COLUMN Bert Rebergen: Beeldig!

Beeldig! Als ik u vraag om een beeld te bedenken bij dat woord, dan komen we vast en zeker bij ongeveer hetzelfde plaatje uit: een aantal dames staat in een kledingzaak – hebt u in deze rare tijden nog enig idee hoe die winkels eruit zagen? – en één van hen stapt met het nieuwe jurkje juist het pashokje uit. De dames knikken instemmend en zeggen in koor: ‘Beeldig!’

De link met de orgelwereld zult u nog niet hebben gelegd. Dat begrijp ik.

Enkele tientallen jaren geleden was de orgelwereld zo beeldig niet. We zaten nog gekluisterd aan de radio, aan onze platenspeler en bij concerten waren grote beeldschermen niet te vinden. Op televisie – daar schreef ik al eens eerder over – zag je zelden organisten en van YouTube en social media had niemand gehoord.

Dat de orgelwereld beeldender werd, zagen we al voor corona en de streaming concerten. Inderdaad waren toen de grote schermen al niet weg te denken bij concerten en plaatsten steeds meer mensen hun filmpjes op het internet. 

Met het beeldender worden van de orgelwereld werd de uiterlijke verschijning ook steeds zwaarwegender. Die was in vroeger tijden alleen van belang bij de spelende orgeldames. Michelle Leclerc, Gilian Weir en Diane Bish konden er wat van met hun gouden stappers en glimmende jurken

De mannen waren net zo saai als hun niet orgel spelende seksegenoten en beperkten zich tot stropdas en pak. Een enkeling waagde zich aan een rokkostuum en vlinderdas, maar dergelijke uiterlijkheden vonden we toch al snel verdacht.

De enigen bij wie het uiterlijk al wel een rol van betekenis leek te vervullen waren bijvoorbeeld Piet van Egmond en Jean Guillou. Bij hen leek zelfs make-up hun artistieke kwaliteiten kracht bij te zetten. En dat Klaas Jan Mulder voor zijn foto’s op zijn eerste platenhoezen eerst in de spiegel van de kapper had gekeken, was eveneens overduidelijk.

De orgelwereld was toen echter te mannelijk om die vrouwelijke invloeden toe te laten. Dit in tegenstelling tot nu. Het uiterlijk speelt in de beeldender geworden orgelwereld een grotere rol. Menig organist verschijnt in strak merkoverhemd met bloemetjeskraag, in te strakke pantalons, met daaronder het liefst puntige schoenen van Italiaanse makelij. Eventuele baardjes zijn keurig bijgepunt en het akelig glimmende kapsel bevat uiterst diepe scheidingen. Een vijftiger wil vooral laten zien dat hij begin dertig is.

Onze Franse ambtsgenoten gaan voor de opvallende kousen en dragen onder een keurig kostuum knalrode sokken. Vandaag nog zag ik een Parijzenaar met fel gele exemplaren, die nog eens extra werden onderstreept door blitse sportschoenen en gele elleboogstukken. En dan zwijgen we nog over de Lady Gaga der organisten, meneer Carpenter, die middels de gekste naaldhakken zijn bijna perfecte pedaaltechniek aan ons wil tonen. In Nederland zie ik die vreemdsoortige stappers ook regelmatiger in beeld verschijnen, alsof onze good old Van Liertjes en Van Bommeltjes er niet meer toe doen.

Ja, de mannenwereld is de afgelopen decennia voorzien van een vrouwelijk sausje. Winnende voetballers rennen na afloop met hun kindje – die ze de rest van de week nimmer zien – springend en jankend over het veld en Nederlandse organisten vertonen maar al te graag hun knappe en briljante koters in de social media: 
‘Mijn zoon speelt piano!’
‘Trotse vader van dochter met eerste viooldiploma!’
Van deze krijg ik helemaal de kriebels: een foto van een kind op een orgelbank met de tekst ‘dankbaar’ eronder. 

Het zal wel aan mij liggen. 

Al die uiterlijkheid is niet zo aan mij besteed, moet u maar denken. 
Ik groeide op met de beelden van Feike Asma, die met een zelden gewassen en oerlelijk geel overhemd en ongelooflijk lompe hoornen bril, in Maassluis, de Toccata van Widor, deels met de vlakke hand, speelde. Het klinkt nergens naar, maar je vergeet het je leven niet. Er is een platenhoes waarop we hem in een interieur alla De Bouvrie zien zitten, in een spierwit driedelig pak en je ziet aan zijn hoofd dat hij denkt: “Wie heeft mij hier ingeluisd?’

Willem Tanke vind ik daarentegen een held door gerust in een gedateerd zomerjack en op sokken zelfs Messiaen op dvd vast te leggen. Natuurlijk associeer je een organist op sokken met een opa die moeizaam een lied van Johan de Heer uit zijn harmonium pompt, maar toch. 

Blijkbaar hoor ik meer bij de generatie, of de categorie orgelliefhebbers die niet onder de indruk raakt van ‘Kijk mij!’, maar blijer wordt van ‘Ik zal je eens wat laten horen!’

En weet u? Als u iemand een opname van een zelf gespeeld orgelwerk laat horen en deze reageert met: ‘Beeldig!’, dan hebt u volgens mij het beste compliment ontvangen dat u kon krijgen.

Bert Rebergen (*1969) is vooral onderwijsman en verhalenverteller, maar orgelmuziek mag zich in zijn grote belangstelling verheugen, niet alleen passief maar ook in de praktijk. In 1988 werd hij organist in Veenendaal. Daar en daarbuiten bespeelt hij, tot de dag van vandaag, menig instrument. Sinds 2009 treedt hij als verteller en presentator op in het gehele land.

3 Comments

  1. In dit land mag een ieder zijn mening hebben, Roel Wester. Je kunt van verhalen houden, of er niets mee hebben. Het klopt in ieder geval niet dat het nergens over gaat. Misschien kunt u het beste eerst eens nagaan wat een column precies inhoudt. Het is juist de toon die de muziek maakt. En misschien is dat laatste wel een leuk onderwerp voor een volgende column.

  2. Nee joh, dat houdt juist de lol er in in de orgelwereld. Vindt zijn columns juist leuk. En er is een oplossing, gewoon niet lezen.
    Gegroet, Henk Jansen (eveneens een dagelijkse bezoeker van ORGELNIEUWS).

  3. De columns van meneer Rebergen mogen van mij wel verdwijnen.
    Het gaat echt nergens over als het gaat om alles wat des orgels en orgelmuziek is.
    Eigenlijk heb ik nooit iets met die flauwekul gehad.
    De goeie man kan zicht beter richten op onderwijs en aan zijn leerlingen leuke verhalen vertellen.

    Een vriendelijke groet van Roel Wester (een dagelijkse bezoeker van ORGELNIEUWS).

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.