetrokken. De restauratie werd gegund aan Orgelmakerij Reil te Heerde.

Inmiddels was ook de restauratie van het kerkgebouw gaande. Als gevolg van het afstralen van de kerkmuren en een falende afdichting van het instrument, raakte het Gerstenhauer-orgel zwaar vervuild door stof en gruis. Daardoor moesten de windladen toch nog naar de orgelmakers die in 2008 konden beginnen met de restauratie. In de periode tot en met 2011 werd het orgel integraal gerestaureerd. Uitgangspunt was de situatie-Flaes met behoud van waardevolle ingrepen uit 1926 en 1968/74. Naast ladeherstel werd opnieuw aandacht besteed aan de mechaniek. De registermechaniek van de beide manualen werd, analoog aan de ingreep van Flaes bij de Pedaalregisters, voorzien van veren. De Pedaalregisters werden nog eens voorzien van contragewichten. Door de bijzondere positie van de klaviatuur dwars onderin het sofiet onder het orgel en een hoge winddruk liet het orgel zich zeer zwaar bespelen. De toetsdruk kon enigszins worden teruggebracht, onder meer door de ventielen in de bas (C-h0) te vervangen door smallere ventielen in combinatie met kleinere inlaatopeningen. De wellenarmpjes uit 1926 werden vervangen door nieuwe uit zwart gelakt ijzer.

De vier nog aanwezige spaanbalgen werden geheel gerestaureerd, de trapinstallatie opnieuw bedienbaar gemaakt. De in 1974 geplaatste schokbalg kon nu buiten gebruik worden gesteld. Nieuwe toevoerkanalen (met terugslagkleppen) vanaf de windmotor werden gemaakt. Met behulp van elektronica is het toerental van de windmotor gekoppeld aan de stand van de balgen, een door Reil ontwikkeld systeem. De winddruk werd verlaagd naar 93 mm wk.

In 1968 werd bij de plaatsing van een nieuwe muur achter het orgel ook de grenen omtimmering van het Bovenwerk vervangen. Vanwege de diepe ligging van deze lade (de Vox Humana staat bijna vijf meter achter de middentoren) was de uitstraling nogal indirect. Bij de recente restauratie is deze verbeterd door het aanbrengen van een halfronde inwendige betimmering die de functie van klankbord heeft.

Het pijpwerk werd geheel nagezien en hersteld, waarbij met name het houten pijpwerk grondig moest worden gerestaureerd. De in 1974 aangebrachte Salicionaal 4’ werd integraal vervangen, de in datzelfde jaar gereconstrueerde Viola di Gamba van het Manuaal werd opnieuw geïntoneerd.

Ingebruikname
Op vrijdag 27 mei wordt de gerestaureerde Grote Kerk met het gerestaureerde Gerstenhauer-orgel officieel geopend door de Commissaris van de Koningin van de provincie Noord-Holland, de heer J.W. Remkes. Deze bijeenkomst is uitsluitend voor genodigden.
Op zaterdag 28 mei is er van 13.00 uur tot 16.00 uur een open dag. Het orgel zal van 13.30 uur tot 14.00 uur te beluisteren zijn met kinderkoor De Kickers. Organist is Wim Dijkstra.
Het orgel zal eveneens te beluisteren zijn tijdens een feestelijke kerkdienst op zondag 29 mei.

 


Dispositie

Manuaal C-d3
Prestant 16 – 1780; C-g2 front
Prestant 8 – vrijwel geheel 1780; C-F in het front
Fournituur II D – 8 voet (gedekt) en 4 voet (open); diverse ouderdom
Roerfluit 8 – C-H: 1780; rest 1974
Viola di Gamba 8 – af c0; 1974. Herintonatie 2011
Octaaf 4 – 7 pijpen 1525; rest 1780
Quint 3 – vrijwel geheel 1780
Octaaf 2 – 23 pijpen 1525; rest vrijwel geheel 1780
Sifflet 1 – wijd conisch; 1780, Groot C 1859
Terts 1 3/5 B/D – groten deels 1525
Cornet IV D – 4- en 2 2/3-koor 1780. 2- en 1 3/5 voet-koor 1859.
Mixtuur IV-V B/D – 163 pijpen uit 1525 , rest ut 1640, 1780, 1859 en later
Quinta 6 D – 16 pijpen uit 1525 en 11 pijpen (c1-b1) uit 1859
Quintina II B –grotendeels 1525
Sesquialter II D – grotendeels 1525
Trompet 16 B/D – 1780. Eiken stevels en koppen. Enge bekers
Trompet 8 voet B/D – 1780. Eiken stevels en koppen

Bovenwerk C-d3
Bourdon 16 – C-c0 eiken, 1780. Rest metaal, deels 1525 en 1640
Baarpijp 8 – 1780. Drie pijpen 1859
Prestant 8 – 1780. Zes grootste pijpen 1859
Quintadeen 8 – 1780. C-Gis uit Holpijp; Groot A 1859.
Holpijp 8 – Vrijwel geheel 1780.
Fluit travers 8 D – 1780. Eiken met metalen stemlapjes. Voorslagen perenhout.
Salicionaal 4 – 2011
Octaaf 4 – Vrijwel geheel 1780
Roerfluit 4 – Groot C 1859, Cis-A 1780, rest 1640
Octaaf 2 – 34 pijpen 1640, C-H 1780, rest 1525 en 1859
Sesquialter II D – 47pijpen 1640, rest 1525.
Woudfluit 2 – 1974
Gemshoorn 2 – Vrijwel geheel 1780; conisch
Flageolet 1 – 1780; cilindrisch
Voxhumana 8 –1778. Eiken stevels en koppen 1778. Bekers en kelen met dubbelconus

Pedaal C-d1
Octaaf 8 – 18 pijpen 1525, C-E 1780, vermaakt 1859; rest 1859 en 1974
Subbas 16 – 1780; eiken
Bazuin 16 – 1780. Eiken stevels en koppen
Trompet 8 – grotendeels 1780; Af e0 snavelkelen, ouder dan 1780

Werktuiglijke registers
Tremulant Manuaal – inliggend, 1974
Tremulant Bovenwerk – opliggend, 1974
Windlosser – sinds 1974 buiten gebruik
Afsluiting Manuaal – sinds 1974 buiten gebruik
Afsluiting Bovenklavier – sinds 1974 buiten gebruik
Afsluiting Pedaal – sinds 1974 buiten gebruik
Calcantenklok – sinds 1974 buiten gebruik
Klavierkoppel – 1860
Pedaalkoppel – 2011
Nihil
Winddruk: 93 mm WK
Aantal spaanbalgen: 4
Toonhoogte: a1= 441,5 Hz bij 16° C
Stemming of temperatuur: Neidhardt II

 

 

Samenstelling vulstemmen

Fournituur II D
c1: 8 (gedekt) – 4 (open)

Cornet IV D
c1: 4 – 2 2/3 – 2 – 1 3/5

Mixtuur IV-V B/D
C: 2 -1 1/3 – 1 – 2/3
c0: 4 – 2 2/3 – 2 – 1 1/3
c1: 8 – 5 1/3 – 4 – 2 2/3 – 2′-koor in 1859 verwijderd
c2: 8 – 5 1/3 – 4 – 2 2/3 – 2

Quintina II B
C: 2 2/3 – 1 1/3

Sesquialter II D – Manuaal
c1: 2 2/3 – 1 3/5 voet

Sesquialter II D – Bovenwerk
c1: 2 2/3 – 1 3/5 voet

 

Gegevens met dank aan Dirk Bakker

 

© 2011 www.orgelnieuws.nl

X